Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8080Zaaknummer C/02/449263 / JE RK 26-1036
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/449263 / JE RK 26-1036
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Aanpassing omgang, overnachtingen per 1 oktober 2026
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de beschikking 31 december 2025 en bepaalt dat de GI stapsgewijs de huidige omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden, zodat er per 1 oktober 2026 sprake is van een weekendregeling waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken een weekend bij de moeder verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449263 / JE RK 26-1036
Datum uitspraak: 23 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
gevestigd te Velserbroek,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. M. ter Haar-Bas uit Rotterdam.
Familie [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026;
- het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 30 juni 2026;
- het gewijzigde verzoekschrift van de GI, ontvangen op 2 juli 2026;
- het aanvullende verweerschrift met voorwaardelijk zelfstandig verzoek van de moeder ontvangen op 8 juli 2026;
- het bericht met bijlagen van de GI van 10 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI (via een online verbinding).
De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders juist zijn opgeroepen, maar niet zijn verschenen.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 oktober 2021 is [minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI met ingang van 20 oktober 2021 en tot 20 oktober 2022. De
ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15
oktober 2025 met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 oktober 2026.
Bij beschikking van de kinderrechter van 20 oktober 2021 is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 20
oktober 2021 en tot 20 juli 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst
bij beschikking van 15 oktober 2025 met ingang van 20 oktober 2025 en tot 20 oktober
2026.
Bij beschikking van 31 december 2025 heeft de kinderrechter bepaald dat de GI stapsgewijs de huidige omgangsregeling van twee uur per week tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden, zodat er per 1 juli 2026 sprake is van een weekendregeling waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken een weekend bij de moeder verblijft, een en ander zoals overwogen onder rechtsoverweging 5.4 en 5.5 van deze beschikking.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
3 Het verzoek
De GI verzoekt [naar de kinderrechter begrijpt] de door de kinderrechter op 31 december 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en de weekendregeling ingaande op 1 juli op te schorten en de regie bij de GI te laten wat betreft het tijdspad van de opbouw naar, en de beoordeling van de veiligheid voor een onbegeleide overnachting bij de moeder. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI en verzoekt de GI niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, althans het verzoek van de GI af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Bij voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzoekt de moeder indien en voorzover de rechtbank de omgangsregeling in de beschikking van 31 december 2025 zou wijzigen en/of de weekendregeling per 1 juli 2026 zou opschorten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de GI stapsgewijs de omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] moet uitbreiden, zodat er per 1 september 2026 sprake is van een onbegeleide weekendregeling waarbij [minderjarige] elke week, althans een keer in de twee weken een weekend bij de moeder verblijft, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
4 De standpunten
De GI geeft aan dat zij zeker voornemens zijn om toe te werken naar een zorgregeling, waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken een nacht bij de moeder slaapt. Op dit moment is de omgang drie uur onbegeleid en één uur begeleid. Er is een nieuw opbouwschema opgesteld. Het opbouwen gaat minder snel dan verwacht was. De omgang met de moeder en [minderjarige] gaat op zich goed, wel zijn er nog aandachtspunten. In augustus zal er sprake zijn van zes uur onbegeleide omgang. De GI vindt 1 september 2026 ook nog te snel. De GI denkt eerder aan kerst 2026 om dan de eerste overnachting te laten plaatsvinden.
Namens en door de moeder wordt aangegeven dat het begrijpelijk is dat er in eerste instantie wordt opgebouwd naar een overnachting. Kijkend naar de afgelopen periode zijn er geen redenen waarom de opbouw moest stagneren. De moeder wil niet dat de regie bij de GI wordt gelegd, ze wil een duidelijke datum. Volgens haar is tegen haar gezegd dat nu 1 juli 2026 niet haalbaar was 1 september 2026 het nieuwe uitgangspunt ging worden. Nu wordt er op zitting weer iets anders gezegd. De moeder heeft geen vertrouwen in een opbouw die in handen van de GI wordt gelegd.
5 De beoordeling
De kinderrechter kan de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Alhoewel het de vraag is of er sprake is van een wijziging van omstandigheden en dus of de GI ontvankelijk is in het verzoek, ziet de kinderrechter zich geconfronteerd met het feit dat de datum van 1 juli 2026 al niet gehaald is door de GI. De zitting heeft immers pas op 23 juli 2026 plaatsgevonden. De kinderrechter zal om die reden de GI ontvankelijk verklaren in het verzoek en de zaak verder inhoudelijk behandelen.
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, komt naar voren dat er nog wat aandachtspunten zijn. In het grote geheel bekeken verloopt de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed. De moeder is nog wat zoekende in wat zij met [minderjarige] gaat doen tijdens de omgang. En de pleegouders hebben aan de GI laten weten dat [minderjarige] weliswaar vermoeid maar ook blij thuis komt van de omgangsmomenten en positief vertelt over wat ze gedaan heeft. [minderjarige] vindt het volgens de pleegouders wel spannend om met de bus te gaan, hetgeen wel moet om in [woonplaats 1] te komen. De pleegouders zouden graag zien dat de omgang zorgvuldig wordt uitgebreid, omdat zij zien dat [minderjarige] soms nog boos kan zijn na de omgang, wat deels samenhangt met vermoeidheid. Ook zien zij dat het de moeder niet altijd lukt om [minderjarige] te begrenzen of veilig te houden in het verkeer.
De kinderrechter maakt uit de stukken en hetgeen ter zitting besproken is op dat er regelmatig evaluatiegesprekken zijn. Daaruit blijkt dat de moeder afgelopen periode stappen heeft gezet. De GI geeft aan dat deze ontwikkeling nog pril en kwetsbaar is en dat de moeder nog ondersteuning nodig heeft bij het aanbrengen van structuur en het consequent handelen richting [minderjarige]. Ook blijft volgens de GI begeleiding en concrete ondersteuning op het gebied van opvoedvaardigheden wenselijk. Zo laat de moeder de regie nog regelmatig bij [minderjarige], terwijl het belangrijk is dat de moeder de regie zelf meer gaat nemen. Het is de kinderrechter op basis van de stukken en hetgeen ter zitting besproken is, niet duidelijk geworden waarom de opbouw van de omgang niet mogelijk is geweest, zoals de bedoeling was ten tijde van de beschikking van 31 december 2025. Er is door de GI niet gesteld of met voldoende stukken onderbouwd waarom [minderjarige] een ander tempo van opbouw van de omgang niet aan zou kunnen.
De kinderrechter ziet verder niet wat de reden is waarom er pas in de kerstvakantie 2026 een overnachting bij de moeder plaats kan vinden. De kinderrechter zal daarom ook niet de regie van de opbouw bij de GI beleggen. Dit brengt voor de moeder en [minderjarige] te veel onzekerheid met zich mee.
De kinderrechter is van oordeel dat nu de GI 1 juli 2026 als datum niet gehaald heeft, het gelet op de vakantieperiode en het verder voorbereiden van [minderjarige] niet reëel is om de eerste overnachting op 1 september 2026 te laten plaatsvinden. De kinderrechter is van oordeel dat de GI het opbouwschema dusdanig moet aanpassen, dat overnachtingen vanaf 1 oktober 2026 haalbaar zijn. De kinderrechter zal daarom als volgt bepalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de beschikking 31 december 2025 en bepaalt dat de GI stapsgewijs de huidige omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden, zodat er per 1 oktober 2026 sprake is van een weekendregeling waarbij [minderjarige] één keer in de twee weken een weekend bij de moeder verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.