Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7805Zaaknummer C/02/447424 FA RK 26/2088

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
28 september 2026
Zaaknummer
C/02/447424 FA RK 26/2088
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Partijen naar UHA ouderschapsbemiddeling, beslissing op gezamenlijk gezag aangehouden iav resultaten.

De rechtbank:

5.1

verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;

5.2

verzoekt het loket om uiterlijk op 25 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

5.3

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

5.4

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

5.5

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.13. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;

5.6

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

5.7

houdt aan de definitieve beslissing op de verzoeken met betrekking tot:

  • gezamenlijk gezag;
  • kinderalimentatie;
5.8

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 juli 2026 voorlopig ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 100,= (honderd euro) per maand;

5.9

wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat de overeenkomst omgangsregeling [minderjarige] d.d. 18 februari 2025 deel zal uitmaken van de beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/447424 FA RK 26/2088

datum uitspraak: 21 juli 2026

beschikking betreffende wijziging gezag

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats 1] (België),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R.G.J. van Kerkhof,

en

[de vrouw]

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.P.J. Brouwers.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 16 april 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 9 juli 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 14 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, waarbij mr. Van Tol-Macharoblishvili als waarnemend advocaat voor mr. Brouwers optrad. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

2 De feiten

2.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.

- Genoemd kind is door de man erkend.

- De man heeft de Belgische nationaliteit, de vrouw en de minderjarige de Nederlandse.

- De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige.

2.2

De minderjarige verblijft week op week af bij de man en de vrouw. De wisselmomenten vinden plaats op zondag om 16.00 uur.

3 Het verzoek

3.1

De man verzoekt, samengevat:

- Te bepalen dat hij voortaan mede belast wordt met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

3.2

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht tot afwijzing van het verzoek van de man. Zij verzoekt, bij wege van zelfstandig verzoek, samengevat:

  • Te bepalen dat de overeenkomst omgangsregeling [minderjarige] d.d. 18 februari 2025 deel zal uitmaken van de beschikking;
  • Te bepalen dat de man, met ingang van 1 maart 2025, aan de vrouw een bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen € 200,= per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4 De beoordeling

Internationaal privaatrechtelijke aspecten

4.1

Vanwege de Belgische nationaliteit van de man en zijn woonplaats heeft deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. Nu de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft en bij de vrouw in Nederland woont is de Nederlandse rechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing.

4.2

Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.3

Volgens de man wilde de vrouw ten tijde van de relatie van partijen het gezag niet delen met de man. Nu de relatie beëindigd is worden de belangrijke beslissingen niet meer in goed overleg genomen. De vrouw betrekt de man hier niet meer in. Wettelijk uitgangspunt is gezamenlijk gezag. Er zijn ook geen contra-indicaties voor toewijzing van gezamenlijk gezag. Tot enkele maanden geleden werden beslissingen gezamenlijk genomen. Ook opvoedkundig zitten ouders op dezelfde lijn. Voorts is sprake van een ruime omgangsregeling. De minderjarige is in België echter niet verzekerd als hij gezondheidszorg nodig heeft, nu de vader geen gezag heeft. Ook het kinderdagverblijf in België eist dat minderjarigen verzekerd zijn. Door en namens de man is ter zitting toegelicht dat hij niet instemt met aanhechting van de huidige overeenkomst tussen partijen, omdat dit een zeer summier stuk betreft. De man wil een gedegen ouderschapsplan opstellen. Hij is ook bereid een hulpverleningstraject te volgen gericht op het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en communicatie. De beslissing op het gezamenlijk gezag hoeft echter niet te worden aangehouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject gelet op het wettelijk uitgangspunt.

4.4

Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen slecht. De man diskwalificeert de vrouw op social media alsook rechtstreeks via appberichten. De man trekt daarnaast de opvoedkundige kwaliteiten van de vrouw in twijfel. De man wenst controle te blijven uitoefenen op de vrouw. Er is sprake van grensoverschrijdende berichten. De vrouw voelt zich in de verstandhouding met de man ongelijkwaardig, kwetsbaar en onveilig. De vrouw betwist dat partijen opvoedkundig op dezelfde lijn zitten. De man trekt nu al haar ouderschap in twijfel en de vrouw vreest dat als partijen gezamenlijk beslissingen moeten nemen over [minderjarige], de man haar zal tegenwerken. De vrouw heeft geen vertrouwen in de man en zijn intenties, indien hij ook wordt belast met het ouderlijk gezag. De man heeft ook de overeenkomst niet overgelegd die partijen hebben gesloten met betrekking tot de afspraken van [minderjarige]. Dat de man stelt dat [minderjarige] niet verzekerd is in België, volgt de vrouw niet. De objectieve onderbouwing ontbreekt ook daarvoor. [minderjarige] is verzekerd op de zorgverzekering van de vrouw met een doorlopende reisverzekering. Daadwerkelijke spoedsituaties zijn dus gedekt. De vrouw ziet op basis van het voorgaande geen basis voor gezamenlijk gezag. De vrouw wenst een doorverwijzing naar het uniform hulpaanbod om onder begeleiding van professionals vrijwillig maar niet vrijblijvend te werken aan de onderlinge verstandhouding en de communicatie. Met name in het belang van [minderjarige].

4.5

Ter zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat het ouders niet lukt om hun gezamenlijk ouderschap vorm te geven. Voorts heeft de rechtbank zorgen hieromtrent, gelet op de stukken van het geding en de dynamiek ter zitting. Hoewel gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is, ziet de rechtbank aanleiding de beslissing op het gezamenlijk gezag aan te houden. Partijen zullen eerst zowel individueel als met elkaar hulpverlening aan moeten gaan en afspraken maken op welke wijze zij een gelijkwaardig ouderschap inclusief gezamenlijk gezag vorm gaan geven. Verder zal het hulpverleningstraject zich moeten richten op het opstellen van een allesomvattend en gedegen ouderschapsplan. Daarbij is van belang dat rekening wordt gehouden dat het gezamenlijk ouderschap in twee landen wordt uitgevoerd, hetgeen duidelijke afspraken op diverse gebieden vereist.

4.6

In deze fase lukt het ouders niet om het voorgaande zelf te bewerkstelligen, omdat de relatie nog niet goed afgehecht lijkt te zijn en de communicatie tussen hen te wensen overlaat. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 14 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.

4.7

Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.

4.8

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resulta(a)t(en):- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).

4.9

Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

4.10

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het (de) kind(eren).

4.11

Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.

4.12

Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.

4.13

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:

- Bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?

4.14

Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

4.15

Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.

4.16

De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.

4.17

Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek met betrekking tot het gezamenlijk gezag, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.

4.18

Omdat het doel van het hulpverleningstraject onder meer ziet op het tot stand brengen van een gedegen ouderschapsplan, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het aanhechten van de overeenkomst omgangsregeling [minderjarige] af. Ter zitting is door partijen een voorlopige afspraak gemaakt over de kinderalimentatie inhoudende dat de man met ingang van 1 juli 2026 voorlopig € 100,= per maand aan de vrouw zal betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Ter zitting is eveneens besproken dat er door advocaten berekeningen moeten worden gemaakt voor het vaststellen van de kinderalimentatie.

4.19

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;

5.2

verzoekt het loket om uiterlijk op 25 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

5.3

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

5.4

verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;

5.5

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.13. vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;

5.6

verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;

5.7

houdt aan de definitieve beslissing op de verzoeken met betrekking tot:

  • gezamenlijk gezag;
  • kinderalimentatie;
5.8

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 juli 2026 voorlopig ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 100,= (honderd euro) per maand;

5.9

wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat de overeenkomst omgangsregeling [minderjarige] d.d. 18 februari 2025 deel zal uitmaken van de beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.