Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8075Zaaknummer C/02/450505 KG ZA 26-394
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 juli 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450505 KG ZA 26-394
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort geding, Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Spoed kort geding. Vervangende toestemming vakantie afgewezen. Reis naar Kroatie niet in belang van minderjarige.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van de man af;
wijst de vordering van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten af;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. Van Triest, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/450505 KG ZA 26-394
23 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D.N. van Wensen te Oosterhout.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 3 producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met 5 producties.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 23 juli 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. M. Erkens, waarnemend voor mr. R.D. de Gruijl en de vrouw, bijgestaan door mr. Van Wensen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het volgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Tussen partijen is bij de rechtbank een bodemprocedure aanhangig (bekend onder zaaknummer C/02/447058 / FA RK 26-1870) tot wijziging van het gezag en vaststelling van een omgangs- c.q. contactregeling tussen de man en [minderjarige].
Er vindt omgang plaats tussen de man en [minderjarige] eens in de twee weken van vrijdag tot zondag, waarbij de man [minderjarige] ophaalt en weer thuisbrengt.
3 Het geschil in conventie en reconventie
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, onvoorwaardelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. een voorlopige verdeling van de zomervakantie te bepalen, waarbij [minderjarige]:
i. primair: in de periode van 24 juli 2026 tot en met 10 augustus 2026 bij de man verblijft, waarbij [minderjarige] op 24 juli door de vrouw om 18.30 naar de man wordt gebracht, dan wel
ii. subsidiair: na de vakantie van de man naar Kroatië (dus vanaf 10 augustus 2026) twee weken aansluitend bij de man verblijft;
2. hem toestemming te verlenen, welke toestemming die van de moeder vervangt, voor een vakantie met [minderjarige] naar Kroatië van 24 juli 2026 tot en met 10 augustus 2026;
3. de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen zijn onderling overeengekomen dat [minderjarige] om de twee weken van vrijdag 16.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijft. Er zijn geen afspraken gemaakt over de vakanties. De man heeft getracht om met de vrouw tot een verdeling van de zomervakantie 2026 te komen, maar dat is niet gelukt. De man wil met [minderjarige] op vakantie naar Kroatië van 25 juli tot en met 10 augustus 2026. Hij zal daar verblijven op een camping in [plaats]. De man reist daarheen in de auto, met zijn partner, haar dochtertje van 5 jaar en een dochtertje van 5 maanden. Zij zullen zowel de heen- als de terugreis in meerder etappes afleggen. De man heeft de vrouw meerdere malen om toestemming verzocht, maar dit is tot op heden niet verleend, zonder reden. Er is geen sprake van contra-indicaties. De omgang verloopt goed en [minderjarige] voelt zich thuis bij de man en zijn gezin. Zij is dol op haar zusjes. De man erkent dat de overdrachtsmomenten soms moeilijk zijn voor [minderjarige], maar dit is naar beide kanten zo. Evenals de vrouw is de man een veilige hechtingsfiguur voor [minderjarige]. De man is bereid om alle informatie over de vakantie met de vrouw te delen.
Subsidiair heeft de man voorgesteld dat [minderjarige] vanaf zijn terugkeer uit Kroatië twee weken bij hem kan verblijven, om te voorkomen dat de man en [minderjarige] geen extra omgangsdagen hebben. De man is bereid [minderjarige] eens per week te laten videobellen met de vrouw. De man acht het in het belang van [minderjarige] dat zij tijdens haar vakanties tijd kan doorbrengen met haar vader, zijn gezin en zijn familie. Omdat de man door de handelwijze van de vrouw genoodzaakt was een procedure te starten, dient de vrouw te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot ontzegging van de vorderingen van de man. In reconventie vordert de vrouw de man te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.
Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het volgende aan. Allereerst meent de vrouw dat de man zelf een spoedeisend belang creëert door dusdanig laat een procedure te starten voor de verdeling van de vakanties en vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige] naar het buitenland. De man wil vrijdag 24 juli reeds vertrekken. Gezien de korte tijd om [minderjarige] hierop voor te bereiden, acht de vrouw dit niet in het belang van [minderjarige].
In april 2026 was de zomervakantie al een onderwerp van gesprek tussen (de advocaten van) partijen. De vrouw heeft steeds duidelijk aangegeven waarom zij niet kan instemmen met de wensen van de man. In de meivakantie heeft [minderjarige] voor het eerst langer dan twee nachten bij de man overnacht, namelijk vijf nachten. [minderjarige] is een gevoelig meisje. De vrouw acht het in haar belang om de periode dat zij bij de man verblijft rustig op te bouwen. Zij meent dat rekening gehouden moet worden met de leeftijd van [minderjarige]. De vrouw heeft voorgesteld om de zomervakantie week-op-week-af tussen partijen te verdelen. De man kon hier niet mee instemmen. Om aan de man tegemoet te komen, heeft de vrouw de regeling verruimd tot 10 dagen achter elkaar. Ook hier kon de man niet mee instemmen. De vrouw kan niet instemmen met de vakantie naar Kroatië omdat [minderjarige] nog nooit zo lang niet bij haar moeder is geweest. Ook vindt de vrouw de reis, die begint op ‘zwarte’ zaterdag te belastend voor [minderjarige]. De vrouw gunt [minderjarige] en de man wel degelijk meer tijd met elkaar in de vakantieperiode. Wanneer de man een vakantie van hooguit 10 dagen had geboekt in Nederland of net over de grens, zou dit voor de vrouw geen probleem zijn geweest. De door de man, zonder overleg met de vrouw, geplande vakantie is niet in het belang van [minderjarige]. De vrouw verzoekt daarom de primaire vordering van de man af te wijzen.
Dit geldt ook voor de subsidiaire vordering. De man is in deze periode volledig aan het werk. [minderjarige] zal dan overdag worden opgevangen door de nieuwe partner van de man dan wel de ouders van de man. De vrouw kan hier niet mee instemmen. Zij is zelf in deze periode enkele dagen vrij en kan [minderjarige] dan opvangen. Wanneer de man in deze periode alsnog enkele dagen vrij is en [minderjarige] meer wil zien aansluitend op de huidige regeling, dan kan de vrouw daar mee instemmen, mits dit niet langer dan tien dagen aaneengesloten is.
De vrouw acht het noodzakelijk dat de man wordt veroordeeld in de kosten van de procedure omdat de door hem gewenste verdeling van de zomervakantie en de reis naar Kroatië niet in het belang van [minderjarige] is. Hij had dit moeten meenemen in zijn keuze voor zijn vakantiebestemming. Ten onrechte wenst hij nu vervangende toestemming.
4 De beoordeling in conventie en in reconventie
Spoedeisendheid
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast, nu hij op zaterdagochtend 25 juli 2026 met [minderjarige] af wil reizen naar Kroatië.
Inhoudelijke beoordeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Vooropgesteld wordt dat de man de toestemming van de vrouw nodig heeft om met [minderjarige] naar het buitenland te reizen en daar te verblijven, omdat de vrouw het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft. De voorzieningenrechter overweegt dat het over het algemeen in het belang van een kind is, om met (een van) zijn ouders op vakantie te kunnen gaan. Een vakantie met haar vader en zijn gezin zou in beginsel erg leuk zijn voor [minderjarige]. Echter, in dit geval stelt de voorzieningenrechter vast dat [minderjarige] nooit langer dan zes dagen bij haar moeder weg is geweest. Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat vakanties bij de man (en het gezin) opgebouwd zouden moeten worden. De vakantie naar Kroatië, waarbij de bestemming in verschillende etappes zal worden bereikt, neemt een periode van achttien dagen in beslag. Deze verre bestemming maakt een tussenoplossing, waarbij bijvoorbeeld de vrouw [minderjarige] eerder zou kunnen ophalen, eigenlijk niet mogelijk. Wanneer [minderjarige] te veel heimwee zou hebben of haar moeder te veel zou missen is er geen mogelijkheid om haar daarin tegemoet te komen. Voor [minderjarige] is een verblijf binnen een drukke setting van een gezin met twee zusjes, waaronder een baby van vijf maanden, wezenlijk anders dan een verblijf alleen bij haar moeder. Wanneer dit alles te veel zou blijken voor [minderjarige], is er als zij in Kroatië verblijft geen mogelijkheid om hiervoor een oplossing te vinden. Daarbij komt dat de man geen gezag heeft over [minderjarige]. Dit maakt dat wanneer [minderjarige] onverhoopt ziek zou worden of een medische behandeling nodig zou hebben, de man niet bevoegd is om beslissingen over haar te nemen. Ten slotte neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat [minderjarige], gelet op de korte termijn waarop deze vakantie is gepland, in het geheel niet is voorbereid op deze vakantie.
Bovenstaande maakt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat een vakantie van achttien dagen met de man en zijn gezin naar Kroatië nu niet in het belang van [minderjarige] is. Zij zal de vordering onder 1., primair en de vordering onder 2 dan ook afwijzen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat door het handelen van de man, die op 17 juni 2026 aan de vrouw heeft medegedeeld dat hij een vakantie naar Kroatië had geboekt, elke tussenoplossing onmogelijk is gemaakt. De man had, gelet op de fase waarin partijen zitten en een bodemprocedure aanhangig is waarbij ook de vakantieregeling onderwerp van het geschil is, een andere keuze moeten maken qua bestemming en duur van de vakantie. Dan hadden partijen elkaar wellicht tegemoet kunnen komen.
De voorzieningenrechter wijst de vordering onder 1, subsidiair eveneens af. Ook een verblijf van twee weken onafgebroken bij de man, terwijl de man aan het werk is, acht de voorzieningenrechter niet in het belang van [minderjarige]. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat, wanneer de man nog ruimte heeft voor vrije dagen, er aansluitend op de omgangsweekenden een langere omgang mogelijk moet zijn. Tijdens de meivakantie heeft [minderjarige] vijf nachten bij de man verbleven. Dit zal geleidelijk moeten worden uitgebreid totdat [minderjarige] uiteindelijk de helft van de vakanties bij elke ouder doorbrengt. Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw openstaat voor langere weekenden en een opbouw. Het is in het belang van [minderjarige] dat partijen hierover in goed onderling overleg afspraken te maken.
Proceskosten
Beide partijen hebben verzocht om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd echter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in zaken met een familierechtelijk karakter worden gecompenseerd. Zij wijst de vorderingen van beide partijen op dit punt af.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van de man af;
wijst de vordering van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten af;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is mondeling gewezen door mr. Van Triest, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.