Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8076Zaaknummer C/02/450205 / JE RK 26-1238

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/450205 / JE RK 26-1238
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing na spoedmachtiging

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 23 juli 2026 tot 23 oktober 2026;

6.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/450205 / JE RK 26-1238

Datum uitspraak: 23 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, ter zitting waargenomen door mr. M. Smits

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. R. Joosen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;
  • de brief van mr. Joosen van 20 juli 2026 met producties 1 t/m 5,
  • de brief van mr. Smits van 22 juli 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar (waarnemend) advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juli 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 24 juli 2026.

2.3.

[minderjarige] verblijft sinds 13 juli 2026 in een gezinshuis in [plaats 1].

3 Het verzoek

3.1.

Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek van de GI om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De moeder verzoekt het verzoek van de GI af te wijzen en [minderjarige] uit huis te plaatsen bij haar.

4 De standpunten

4.1.

De GI verwijst naar hetgeen zij heeft geschreven in het verzoekschrift. Aanvullend merkt zij op dat [minderjarige] bij de vader woonde toen duidelijk werd dat de vader een cocaïneverslaving heeft. Er zijn in eerste instantie veiligheidsafspraken gemaakt maar het lukte de vader niet meer om open en eerlijk te zijn. [minderjarige] heeft toen tijdelijk bij opa en oma (vaderszijde) gewoond, maar zij gaven aan de zorg vanaf 13 juli 2026 niet meer te kunnen dragen. De bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] zijn lange tijd begeleid geweest maar het gaat nu beter met de moeder en daarom is er inmiddels onbegeleid contact. Er heeft nu drie keer onbegeleid contact plaatsgevonden. De moeder neemt [minderjarige] dan een paar uur mee (de laatste keer ongeveer 5 uur). Ondanks dat is op dit moment nog niet duidelijk of [minderjarige] bij de moeder kan wonen. Daarvoor is nog nader onderzoek nodig. [minderjarige] is sinds 13 juli 2026 geplaatst in een gezinshuis in [plaats 1]. Dit is niet vanwege de woonplaats van de moeder. [minderjarige] is hier geplaatst omdat er plek was. Het gaat goed met [minderjarige] in het gezinshuis. Er zijn belmomenten met de vader en de moeder. De moeder is ook al langs geweest en de vader gaat dit weekend naar [minderjarige]. Uiteindelijk moet gekeken worden of de ouders samen invulling kunnen geven aan het ouderschap. Het huidige onderzoek is er niet op gericht om [minderjarige] weg te halen bij de vader maar is vooral gericht op het onderzoeken van de mogelijkheden die er bij de moeder zijn. De weg naar terugkeer naar de vader is ook nog open.

4.2.

Door en namens de moeder is verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen en [minderjarige] bij de moeder uit huis te plaatsen. De moeder vertelt dat zij inderdaad een ongeluk heeft gehad maar dat zij dit zichzelf niet meer herinnert. Zij heeft diverse behandelingen gehad. Op dit moment heeft zij geen behandelingen meer, omdat zij die niet meer nodig heeft. De moeder geeft wel aan dat het belangrijk voor haar is dat zij rust heeft. Zij wordt tegenwoordig minder door de situatie gegrepen dan voorheen. De moeder hoopt dat [minderjarige] snel bij haar komt wonen. Zij woont nu in [plaats 2] waar het heerlijk rustig is en de mensen fijn zijn. Dit is een goede plek voor [minderjarige] om op te groeien. Sinds halverwege juni is de moeder haar eigen taxibedrijf gestart. De uren kan zij zelf indelen dus als [minderjarige] bij haar woont kan zij flexibel zijn met haar werkuren.

De moeder vraagt zich af hoelang het traject van de vader gaat duren. Zij vindt het niet in het belang van [minderjarige] als hij eerst bij haar zou worden geplaatst en daarna weer bij de vader. [minderjarige] zou dan bijvoorbeeld ook weer van school moeten wisselen. Dat geldt ook als [minderjarige] voorlopig nog in het gezinshuis zou moeten blijven. Hij gaat daar dan waarschijnlijk naar school en zal dan op enig moment moeten wisselen van school.

Het contact met de GI is niet goed. De jeugdbeschermer is weliswaar een lieve vrouw, maar de GI is erg negatief over de moeder en zij voelt zich niet gehoord door de GI. De moeder heeft geen vertrouwen in de GI. De advocaat van de moeder is van mening dat de moeder kan verzoeken dat [minderjarige] bij haar uithuisgeplaatst kan worden. Zij meent dit in Tekst & Commentaar te hebben gelezen.

4.3.

Door en namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er betere tijden zijn geweest. De vader is nu bezig met zijn herstel. Afgelopen dinsdag heeft hij een tweede intake gehad. Hij wil graag wat hoger op de wachtlijst komen te staan omdat het anders nog enkele maanden kan duren voordat hij aan de beurt is voor een behandeling. Hij hoopt dat dit kan worden verkort naar een aantal weken. De vader merkt dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft in het gezinshuis. De afstand vindt de vader wel heel ver. Zeker omdat hij geen auto heeft en dus afhankelijk is van het openbaar vervoer. De vader snapt dat er op dit moment een verzoek tot uithuisplaatsing is gedaan vanuit de GI. Hij is gemotiveerd om aan zichzelf te gaan werken en wil dan graag dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen. De vader vindt het daarbij belangrijk dat er ook een rol is voor de moeder in het leven van [minderjarige]. De woonplaats van de moeder is wel een belemmering. De advocaat van de vader verwijst naar de beschikking verlenging ondertoezichtstelling van 4 december 2025 waarin is opgenomen dat misschien wel een voorwaarde zou moeten zijn voor de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] dat de moeder dichter in de buurt van [woonplaats 2] komt wonen. De afstand is nu erg ver en het leven van [minderjarige] heeft zich tot op heden in en rondom [woonplaats 2] afgespeeld. De advocaat van de vader heeft verder opgemerkt dat de spoedmachtiging op goede gronden is afgegeven. De reguliere machtiging tot uithuisplaatsing kan worden toegewezen en het restant van het spoedverzoek moet dan worden afgewezen. Het onderzoek dat de GI op dit moment uitvoert lijkt wel heel erg gericht op een plaatsing van [minderjarige] bij de moeder, terwijl de vader wil dat [minderjarige] bij hem terugkeert. De vader is bang dat hij buiten beeld raakt.

5 De beoordeling

Spoedbeslissing machtiging uithuisplaatsing

5.1.

De kinderrechter verwijst naar de beschikking van 10 juli 2026. Hierbij is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend met ingang van 10 juli 2026 tot 24 juli 2026, zonder daaraan voorafgaand verhoor van de betrokkenen.

5.2.

Tijdens de zitting zijn de moeder, de vader en de GI in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen op het verzoek kenbaar te maken. De kinderrechter moet beoordelen of er tijdens de zitting nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 10 juli 2026 moet worden herroepen.

5.3.

De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is en dat daarom de spoedbeslissing in stand blijft.

Reguliere machtiging uithuisplaatsing

5.4.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand.[_7d39b847-ce3d-432d-9475-544ca97adf59]

5.5.

Sinds eind maart 2025 woonde [minderjarige] bij de vader. Gebleken is dat de vader een cocaïneverslaving heeft. In overleg met de GI is besloten om [minderjarige] tijdelijk bij zijn grootouders te laten verblijven, omdat de vader zijn verslaving onvoldoende onder controle kreeg. Opa en oma (vaderszijde) hebben aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige] maar tot 13 juli 2026 op zich konden nemen. Sinds 13 juli 2026 verblijft [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 1]. Uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting is blijkt dat het op dit moment niet mogelijk is [minderjarige] terug te laten keren naar de vader. De vader heeft twee intakes gehad in verband met een behandeling van zijn verslaving, maar de daadwerkelijke behandeling, die enkele maanden in beslag zal nemen, moet nog plaatsvinden. Plaatsing bij de moeder is op dit moment ook nog geen reële optie, omdat er onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de moeder, waarbij de grootste zorg ligt in de emotionele veiligheid, emotionele beschikbaarheid en emotieregulatie. Verder zal onderzocht moeten worden of de belastbaarheid van de moeder, die volgens het dossier enkele maanden geleden nog beperkt was, voldoende is toegenomen om de zorg voor en opvoeding van [minderjarige] volledig op zich te kunnen nemen. De kinderrechter is daarom met de GI van oordeel dat plaatsing in een gezinshuis op dit moment nog steeds het best passend is.

5.6.

Gedurende deze plaatsing zal de GI zo blijkt uit het verzoekschrift een onderzoek uitvoeren naar de vraag of [minderjarige] bij de moeder kan worden geplaatst. De kinderrechter heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat uit het verzoekschrift lijkt voort te vloeien dat de focus van de GI nu volledig is komen te liggen bij het onderzoek gericht op een mogelijke plaatsing bij de moeder. Het zou echter voor de hand liggend zijn om eerst, maar in ieder geval ook, te onderzoeken of terugkeer naar de vader nog een reële optie is. Het hoofdverblijf van [minderjarige] is immers vastgesteld bij de vader. De GI heeft toegelicht dat zij nog steeds ook de mogelijkheid tot terugkeer bij de vader openhoudt. Om onduidelijkheid voor alle betrokkenen te voorkomen geeft de kinderrechter de GI uitdrukkelijk de opdracht zich tijdens het onderzoek naar de beste verblijfplaats voor [minderjarige] niet alleen te richten op de mogelijkheden bij de moeder maar ook te onderzoeken of terugkeer naar de vader een reële optie is.

5.7.

Het verzoek van de moeder om [minderjarige] bij haar uit huis te plaatsen wordt afgewezen. Omdat voor dit verzoek geen wettelijke grondslag bestaat, wordt dit ook niet verder inhoudelijk beoordeeld. Uit artikel 1:265b BW blijkt dat het verzoek het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing kan worden verzocht door de GI, de raad voor de kinderbescherming en de officier van justitie. Dit verzoek kan niet worden gedaan door een (gezaghebbende) ouder.

5.8.

Gezien het bovenstaande wordt het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van drie maanden toegewezen. De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.9.

Omdat het verzoek in verband met de reguliere machtiging uithuisplaatsing is toegewezen, wijst de kinderrechter het verzoek van de GI voor het resterende deel van de spoedmachtiging om [minderjarige] te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening af.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 23 juli 2026 tot 23 oktober 2026;

6.2.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.