Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7798Zaaknummer C/02/449002 / FA RK 26-2906
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/449002 / FA RK 26-2906
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen. Partneralimentatie. Opnames rekening-courant. Kosten kinderen en stiefkinderen.
De rechtbank
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 2.136,= (tweeduizend honderd drieënzestig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Volledige tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/449002 / FA RK 26-2906
Datum uitspraak 17 juli 2026
Beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong,
voormalig advocaat mr. M.C.M. Vreeswijk,
en
[de man],
wonende in [woonplaats 2], België,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.W. Morot.
1 Het procesverloop
1.1 De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het op 9 juni 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 18 van de vrouw;
- het op 29 juni 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 16 van de man
- de brief van mr. Morot van 29 juni 2026 met als bijlage het aanslagbiljet 2024;
- de brief van mr. Dekkers-De Jong van 30 juni 2026 met producties 19 tot en met 26;
- de brief van mr. Morot van 1 juli 2026 met bijlagen 17 tot en met 21.
1.2 De zaak is besproken op de zitting van 2 juli 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Daarnaast was de heer [persoon] aanwezig in zijn hoedanigheid als piketmediator.
2 Het verzoek
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 14.667,= met ingang van 28 april 2026 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift.
3 De beoordeling
Vanwege de Belgische nationaliteit van de man heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. Deze aspecten zijn ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht moet beslissen op het verzoek.
Voor de onderbouwing van haar verzoek geeft de vrouw aan dat haar financiële situatie steeds nijpender wordt. Sinds december 2024 draagt de man niet langer bij aan de eigenaarslasten van de echtelijke woning en ook niet in het levensonderhoud van de vrouw. Inmiddels heeft zij geld bij vrienden en familie moeten lenen en haar spaargeld is volledig opgegaan. Vanwege gezondheidsklachten is de vrouw gestopt met haar eenmanszaak en het aantal werkzame uren bij haar werkgever kan zij niet uitbreiden door de zorg voor haar kinderen.
De man voert gemotiveerd verweer. Primair stelt hij dat de vrouw voorbij gaat aan de aanbeveling uit het rapport Alimentatienormen dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de inkomsten van de onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde. De vrouw heeft alle informatie die hierop betrekking heeft, maar heeft nagelaten zich hierover uit te laten. Op die grond moet het verzoek worden afgewezen. Subsidiair geeft hij aan dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage en dat het hem aan draagkracht ontbreekt om een bijdrage te voldoen.
Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige voorziening het karakter heeft van een tijdelijke maatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen voor zover de rechtbank daarin voldoende inzicht heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht heeft in de situatie van partijen, zal zij beoordelen wat zij redelijk vindt en in dat kader een inschatting maken.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum voor de te betalen partneralimentatie te bepalen op de datum van deze beschikking.
Huwelijksgerelateerde behoefte
Bij de berekening van de partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. De hofnorm gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met elkaar kunnen delen.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het becijferen van de huwelijksgerelateerde behoefte wordt aangesloten bij de hiervoor genoemde hofnorm, zodat ook de rechtbank hierbij aansluit.
Partijen verschillen van mening van welk peiljaar moet worden uitgegaan bij het becijferen van het netto besteedbaar gezinsinkomen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat als uitgangspunt moet worden genomen het peiljaar 2024, omdat in dat jaar de onderneming van de man een hoge dividenduitkering heeft gedaan. De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat moet worden aangesloten bij het peiljaar 2023, omdat dit het laatste volledige jaar is dat partijen samen zijn geweest.
Uit de ingediende stukken en de toelichting van partijen op de zitting blijkt dat partijen in mei 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank stelt vast dat het laatste volledige jaar dat partijen nog samen waren het jaar 2023 is geweest. De rechtbank zal dan ook aansluiten bij de inkomens van partijen en tarieven in dat jaar. In de enkele omstandigheid dat in 2024 een dividenduitkering is gedaan, wordt geen aanleiding gezien om van een ander peiljaar uit te gaan.
Tussen partijen staat vast dat de vrouw een inkomen genoot van € 21.035,= bruto per jaar. Op basis van dit inkomen berekenen beide partijen het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2023 op € 1.691,= per maand, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.
Voor wat betreft het inkomen van de man in 2023 geldt dat hij enig aandeelhouder
(dga) is van [bedrijf 1] B.V. en hij zichzelf een salaris uitbetaalt vanuit deze onderneming. Omdat de man in België belastingplichtig is, sluiten beide partijen aan bij een netto inkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto salaris van de man in 2023
€ 2.650,= per maand bedroeg, zodat de rechtbank daarbij aansluit.
De vrouw stelt dat partijen meer hadden om van te leven dan enkel het inkomen van de man. Primair houdt zij rekening met opnames uit rekening-courant van € 87.300,= per jaar. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering van € 93.703,= per jaar.
De man erkent dat partijen tijdens hun huwelijk ook hebben geleefd van opnames uit rekening-courant en dat het in 2023 ging om een bedrag van € 87.300,=. Echter, deze opnames zijn ook gebruikt voor de kosten van de kinderen. Er waren zeven kinderen in het samengestelde gezin van partijen en er was sprake van veel luxe vakanties. Volgens de man moeten deze opnames uit rekening-courant dan ook door negen worden gedeeld. Slechts een zeer beperkt deel van € 1.616,= per maand is volgens hem gebruikt voor partijen.
In deze procedure ziet de rechtbank geen ruimte om te onderzoeken waaraan de opnames in rekening-courant zijn besteed. Bovendien zijn hoge uitgaven ter zake gezinsvakanties mede onderdeel van de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen en kunnen deze niet worden uitgesplist. Vast staat dat in 2023 opnames in rekening-courant zijn gedaan van in totaal € 87.300,=. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat slechts een bedrag van € 1.616,= per maand ten goede is gekomen aan partijen. Dit betekent dat de rechtbank bij het becijferen van het gezinsinkomen van partijen rekening houdt met een bedrag aan opnames in rekening-courant van € 87.300,=.
De man stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een latente claim wegens aanmerkelijk belang (hierna: AB-claim). De vrouw voert gemotiveerd verweer.
In het kader van het becijferen van de huwelijksgerelateerde behoefte houdt de rechtbank geen rekening met een AB-claim. Op de zitting is gebleken dat de man geen financiële reserveringen hiervoor heeft gedaan, zodat de AB-claim ook niet heeft gedrukt op het gezinsinkomen van partijen in 2023.
Uitgaande van bovenstaande gegevens bedraagt het netto inkomen van de man in 2023 € 9.925,= per maand.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de kosten van de kinderen. Vast staat dat in 2023 tot het gezin van partijen behoorden drie kinderen van de man en zijn ex-partner en vier kinderen van de vrouw en haar ex-partner. Partijen verschillen van mening met welk bedrag rekening moet worden gehouden aan kosten van de kinderen.
De rechtbank beschikt op dit moment over onvoldoende aanknopingspunten om de daadwerkelijke kosten van de kinderen in 2023 vast te stellen. Bij gebrek aan deze aanknopingspunten schat de rechtbank de kosten van de kinderen in 2023 in redelijkheid op de gemaximeerde behoefte conform de behoeftetabel, te weten € 1.940,= per maand in totaal. De behoefte per kind in 2023 is afgerond € 277,= per maand. De ex-partners van partijen zijn ook onderhoudsplichtig voor de kinderen, maar het ontbreekt de rechtbank aan gegevens om de hoogte van deze onderhoudsplicht vast te stellen. Bij gebrek aan deze gegevens acht de rechtbank het redelijk om ervan uit te gaan dat de man ¾ deel van de kosten van zijn kinderen voldoet. De man heeft drie kinderen, zodat de totale behoefte
€ 831,= per maand bedraagt. Het aandeel van de man in deze behoefte is € 623,= per maand. Voor wat betreft de kosten van de kinderen aan de zijde van de vrouw is onbetwist gesteld dat de vrouw geen bijdrage ontvangt van de vader van de kinderen. Dit betekent dat de totale behoefte van deze kinderen, te weten € 1.108,= per maand, drukt op het gezinsinkomen van partijen. Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank rekening houdt met een bedrag aan kosten van de kinderen van € 1.731,= per maand.
Na aftrek van de kosten van de kinderen bedraagt het netto besteedbaar gezinsinkomen in het peiljaar (€ 11.616,= minus € 1.731,= =) € 9.885,= per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw volgens de hofnorm berekend op 60% van het beschikbare netto besteedbaar gezinsinkomen. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw becijfert op afgerond € 5.931,= netto per maand in 2023. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die behoefte nu afgerond € 7.017,= netto per maand.
Aanvullende behoefte van de vrouw
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van behoeftigheid van de vrouw. Dat is het geval als zij niet voldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zij deze inkomsten ook in redelijkheid niet kan verwerven.
De vrouw is 29,75 uur per week werkzaam bij [bedrijf 2] B.V. Voor de bepaling van haar huidige netto inkomen gaat de rechtbank uit van een bruto maandsalaris van afgerond € 1.904,=, te vermeerderen met vakantietoeslag. Dit inkomen volgt ook uit de door de vrouw als productie 17 ingediende loonstroken.
De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de stelling van de man dat uitgegaan moet worden van een hoger inkomen, omdat de vrouw meer kan werken. Zoals eerder overwogen wordt in het kader van deze procedure zoveel als mogelijk is aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit vergt nader onderzoek waarvoor in deze procedure geen ruimte is. De rechtbank merkt daarbij op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
Uitgaande van bovengenoemd inkomen bedraagt het eigen netto-inkomen van de vrouw € 1.992,= per maand. De netto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan
(€ 7.017,= minus € 1.992,=) = € 5.025,= per maand. De bruto aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt € 9.802,= per maand.
Draagkracht van de man
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de man draagkracht heeft om de verzochte onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen.
Partijen zijn het er over eens dat voor het netto inkomen van de man in deze procedure wordt aangesloten bij een bedrag van € 3.038,= per maand. De discussie van partijen richt zich op de vraag of ook rekening moet worden gehouden met dividenduitkeringen dan wel opnames in rekening-courant.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man heeft nagelaten actuele gegevens van zijn onderneming in te dienen, waardoor het niet mogelijk is om op basis van recente informatie zijn draagkracht te becijferen. Aangezien de man in 2024 nog een bedrag aan dividend heeft uitgekeerd van € 579.290,= meent de vrouw dat de man over 2025 en 2026 ook een dergelijk dividend aan zichzelf had kunnen dan wel moeten uitkeren. Nu het aan actuele gegevens ontbreekt, moet ervan worden uitgegaan dat de man in staat is om in de volledige aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien.
De man voert gemotiveerd verweer. Op dit moment probeert de man opnames in rekening-courant zoveel mogelijk te beperken omdat de liquiditeitspositie van zijn onderneming in gevaar is door de vele opnames in de afgelopen jaren. De vennootschap heeft geen reserves, waardoor het onverantwoord is om de schuld in rekening-courant verder te laten oplopen dan wel dividenduitkeringen te verrichten. Het is voor de man niet mogelijk om actuele gegevens in te dienen, omdat deze nog niet beschikbaar zijn.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man ook nu nog gelden uit zijn onderneming onttrekt. Weliswaar stelt de man dat deze onttrekkingen vele malen lager zijn dan tijdens het huwelijk, maar er zijn geen actuele stukken van de onderneming van de man ingediend. De man heeft volstaan met het indienen van een brief van de boekhouder. Andere relevante stukken ontbreken. Het is de verantwoordelijkheid van de man om de benodigde financiële stukken aan de rechtbank toe te zenden. Omdat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de actuele financiële situatie van zijn onderneming moet ervan worden uitgegaan dat hij in staat is om eenzelfde bedrag uit zijn onderneming te onttrekken als in 2023, te weten € 87.300,=. Met dit bedrag zal de rechtbank dan ook rekening houden bij het becijferen van zijn draagkracht. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat met het bedrag aan dividenduitkeringen in 2024 rekening moet worden gehouden, omdat dit een incidentele hoge uitkering betreft.
De man stelt zich op het standpunt dat in het kader van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een latente AB-claim. De vrouw heeft dit niet betwist, maar de rechtbank heeft geen enkel zicht op de hoogte van deze claim. Verder leent deze procedure zich ook niet voor een diepgravend onderzoek. Dit maakt dat in het kader van deze procedure geen rekening zal worden gehouden met een latente AB-claim.
Rekening houdend met bovenstaande uitgangspunten bedraagt het netto inkomen van de man € 10.313,= per maand.
Daarnaast stelt de man dat bij het becijferen van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een bedrag aan extra lasten van afgerond € 1.314,= per maand. Dit betreft de bijdrage van de man in de hypotheeklasten, de aflossing van het hypothecaire krediet, de woonverzekering, de aansluitingskosten voor glasvezel en de gemeentelijke belastingen. Volgens de man zijn dit niet vermijdbare duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat de man heeft nagelaten inzage te geven in zijn eigen woonlasten. Gelet op het gebrek aan gegevens gaat de vrouw ervan uit dat de man in staat is om, naast zijn eigen woonlasten, zijn aandeel in de lasten van de echtelijke woning vanuit het woonbudget dan wel zijn vrije ruimte te voldoen. Overigens betwist de vrouw ook de hoogte van het door de man genoemde bedrag.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de aanbevelingen kan bij het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige rekening worden gehouden met niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten. Als een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, wordt het woonbudget voor beiden aangepast door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen. Bij degene die in de voormalige echtelijke woning woont wordt zijn of haar aandeel in die last meegenomen. Voor degene die de woning heeft verlaten wordt de eigen werkelijke woonlast meegenomen en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning. De man heeft nagelaten om zijn eigen woonlasten inzichtelijk te maken, waardoor de rechtbank in deze procedure ervan uitgaat dat de man voldoende financiële ruimte heeft om naast zijn eigen woonlasten ook zijn aandeel in de lasten van de echtelijke woning te voldoen.
Bij het becijferen van de draagkracht van de man houdt de rechtbank wel rekening met de door de man te betalen kosten van de kinderen. Hiervoor geldt wederom dat de rechtbank over onvoldoende aanknopingspunten beschikt om deze kosten vast te stellen en daarom voor de hoogte van de kosten van de kinderen aansluit bij de gemaximeerde behoefte in 2026 voor drie kinderen. Immers, de man is nu enkel onderhoudsplichtig voor zijn eigen kinderen. In 2026 bedraagt de gemaximeerde behoefte € 1.835,= per maand. Daarbij gaat de rechtbank wederom naar schatting ervan uit dat de man ¾ deel van de kosten van zijn kinderen voldoet, waarin de door de man aan zijn ex-partner te betalen kinderalimentatie van € 300,= per maand is verdisconteerd. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank rekening houdt met een bedrag aan kosten van de kinderen van afgerond € 1.376,= per maand.
Op grond van bovenstaande financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast genoemde kosten van zijn kinderen, € 2.136,= netto per maand te voldoen in de kosten van de vrouw. Nu niets is aangevoerd over de belastingregels in België over partneralimentatie zal de rechtbank dit bedrag niet bruteren.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van een voorlopige partneralimentatie aan de vrouw niet in een nadeliger financiële positie komt dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan voorlopige partneralimentatie aan de vrouw te betalen dan zijn draagkracht toelaat. Dit maakt dat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag aan partneralimentatie vast te stellen.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
4 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 2.136,= (tweeduizend honderd drieënzestig euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.