Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8093Zaaknummer C/02/447819 / FA RK 26-2294
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/447819 / FA RK 26-2294
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging ouderschapsplan
De rechtbank
bepaalt - onder wijziging van de beschikking van 16 augustus 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan - dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte ouderschapsplan, welke door partijen is ondertekend op 26 maart 2026 resp. 2 april 2026, deel uitmaken van deze beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/447819 / FA RK 26-2294
datum uitspraak: 24 juli 2026
beschikking over bekrachtiging ouderschapsplan
in de zaak van
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1],
en
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2]
advocaat beide verzoekers: mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige].
1 Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 14 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Bronsveld d.d. 16 juni 2026 met bijlagen.
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2 De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank van 16 augustus 2021 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 7 september 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Voorafgaand aan het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige].
Bij voornoemde beschikking van 16 augustus 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslist dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de overige onderlinge regelingen uit het aangehechte en gewaarmerkte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
3 Het verzoek en de beoordeling
Partijen verzoeken bij beschikking, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
- de bepalingen van het ouderschapsplan deel te laten uitmaken van de door de rechtbank af te geven beschikking.
Bij het verzoekschrift is een door de man en mr. Bronsveld ondertekende referteverklaring gevoegd, waaruit volgt dat de man zich niet verzet tegen het verzoek. Ook heeft hij er geen bezwaar tegen dat de rechtbank zonder mondelinge behandeling beslist op het voornoemde verzoek.
Gelet op de overgelegde stukken acht de rechtbank een mondelinge behandeling van het gezamenlijke verzoek van partijen niet nodig.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 en 5 van het Burgerlijk Wetboek bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een voldoende wettelijke basis voor het verzoek om het ouderschapsplan onderdeel te laten uitmaken van de beschikking en aan te hechten.
Het is de rechtbank gebleken dat het door partijen op 26 maart 2026 resp. 2 april 2026 getekende ouderschapsplan afspraken bevat over de wijze waarop de zorg- en opvoedingstaken worden vormgegeven, de wijze waarop ouders elkaar informeren en raadplegen en over de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank wijst het verzoek toe, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich daartegen verzet. Het ouderschapsplan zal – zoals verzocht – worden gehecht aan deze beschikking.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In het onderhavige geval waarin sprake is van het aanhechten van een ouderschapsplan is uitvoerbaar bij voorraad verklaren niet mogelijk, nu sprake is van onderlinge afspraken. De rechtbank zal hier dan ook vanaf zien en het verzoek op dit punt afwijzen.
4 De beslissing
De rechtbank
bepaalt - onder wijziging van de beschikking van 16 augustus 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan - dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte ouderschapsplan, welke door partijen is ondertekend op 26 maart 2026 resp. 2 april 2026, deel uitmaken van deze beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.