Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7979Zaaknummer C/02/443988 / FA RK 26/225

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
15 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/443988 / FA RK 26/225
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf, contactregeling, kinderalimentatie, man is ondernemer, winst fors gedaald sinds einde relatie

De rechtbank

5.1

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;

5.2

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats], zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;

5.3

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens een co-ouderschapsregeling, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week bij de ene dan wel de andere ouder verblijven, het wisselmoment op vrijdag zal zijn en dat de man voor het halen en brengen van de spullen van de kinderen op vrijdag tussen 20:00 en 21:00 uur zal zorgdragen;

5.4

bepaalt dat de zorg- en opvoedingstaken betreffende voornoemde minderjarigen tijdens de vakanties en feestdagen als volgt tussen partijen worden verdeeld:

  • zomervakantie: in de oneven jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man;
  • herfstvakantie, voorjaarsvakantie, meivakantie, Pasen en Pinksteren: tijdens deze vakanties zal de reguliere zorgregeling gevolgd worden;
  • kerstvakantie: tijdens deze vakantie zal de reguliere zorgregeling gevolgd worden, met uitzondering van eerste en tweede kerstdag en oud en nieuw. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen bij partijen verblijven als volgt:

- 2026 en 2027: eerste kerstdag bij de vrouw, tweede kerstdag bij de man;

- 2028 en 2029: eerste kerstdag bij de man, tweede kerstdag bij de vrouw;

- wisseling op tweede kerstdag middag uur;

- oud en nieuw: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen bij partijen verblijven als volgt:

- 2026 en 2027: oudejaarsdag bij de man, nieuwjaarsdag bij de vrouw;

- 2028 en 2029: oudejaarsdag bij de vrouw, nieuwjaarsdag bij de man;

5.5

bepaalt dat de man met ingang van 12 januari 2026 aan de vrouw moet voldoen een bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] van € 161,= per maand;

5.6

bepaalt dat de vrouw met ingang van 12 januari 2026 aan de man moet voldoen een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] van € 99,= per maand;

5.7

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.9

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 De verzoeken
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/443988 / FA RK 26/225

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.T. Bol,

en

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.A. van Essen.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 12 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de man;

- het op 10 juni 2026 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw;

- de op 12 juni 2026 ontvangen brief met bijlagen van mr. Bol;

- de op 18 juni 2026 ontvangen brief met bijlagen van mr. Van Essen;

- de op 19 juni 2026 van mr. Bol ontvangen stukken.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 23 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat.

1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben de rechtbank schriftelijk laten weten niet op gesprek te komen en daarbij hun mening kenbaar gemaakt.

2 De feiten

2.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;

- tijdens hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats];

2. [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats];

- genoemde kinderen zijn door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

- [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de man en [minderjarige 2] staat ingeschreven op het adres van de vrouw;

- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen.

3 De verzoeken

3.1

De man verzoekt, samengevat:

I. primair:

te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zal zijn, bij wie zij zullen zijn ingeschreven en aan wie de kinderbijslag toekomt;

subsidiair:

te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de man en [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw en dat aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft de toeslagen voor het desbetreffende kind toekomt;

II. Primair:

Voor [minderjarige 1] een week-op-week-af-regeling te bepalen:

- Oneven weken: van maandagochtend tot vrijdagmiddag bij vader en van vrijdagmiddag tot zondagavond bij moeder;

- Even weken: van maandagochtend tot vrijdagmiddag bij moeder en van vrijdagavond tot zondagavond bij vader;

Voor [minderjarige 2] te bepalen dat hij eens per twee weken – in de oneven weken – een weekend bij de vrouw is van vrijdag uit school tot zondagmiddag;

Het wisselmoment is op vrijdag na school, waarbij de kinderen zelf van de ene naar de andere ouder fietsen. Als er geen school is op de vrijdag is het wisselmoment op vrijdag in de loop van de dag. Op de zondagmiddag waarop [minderjarige 2] van moeder naar vader gaat fietst hij zelf naar vader;

Ouders zorgen voor overdracht van tassen van de ene naar de andere ouder, waarbij de ouder bij wie de kinderen het laatst verbleven de tassen naar de andere ouder brengt.

Subsidiair:

Een contactregeling te bepalen als volgt:

- Oneven weken: van maandagochtend tot vrijdagmiddag zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man en van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vrouw;

- Even weken: van maandagochtend tot vrijdagmiddag bij de vrouw en van vrijdagavond tot zondagavond bij de man;

Het wisselmoment is op vrijdag na school waarbij de kinderen zelf van de ene ouder naar de andere ouder fietsen. Als er geen school is op vrijdag, dan is het wisselmoment op vrijdag in de loop van de middag.

III. verdeling van de vakanties en feestdagen;

IV. Primair:

Te bepalen dat met ingang van indiening van dit verzoekschrift moeder aan

vader een bijdrage dient te voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van partijen van een bedrag van € 256,= per maand voor de kinderen tezamen, ofwel € 103,= per maand voor [minderjarige 1] en € 154,= per maand voor [minderjarige 2], voor het eerst te indexeren per 2027;

Subsidiair:

Indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij moeder blijft, te bepalen dat met ingang van indiening van dit verzoekschrift moeder aan vader een bijdrage dient te voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van partijen van een bedrag van € 375,= per maand voor de kinderen tezamen, ofwel € 144,= per maand voor [minderjarige 1] en € 231,= per maand voor [minderjarige 2], voor het eerst te indexeren per 2027;

3.2

De vrouw verzoekt, bij zelfstandig verzoek, samengevat:

I. bepaling dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

II. vaststelling van een zorgregeling;

III. verdeling van de vakanties en feestdagen;

IV. primair:

a. te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van € 310,= per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen met ingang van 1 juni 2025, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2026;

b. voorwaardelijk verzoek: indien bepaald wordt dat de kinderen hoofdverblijf bij de vrouw hebben, per die datum te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 467,= per maand in de kosten van de kinderen bij vooruitbetaling dient te voldoen;

subsidiair:

vaststelling van een bijdrage, door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

4 De beoordeling

Hoofdverblijf

4.1.

De man verzoekt primair om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen. De man geeft aan dat [minderjarige 2] momenteel doordeweeks bij hem verblijft en eens in de twee weken een weekend naar de vrouw gaat. Het is daarom financieel passender om beide kinderen bij hem in te schrijven zodat partijen optimaal gebruik kunnen maken van het kindgebonden budget. Ook [minderjarige 2] zelf wil de huidige situatie voortzetten. Daarnaast schept het de meeste duidelijkheid wanneer beide kinderen bij de man staan ingeschreven. [minderjarige 1] staat al ingeschreven op het adres van de man. Als de rechtbank niet mee zal gaan in zijn primaire verzoek, dan verzoekt de man subsidiair het hoofdverblijf van de kinderen te bepalen zoals zij nu staan ingeschreven. Dit betekent dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de man zal hebben en [minderjarige 2] bij de vrouw.

4.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek gedaan. Zij verzoekt te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben. Volgens de vrouw is de man niet in staat gebleken aan de verplichtingen te kunnen voldoen die een inschrijving van de kinderen bij hem met zich mee brengen. De vrouw geeft aan door de man gedwarsboomd te worden doordat hij de zaken naar zijn hand zet en hij eenzijdig beslissingen neemt zonder met haar te overleggen of haar hierover te informeren. De informatie met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt door de man niet aan haar doorgestuurd en hier zit bij de vrouw dan ook haar grootste zorg. In tegenstelling tot de man stelt de vrouw dat zij de man wel altijd heeft geïnformeerd over de kinderen. Volgens de vrouw is de onderlinge communicatie tussen partijen niet goed en lukt het niet om deze te verbeteren.

4.3.

Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de communicatie tussen partijen al geruime tijd niet goed verloopt. Het is in het belang van de kinderen dat partijen aan hun onderlinge communicatie gaan werken om samen beslissingen te kunnen nemen die in het belang zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij hiervoor opnieuw hulp gaan krijgen van De Gezinsmanager. De rechtbank verwacht dat hierdoor, in samenhang met het verkrijgen van meer duidelijkheid door deze beschikking, ruimte ontstaat voor een goede uitvoering van een co-ouderschap. Daarom zal de rechtbank dit vastleggen en bepalen dat bij iedere ouder één kind zijn hoofdverblijf heeft. Dit betekent dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de man en [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw. De rechtbank merkt hierbij op dat partijen elkaar uitgebreid zullen moeten (blijven) informeren over de kinderen.

Zorgregeling

Reguliere zorgregeling

4.4.

De man heeft een primair en subsidiair verzoek gedaan omtrent de bepaling van een zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Volgens de man zijn partijen het eens dat in principe voor beide kinderen een week-op-week-af regeling zou moeten gelden. Voor [minderjarige 2] wordt op dit moment van dit uitgangspunt afgeweken om schoolverzuim te voorkomen. [minderjarige 2] is nu doordeweeks bij de man en eens in de twee weken een weekend van vrijdag uit school tot zondagmiddag bij de vrouw. Deze afspraak is in overleg met de hulpverlening, school en met [minderjarige 2] gemaakt. Om de keuze niet bij [minderjarige 2] neer te leggen, is het volgens de man goed om deze regeling momenteel onveranderd te laten. In het geval dat [minderjarige 2] terug wil naar de week-op-week-af-regeling, dan is dat volgens de man voor hem geen probleem.

4.5.

De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft een zelfstandig verzoek gedaan. Zij verzoekt te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar zullen zijn van woensdagmiddag na school in de even weken tot woensdagochtend voor school in de oneven weken. De kinderen zullen dan van woensdagmiddag na school in de oneven weken tot woensdagochtend voor schooltijd in de even weken bij de man verblijven. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat [minderjarige 2] inderdaad nu doordeweeks bij de man verblijft om schoolverzuim te voorkomen. Partijen hebben volgens de vrouw met De Gezinsmanager besproken om de week-op-week-af-regeling na de zomervakantie van 2026 weer op te pakken. De vrouw wil graag uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling, maar volgens haar heeft de man de huidige afwijkende regeling ten aanzien van [minderjarige 2] bij haar erdoor gedrukt. De vrouw heeft aangegeven dat een co-ouderschapsregeling van belang is omdat zij niet goed door de man wordt geïnformeerd over de kinderen en het huidige contact dat zij met [minderjarige 2] heeft te weinig vindt.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor [minderjarige 1] geldt een week-op-week-af-regeling, inhoudende dat hij om de week bij de andere ouder verblijft. Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn om deze regeling voor [minderjarige 1] zo te laten. Daarnaast heeft [minderjarige 1] de rechtbank schriftelijk laten weten de huidige week-op-week-af-regeling fijn te vinden. Gelet op de overeenstemming tussen partijen en het belang van [minderjarige 1] zal de rechtbank voor [minderjarige 1] een zorgregeling vaststellen, waarbij hij conform de huidige week-op-week-af-regeling bij een van zijn ouders zal zijn.

4.7.

Tijdens de zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat ook voor [minderjarige 2] in principe een co-ouderschapsregeling, inhoudende een week-op-week-af-regeling zou moeten gelden. Echter, op dit moment wordt aan een dergelijke regeling geen uitvoering gegeven. De rechtbank leidt uit de ingediende stukken af dat het de bedoeling van partijen was om voor [minderjarige 2] een tijdelijke regeling te laten gelden die zou duren tot aan de zomervakantie van 2026. Daarna zou de co-ouderschapsregeling weer worden hervat. De rechtbank is van oordeel dat een week op-week af regeling in beginsel ook voor [minderjarige 2] het uitgangspunt moet zijn en dat deze regeling ook in zijn belang is. De rechtbank zal deze regeling dan ook vaststellen. Indien partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over opnieuw een tijdelijke afwijking van deze regeling, zullen zij daarbij het belang van [minderjarige 2] voorop moeten stellen en hem niet met het maken van deze keuze moeten belasten. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen daarbij de adviezen van de betrokken hulpverlening en school in aanmerking zullen nemen.

Wisseldag

4.8.

Tijdens de zitting is verder met partijen gesproken over het wisselmoment waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de ene ouder naar de andere ouder zullen gaan. Het wisselmoment is momenteel op vrijdag. De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat het wisselmoment voortaan op woensdag is omdat zij dan thuis is en afspraken over de kinderen sneller gepland kunnen worden. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat de vrijdag voor haar niet uitkomt omdat zij dan vaak niet thuis is en regelmatig andere afspraken heeft. Daarnaast heeft de vrouw aangegeven het gevoel te hebben dat het wisselmoment op de vrijdag haar door de man is opgelegd.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Momenteel wordt er door partijen al geruime tijd uitvoering gegeven aan een wisselmoment op de vrijdag. [minderjarige 1] heeft de rechtbank schriftelijk laten weten de vrijdag als wisseldag fijn te vinden. De rechtbank heeft enerzijds begrip voor de praktische bezwaren van de vrouw, maar is anderzijds van oordeel dat een wijziging van de wisseldag een te grote verandering is voor de kinderen. De rechtbank zal daarom bepalen dat het wisselmoment waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de ene ouder naar de andere gaan op de vrijdag zal zijn. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat partijen met ondersteuning van de hulpverlening met elkaar gaan afstemmen hoe deze wisseling op vrijdag voor het hele gezin het beste vormgegeven moet worden.

Halen en brengen spullen

4.10.

Verder is met partijen gesproken over het halen en brengen van de spullen van de kinderen. De man heeft aangegeven dat hij hier als enige voor zorgt en de spullen van de kinderen tussen 18:00 uur en 19:00 uur bij de vrouw brengt en ophaalt. Volgens de man moet ook de vrouw hier een bijdrage aan leveren en moet worden bepaald dat de ouder bij wie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het laatst hebben verbleven de tassen op vrijdag naar de andere ouder brengt. De vrouw heeft aangegeven dat zij vanwege haar werk niet in staat is om de spullen van de kinderen op vrijdag tijdens het wisselmoment te halen of brengen. Volgens de vrouw zou dit anders zijn als het wisselmoment voortaan op de woensdag zal zijn. Verder voert de vrouw aan dat de man de spullen van de kinderen niet altijd tussen 18:00 en 19:00 uur brengt en ophaalt, maar steeds op wisselende tijdstippen, wat voor haar problemen geeft. Zij is ook niet steeds al om 18:00 uur thuis van haar werk.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt. Het halen en brengen van de spullen op vrijdag wordt al geruime tijd alleen door de man gedaan. Gelet op de werksituatie van de vrouw op vrijdag, acht de rechtbank het redelijk dat de man voor het halen en brengen van de spullen van de kinderen zal blijven zorgdragen en dat dit voortaan zal plaatsvinden tussen 20:00 en 21:00 uur.

Vakantieregeling

4.12.

Beide partijen hebben verzoeken gedaan over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Over de volgende vakanties en feestdagen bestaat tussen partijen geen discussie:

  • zomervakantie: verdelen bij helfte. In de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man;
  • herfstvakantie, voorjaarsvakantie, meivakantie, Pinksteren en Pasen: reguliere zorgregeling volgen.
4.13.

Partijen zijn verdeeld gebleven over de kerstvakantie en oud en nieuw. De man verzoekt als volgt:

- kerstvakantie: reguliere zorgregeling volgen, behoudens tijdens Kerst:

- 2026 en 2027: eerste kerstdag bij de vrouw, tweede kerstdag bij de man;

- 2028 en 2029: eerste kerstdag bij de man, tweede kerstdag bij de vrouw;

- wisseling op tweede kerstdag middag uur;

- oud en nieuw: kinderen mogen kiezen waar ze dit willen vieren;

Volgens de man zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels op een leeftijd dat zij zelf mede kunnen bepalen waar zij tijdens oud en nieuw willen zijn en partijen moeten hier daarom flexibel in zijn.

4.14.

De vrouw verzoekt de kerstdagen en oud en nieuw jaarlijks gespiegeld te verdelen. Dit betekent dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even jaren de eerste kerstdag en oudejaarsavond bij de vrouw zullen zijn. Tweede kerstdag en nieuwjaarsdag zullen zij bij de man zijn. In de oneven jaren zullen de kinderen op eerste kerstdag en oudejaarsdag bij de man verblijven. Op tweede kerstdag en nieuwjaarsdag zijn zij bij de vrouw.

4.15.

Ten aanzien van de kerstvakantie acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij tijdens de kerstdagen bij zowel de man als de vrouw verblijven. De rechtbank zal, rekening houdend met de zorgregeling, daarom aansluiten bij de verdeling van de kerstvakantie zoals door de man is verzocht. Ten aanzien van oud en nieuw acht de rechtbank het van belang dat oudejaarsdag en nieuwjaarsdag verdeeld worden tussen partijen. De rechtbank zal bepalen dat in het geval [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op eerste kerstdag bij de vrouw verblijven, zij op oudejaarsdag bij de man verblijven en andersom.

Kinderalimentatie

4.16.

De man verzoekt primair te bepalen dat met ingang van indiening van dit verzoekschrift de vrouw aan hem een bijdrage moet betalen in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van een bedrag van € 256,= per maand voor de kinderen samen, ofwel € 103,= per maand voor [minderjarige 1] en € 154,= per maand voor [minderjarige 2], voor het eerst te indexeren per 2027.

Subsidiair verzoekt de man te bepalen, indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw blijft, dat met ingang van indiening van dit verzoekschrift de vrouw aan hem een bijdrage moet betalen voor de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen van € 375,= per maand voor de kinderen samen, ofwel € 144,= per maand voor [minderjarige 1] en € 231,= per maand voor [minderjarige 2], voor het eerst te indexeren per 2027.

4.17.

De vrouw voert verweer en verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van € 310,= per maand bij vooruitbetaling moet betalen met ingang van 1 juni 2025, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2026. Daarnaast heeft de vrouw voorwaardelijk verzocht voor de situatie dat bepaald wordt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben, per die datum te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 467,= per maand in de kosten van de kinderen moet betalen.

4.18.

Bij het bepalen van de behoefte aan kinderalimentatie en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Ingangsdatum

4.19.

De man heeft verzocht om de ingangsdatum op de datum van indiening van zijn verzoekschrift te bepalen. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat er sprake was van een voorlopige afspraak tussen partijen en dat een berekening met terugwerkende kracht niet aan de orde is.

4.20.

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht om de ingangsdatum te bepalen op 1 juni 2025. Volgens de vrouw hebben partijen al eerder samen gesproken over een verplichting omtrent het betalen van een bijdrage ten aanzien van de kinderen door de man. De man is vanaf 1 juni 2025 begonnen met het betalen van een voorlopige bijdrage voor de kinderen aan de vrouw en was vanaf dat moment op de hoogte dat hij een bijdrage verschuldigd was.

4.21.

De rechtbank zal de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. Partijen hebben de rechtbank niet in een eerder stadium om een bijdrage voor de kinderen verzocht. Als ingangsdatum moet daarom worden uitgegaan van de datum van indiening van het verzoekschrift van de man, namelijk 12 januari 2026.

Behoefte van de kinderen

4.22.

Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto gezinsinkomen van partijen. Om dit netto gezinsinkomen te berekenen sluit de rechtbank in beginsel aan bij de inkomens van partijen in het laatste jaar dat zij nog samen waren.

4.23.

Gebleken is dat partijen het eens zijn om voor de berekening van de behoefte uit te gaan van het peiljaar 2023. De rechtbank zal dan ook aansluiten bij de inkomens van partijen en tarieven in dat jaar.

4.24.

Partijen hebben berekeningen ingediend waarin zij allebei zijn uitgegaan van een gemaximeerd netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- per maand in 2023. De rechtbank zal daarbij aansluiten.

4.25.

Op basis van de tabellen die ontwikkeld zijn om de behoefte van de kinderen vast te stellen en een gemaximeerd netto gezinsinkomen van € 6.000,= per maand bedraagt de behoefte van de kinderen in 2023 € 1.460,= per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt deze behoefte in 2026 afgerond € 1.727,= per maand.

4.26.

Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidige netto inkomen. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.

Draagkracht van de vrouw

4.27.

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw wordt uitgegaan van de door haar als productie 14 ingediende salarisspecificaties over de maanden maart, april en mei 2026. Hieruit volgt een cumulatief bruto jaarinkomen van € 46.055,=. De rechtbank zal hierbij aansluiten en houdt hierbij rekening met de volgende looncomponenten:

  • Bruto maandsalaris: € 3.330,= per maand;
  • Vakantiegeld: € 266,= per maand;
  • Eindejaarsuitkering: € 133,= per maand;
  • Loonheffing: € 435,= per maand;
  • Pensioen premie: € 206,= per maand;
  • Bijdrage PAWW: € 3,= per maand;

Verder houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting). Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 5.770,= op jaarbasis. Uit de bijgevoegde berekening volgt een netto inkomen van € 3.399,= per maand en een draagkracht van € 710,= per maand.

Draagkracht van de man

4.28.

De man stelt dat voor de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van een winst uit onderneming die ongeveer gelijk is aan die van 2025. De man heeft zijn winst- en verliesrekening over 2025 als productie 5 ingediend waaruit blijkt dat zijn winst over 2025 € 34.519,44,= bedraagt. De man heeft aangegeven dat zijn winst uit onderneming in de jaren dat partijen nog samen waren hoger was dan nu het geval is doordat het voor hem toen makkelijker was om opdrachten aan te nemen. Tijdens de zitting heeft de man aangegeven dat zijn werkaanbod nu sterk is afgenomen en hij minder tijd voor zijn werk heeft vanwege de hulpverlening die hij heeft gehad en omdat de zorg voor zijn kinderen is toegenomen. Daarnaast heeft de man, door het overlijden van zijn vader in 2024, ook de zorg over zijn moeder gekregen. Volgens de man kan daarom in redelijkheid geen rekening worden gehouden met een hogere (fictieve) winst uit onderneming.

4.29.

De vrouw voert aan dat de man in 2020 een winst uit onderneming haalde van € 74.721,= en daarnaast € 61.371,= uit de onderneming onttrok. In 2021 haalde hij een winst uit onderneming van € 73.739,- en onttrok hij € 90.235,=. In 2022 was zijn winst uit onderneming € 78.060,= en onttrok hij € 90.000,=. Vanaf het jaar 2023, toen de relatie tussen partijen is beëindigd, is zijn winst uit onderneming gedaald naar ongeveer een bedrag van € 35.000,=. Zij geeft aan dat de man nu een aanzienlijke werkvoorraad heeft en zijn eigen vermogen in 2024 met € 10.000,= is toegenomen. Er is voldoende werk in zijn branche als klusbedrijf. Volgens de vrouw heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij niet in staat is een inkomen te genereren dat gelijk is aan zijn inkomen tijdens de relatie van partijen, namelijk een bruto jaarinkomen van € 82.077,=, zodat bij dit inkomen moet worden aangesloten.

4.30.

De rechtbank overweegt als volgt. De man werkt als zelfstandig ondernemer, zodat moet worden uitgegaan van de te verwachten beschikbare winst uit onderneming. Partijen zijn het erover eens dat de winst uit de onderneming van de man tijdens de relatie van partijen hoger was dan zijn winst uit onderneming vanaf 2023, zoals uit de door hem overgelegde stukken blijkt. De bruto winst uit onderneming bedroeg in 2023 € 36.573,=, in 2024 € 33.481,= en in 2025 € 34.969,=. Hieruit volgt een gemiddelde bruto winst uit onderneming van afgerond € 35.000,=. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man heeft moeten inleveren op zijn winst uit onderneming door onder andere een toegenomen zorg voor zijn kinderen en zijn moeder. De daling van de winst uit onderneming na het verbreken van de relatie van partijen is echter wel zodanig groot dat van de man, gelet op zijn onderhoudsverplichting ten opzichte van de kinderen, verwacht mag worden dat hij zich inspant om een hoger inkomen te verwerven. De rechtbank zal daarom bij het berekenen van zijn draagkracht in redelijkheid uitgaan van een winst uit onderneming van € 45.000,=.

4.31.

De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling en de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen). Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Daarnaast komt de man met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget van € 6.074,= op jaarbasis. Uit de bijgevoegde berekening volgt een netto inkomen van € 3.650,= per maand en een draagkracht van € 833,= per maand.

Zorgkorting

4.32.

De ouder die kinderalimentatie moet betalen ontvangt een korting op de door hem of haar te betalen bijdrage. Deze ouder neemt immers al een deel van de kosten van een kind voor zijn of haar rekening op het moment dat het kind bij hem of haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. De rechtbank zal gelet op de omvang van de zorgregeling zoals omschreven onder 4.8 en 4.9 van deze beschikking, uitgaan van een zorgkorting van 35%, te weten afgerond € 302,= per maand per kind.

4.33.

Omdat de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 833,= [bedrag volledige draagkracht man] – (€ 302,= [bedrag zorgkorting] - € 93,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 161,= per maand ten aanzien van [minderjarige 2].

Voor de vrouw betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op haar zorgkorting, zodat de door haar te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 710,= [bedrag volledige draagkracht vrouw] – (€ 302,= [bedrag zorgkorting] - € 93,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 99,= per maand ten aanzien van [minderjarige 1].

Conclusie

4.34.

Gelet op bovenstaande overwegingen bedraagt de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 2] een bedrag van € 161,= per maand en de door de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] € 99,= per maand.

Aanhechten berekeningen

4.35.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gewaarmerkte exemplaren van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Proceskosten

4.36.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;

5.2

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats], zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;

5.3

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar volgens een co-ouderschapsregeling, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week bij de ene dan wel de andere ouder verblijven, het wisselmoment op vrijdag zal zijn en dat de man voor het halen en brengen van de spullen van de kinderen op vrijdag tussen 20:00 en 21:00 uur zal zorgdragen;

5.4

bepaalt dat de zorg- en opvoedingstaken betreffende voornoemde minderjarigen tijdens de vakanties en feestdagen als volgt tussen partijen worden verdeeld:

  • zomervakantie: in de oneven jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw. In de even jaren verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man;
  • herfstvakantie, voorjaarsvakantie, meivakantie, Pasen en Pinksteren: tijdens deze vakanties zal de reguliere zorgregeling gevolgd worden;
  • kerstvakantie: tijdens deze vakantie zal de reguliere zorgregeling gevolgd worden, met uitzondering van eerste en tweede kerstdag en oud en nieuw. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen bij partijen verblijven als volgt:

- 2026 en 2027: eerste kerstdag bij de vrouw, tweede kerstdag bij de man;

- 2028 en 2029: eerste kerstdag bij de man, tweede kerstdag bij de vrouw;

- wisseling op tweede kerstdag middag uur;

- oud en nieuw: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen bij partijen verblijven als volgt:

- 2026 en 2027: oudejaarsdag bij de man, nieuwjaarsdag bij de vrouw;

- 2028 en 2029: oudejaarsdag bij de vrouw, nieuwjaarsdag bij de man;

5.5

bepaalt dat de man met ingang van 12 januari 2026 aan de vrouw moet voldoen een bijdrage in de kosten van [minderjarige 2] van € 161,= per maand;

5.6

bepaalt dat de vrouw met ingang van 12 januari 2026 aan de man moet voldoen een bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] van € 99,= per maand;

5.7

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.9

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.