Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8101Zaaknummer C/02/448476 / JE RK 26-893

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/448476 / JE RK 26-893
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 1:265h BW. Vervangende toestemming medische behandeling - ADHD-medicatie

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige], inhoudende het opstarten van medicatie ter behandeling van ADHD;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448476 / JE RK 26-893

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Helmond,

hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
  • de van de moeder per email ontvangen schriftelijke reactie, gedateerd 25 juni 2026, met bijlagen;
  • de brief van de moeder met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- de vader;

- een vertegenwoordigster van de GI.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met een (andere) kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn vader.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 24 maart 2027.

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behandeling van [minderjarige]. Deze medische behandeling betreft het opstarten van medicatie ter behandeling van ADHD bij [minderjarige].

3.2.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

De GI

4.1.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende aangevoerd. Sinds 2021 is er een ondertoezichtstelling voor [minderjarige]. In 2022 is onderzoek gedaan door Jeugdzorg om te kijken waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt. Toen kreeg hij nog geen diagnose, maar later heeft [hulpverlening 1] vastgesteld dat [minderjarige] ADHD heeft. Hij vertoont ernstige gedragsproblemen, heeft concentratieproblemen en laat fysieke agressie zien, zowel thuis als op school. Op dit moment krijgt hij professionele hulp van onder andere [hulpverlening 2] en [hulpverlening 1]. [minderjarige] gaat momenteel drie keer per week naar school, waarbij zijn aanwezigheid beperkt is tot maximaal twee uur per keer. Tijdens zijn aanwezigheid op school vertoont [minderjarige] zodanig grensoverschrijdend gedrag, dat hij niet toekomt aan enige vorm van onderwijs. Ook in de thuissituatie vertoont [minderjarige] ernstig grensoverschrijdend gedrag en er wordt gezien dat de draagkracht van de vader afneemt. De gezondheidssituatie van de vader, de zieke van Hodgkin, heeft geleid tot een verslechtering van de stabiliteit in de thuissituatie en een terugval in het functioneren van [minderjarige].

4.2.

De situatie is nu zo ernstig dat de hulpverlening niet meer weet welke stappen ze nog kunnen zetten. Speltherapie is gestart en lijkt kleine verbeteringen te brengen, maar dit laat onvoldoende vooruitgang zien. De betrokken hulpverlening weet niet wat nog mogelijk is om [minderjarige] op een goede en gezonde manier te laten opgroeien. Als het zo doorgaat, moet zelfs gedacht worden aan een uithuisplaatsing. Sinds 2023 adviseren de betrokken hulpverleningsinstanties voor [minderjarige] medicamenteuze ondersteuning passend bij ADHD om zijn impulsregulatie te verbeteren, zijn concentratievermogen te vergroten en zijn gedragsproblemen te verminderen. Medicatie is een erkende en vaak noodzakelijke behandeling, zeker bij ernstige ontregeling en als andere methoden onvoldoende helpen. De vader staat open voor medicatie, maar de moeder weigert toestemming en wil andere opties proberen. Volgens de GI zijn die alternatieven tot nu toe niet concreet ingezet of effectief gebleken. [minderjarige] is ook aangemeld voor het Pelsner-traject, maar dit vraagt veel van de thuissituatie en legt een zware belasting op de vader. Door zijn beperkte draagkracht is dit traject momenteel niet haalbaar. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal er in overleg met de psychiater en betrokken hulpverlening afgestemd worden hoe de medicatie ingezet gaat worden. Op dit moment loopt [minderjarige] vast in zijn ontwikkeling en zijn de mogelijkheden om hem verder te helpen uitgeput. De GI acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat er toestemming wordt verleend ter vervanging van de ontbrekende instemming van de moeder voor het opstarten van medicatie ter behandeling van ADHD.

De moeder

4.3.

Door de moeder is, samengevat, het volgende aangegeven. De moeder is niet akkoord met het gebruik van ADHD-medicatie voor [minderjarige]. Ze vindt de diagnose ADHD niet gek, omdat ze dat al vermoedden toen hij drie jaar was. Volgens de moeder wordt zij onvoldoende betrokken door de GI. Ze wil graag andere mogelijkheden proberen, zoals een dieet (Pelsner). Naar haar mening zijn er voldoende gezonde alternatieven waarmee gedragsverandering mogelijk is. Ze wil geen onderdrukkende medicatie voor [minderjarige]. De moeder vindt dat er gewacht moet worden tot [minderjarige] twaalf jaar is en zelf kan aangeven wat hij van medicatie vindt. Bovendien mag de ziekte van de vader niet als reden worden gebruikt om medicatie te geven. De moeder herkent zichzelf niet in de bijgeleverde documenten. Ze is betrokken bij [minderjarige] en heeft een goede band met hem. In de afgelopen jaren heeft zij verschillende cursussen gevolgd die haar helpen met emotieregulatie. ADHD-medicatie past niet bij haar leefstijl, werk, studie en opvoeding. Ze denkt dat [minderjarige] op school meer uitgedaagd moet worden en dat het belangrijk is om zijn gedachtegang positiever te beïnvloeden. Ze zet daarom in op het veranderen van zijn mindset; als voorbeeld noemt ze dat ze hem een steentje meegeeft naar school waar hij zijn gedachten op kan richten. De moeder ziet dat andere methoden beter werken dan medicatie. Gezien het voorgaande verzoekt de moeder om het verzoek af te wijzen.

De vader

4.4.

Door de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Hij staat achter het verzoek van de GI. Over het algemeen is hij het eens met de moeder dat medicatie niet altijd de beste oplossing is en dat veel problemen mogelijk worden veroorzaakt door voeding. Hij begrijpt haar zorgen. Tegelijkertijd ziet hij dat [minderjarige] op dit moment niet tot ontwikkeling komt. [minderjarige] is erg intelligent, moet naar school en leren, maar komt daar nu niet aan toe. Het Pelsner-dieet is geen optie, omdat dit veel vraagt en de gezondheid van de vader dat niet toestaat. De negatieve spiraal moet doorbroken worden. Door zijn gedrag gaat [minderjarige] niet naar school en laat hij thuis negatief gedrag zien, wat ook de draagkracht van de vader vermindert. Als de situatie zo doorgaat, bestaat het risico dat [minderjarige] uiteindelijk niet meer thuis kan wonen. Dat wil de vader koste wat kost voorkomen. Daarom is hij van mening dat medicatie op dit moment de beste optie is. Hij kan zich dan ook vinden in het verzoek.

5 De beoordeling

5.1.

Het verzoek van de GI is gebaseerd op artikel 1:265h van het Burgerlijk Wetboek.

5.2.

Volgens het eerste lid van deze bepaling kan, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.

5.3.

Uit de inhoud van de stukken en de standpunten van partijen is de kinderrechter het volgende gebleken. Bij [minderjarige] is ADHD vastgesteld. Deze diagnose wordt door partijen niet betwist. [minderjarige] vertoont al lange tijd ernstig grensoverschrijdend gedrag, zowel thuis als op school. Hij gaat momenteel drie keer per week naar school, waarbij zijn aanwezigheid beperkt is tot maximaal twee uur per keer. Tijdens zijn aanwezigheid op school vertoont [minderjarige] zodanig grensoverschrijdend gedrag, dat hij niet toekomt aan enige vorm van onderwijs. Ook in de thuissituatie vertoont [minderjarige] ernstig grensoverschrijdend gedrag en er wordt gezien dat de draagkracht van de vader afneemt.

5.4.

De kinderrechter maakt zich, samen met de betrokken partijen, grote zorgen over [minderjarige] en zijn situatie. Hoewel hij een intelligente jongen is, komt hij op dit moment niet tot ontwikkeling. Sinds 2021 loopt er een ondertoezichtstelling, maar in die periode is het niet gelukt om de situatie positief te veranderen. De mogelijkheden zijn inmiddels uitgeput. De betrokken hulpverleners adviseren medicatie voor ADHD om zijn impulscontrole te verbeteren, zijn concentratie te versterken en zijn gedragsproblemen te verminderen. De kinderrechter is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat deze medicatie wordt geprobeerd om de situatie te verbeteren.

5.5.

De moeder heeft bezwaren geuit tegen het gebruik van medicatie. De door de moeder voorgestelde alternatieve scenario’s acht de kinderechter echter gelet op de grote zorgen en ernstige gedragsproblematiek op dit moment onvoldoende toereikend. Medicatie sluit het toepassen van andere methoden niet uit; er kan bijvoorbeeld ook naast medicatie gewerkt worden aan de mindset van [minderjarige]. In overleg met de psychiater en betrokken hulpverlening wordt daarnaast gekeken naar een passend medicatieplan voor [minderjarige]. De kinderrechter acht het van belang dat er nu rust gecreëerd wordt en [minderjarige] toekomt aan ontwikkeling. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen.

5.6.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent vervangende toestemming voor de medische behandeling van [minderjarige], inhoudende het opstarten van medicatie ter behandeling van ADHD;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.