Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7779Zaaknummer C/02/450131 / JE RK 26-1219
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Publicatiedatum
- 28 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/450131 / JE RK 26-1219
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nadere spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 augustus 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, voor de duur van 75 minuten en verzoekt de GI om de briefrapportage met de informatie zoals genoemd in r.o. 5.6 uiterlijk drie werkdagen voorafgaand de zitting (dus uiterlijk 13 augustus 2026) aan de rechtbank en de belanghebbenden te verstrekken;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450131 / JE RK 26-1219
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2026 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. M.S. Krol te Rotterdam.
De kinderrechter merkt ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als belanghebbende en
ten aanzien van [minderjarige 3] als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 9 juli 2026 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken;
- de briefupdate van de GI, ontvangen op 16 juli 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van mr. Krol, ontvangen op 16 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader (bij aanvang fysiek en vervolgens via telefonische verbinding);
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
2 De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 3].
Bij beschikking van 17 april 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 17 oktober 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 tot 23 juli 2026 en het resterende deel van het verzoek aangehouden tot de zitting van heden.
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij pleeggezinnen, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] samen in hetzelfde pleeggezin verblijven.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 oktober 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de beschikking van 9 juli 2026 met ingang van heden, alsmede het resterende deel van bovengenoemd verzoek van de GI om voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlenen, met ingang van 23 juli 2026 en tot 17 oktober 2026.
4 De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. Er is sprake van langdurige overbelasting van de moeder, beperkte beschikbaarheid van de opvoeders, het onvoldoende nemen van eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van de kinderen en het ontbreken van duurzame beschermende factoren die de veiligheid van de kinderen kunnen waarborgen. In aanvulling op het verzoekschrift en de briefupdate heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat de vader zich structureel terugtrekt, wat maakt dat de situatie niet stabiel is en dat de moeder regelmatig haar netwerk nodig heeft, maar dit is geen blijvende oplossing. Beide ouders hebben mentale en fysieke klachten. Eerder heeft de GI de hulpverlening al opgeschaald, maar het langdurig patroon werd niet doorbroken en de overbelasting van de moeder en structurele onveiligheid voor de kinderen bleef desondanks voortduren waardoor het spoedverzoek nodig was. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] verblijven in hetzelfde pleeggezin en [minderjarige 2] is met haar oudere halfzus. Het is noodzakelijk dat de situatie van de ouders stabiliseert en dat zij hulp krijgen, waarbij het de inzet van de GI is om te kijken of en hoe de kinderen terug naar huis kunnen. Dat de kinderen in de pleeggezinnen heftig reageren, ziet de GI als een logische reactie op de recente gebeurtenissen en de stress van de afgelopen periode. Alternatieven ziet de GI voor nu niet. Het netwerk is niet in staat om de veiligheid duurzaam te waarborgen en voor het gezin is al veel hulpverlening betrokken.
Door en namens de moeder is verzocht om de spoedbeschikking van 9 juli 2026 te herroepen en het verzoek van de GI af te wijzen. De moeder betwist nadrukkelijk dat sprake is van een structurele situatie waarin de basale verzorging van de kinderen tekortschiet of waarin hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd. Evenmin onderschrijft zij de door de GI geschetste lezing van de gebeurtenissen op en rond 5 juli 2026 en dat sprake was van een acute onveilige situatie die een onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk maakte. Het verzoek van de GI is in belangrijke mate gebaseerd op een melding van derde en subjectieve waarnemingen, terwijl objectieve verificatie van deze melding ontbreekt. De moeder betwist niet dat de thuissituatie de afgelopen periode onder druk heeft gestaan. Zij erkent dat sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting, maar zij is bereid om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening mee te werken. Dat de bestaande hulpverlening de zorgen nog niet volledig heeft weggenomen, betekent niet zonder meer dat een uithuisplaatsing de enige resterende mogelijkheid was. De GI heeft de minder ingrijpende mogelijkheden, zoals intensivering van de ambulante hulpverlening, veiligheidsafspraken, ondersteuning vanuit het netwerk (waaronder de buurman, de oma en de vader) en/of aanvullende voorzieningen zoals (tijdelijke) weekendopvang op een zorgboerderij om de moeder te ontlasten en de veiligheid van de kinderen te waarborgen, niet eerst onderzocht. Daar komt bij dat de kinderen sinds 17 april 2026 onder toezicht van de GI staan en dat een definitief plan van aanpak nog ontbreekt. Gelet op het ultimum-remediumkarakter van een uithuisplaatsing had het op de weg van de GI gelegen om eerst daadwerkelijk uitvoering aan de ondertoezichtstelling te geven alvorens tot een (spoed)uithuisplaatsing over te gaan. Juist nu uit de observaties van [hulpverlening] volgt dat de moeder voor de kinderen kan zorgen, dat er in positieve zin sprake is van een veranderde gezinsdynamiek en dat er juist behoefte is aan aanvullende ondersteuning en geen sprake is van een plotseling ontstane acute onveilige situatie. Verder benoemt de moeder dat er geen regie wordt gevoerd op de oudste kinderen die zomaar thuis (kunnen) komen en zorgen voor een ontregeling binnen het gezin. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen naar huis. Het is niet onveilig en de situatie tussen de ouders is stabiel. De moeder kan het aan, zowel met als zonder de vader. Zeker nu de twee oudste dochters op dit moment niet thuis zijn. Belangrijk is dat er duidelijke afspraken met de vader worden gemaakt en dat hij op de drukke momenten aanwezig is om de moeder te ontlasten. Daarnaast moet er regie over de oudste drie jongens worden gevoerd.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] terug naar huis komen. Het gaat niet goed met de kinderen in de pleeggezinnen. Ze zijn ziek, angstig en huilen veel. De spoeduithuisplaatsing heeft bij de vader voor veel stress en paniekaanvallen gezorgd. Het afgelopen jaar is zwaar geweest, maar op dit moment heeft de vader passende hulp waaronder contact met de POH, buurtteams, EMDR-therapie en medicatie. De vader is de laatste tijd juist volledig in beeld en betrokken bij het gezin; hij helpt waar hij kan. De ouders zijn samen stabiel en kunnen voor de kinderen zorgen. Vooral nu de oudste twee dochters niet thuis zijn en zij een netwerk hebben dat kan helpen.
5 De beoordeling
Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing
Bij beschikking van 9 juli 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbende(n). De belanghebbende(n) zijn op 17 juli 2026 gehoord.
De kinderrechter dient in beginsel te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 9 juli 2026 moet worden herroepen. Alhoewel een deel van de punten die door de advocaat van de moeder naar voren zijn gebracht wel degelijk tot vraagtekens bij de kinderrechter leidt, stelt zij vast dat er sprake is van structurele zorgen in de opvoedsituatie bij de ouders en dat de acute veiligheid van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ten tijde van de spoedbeslissing niet werd gewaarborgd. Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie dusdanig onstabiel en onveilig voor de kinderen is dat de spoedbeslissing niet zal worden herroepen en daarmee zijn werking zal behouden.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het (spoed)verzoek
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot
onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De kinderrechter zal het resterende deel van het (spoed)verzoek tot het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 augustus 2026 toewijzen en het overige deel van het verzoek aanhouden tot de zitting van [datum] 2026. Zij legt deze beslissing hierna uit.
De kinderrechter stelt vast dat sprake is van langdurige en structurele zorgen binnen het gezin en in de opvoedsituatie van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], waarbij het de ouders onvoldoende lukt om de kinderen structureel een emotioneel veilige, stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Er is een patroon zichtbaar van afwezigheid en beperkte beschikbaarheid van de vader, hetgeen ook in de recente observaties van [hulpverlening] naar voren komt en waarover de vader zelf heeft aangegeven dat hij last heeft van lichamelijke klachten, slapeloosheid en paniekaanvallen. Dit in combinatie met de langdurige lichamelijke en psychische klachten en overbelasting van de moeder maakt dat de ouder(s) met momenten niet beschikbaar voor de kinderen (kunnen) zijn, terwijl [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vanwege hun jonge leeftijd volledig afhankelijk van hun ouders zijn als het gaat om hun verzorging en opvoeding. Op die momenten proberen de oudere kinderen de zorg voor de jongere kinderen op zich te nemen. Dat de moeder de afgelopen periode onder druk heeft gestaan en dat er sprake is geweest van lichamelijke klachten, spanningen en overbelasting is door en namens de moeder ook niet betwist. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de dynamiek tussen de ouders waarvan ook [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] getuige zijn geweest en waarbij er signalen van conflicten met verbale agressie en mogelijk huiselijk geweld zijn. Dit alles maakt dat er structurele spanningen binnen de partnerrelatie en het gezin zijn en dat de veiligheid en basale zorg voor de kinderen met momenten tekortschiet. Het is de kinderrechter gebleken dat er al langdurig hulpverlening bij het gezin betrokken is, voorheen ook binnen het vrijwillig kader en dat het netwerk van de ouders waar nodig bijspringt maar geen duurzame oplossing is. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de kinderen voor nu niet terug naar huis kunnen. Er is in de afgelopen periode veel gebeurd in het leven van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en in de pleeggezinnen wordt aan hen de benodigde rust, veiligheid en stabiliteit geboden. Een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is daarom noodzakelijk om het verblijf van de kinderen te kunnen borgen. Dat door en namens de moeder is aangegeven dat de ouders bereid zijn om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening mee te werken, dat een intensivering van de hulpverlening nodig is en dat de kinderen bij het netwerk van de ouders terecht kunnen, vindt de kinderrechter positief om te horen maar tegelijkertijd stelt zij vast dat de situatie ondanks de reeds ingezette hulpverlening nog niet zodanig is verbeterd dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment terug naar huis kunnen en dat er geen concrete plannen zijn als het gaat om het intensivering van de hulpverlening, het inzetten van het netwerk en het ontlasten van de moeder.
Gelet op de zeer jonge leeftijd van de kinderen en dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is en het uitgangspunt de terugthuisplaatsing van de kinderen moet zijn, zal in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen de machtiging tot uithuisplaatsing voor één maand worden verleend en zal het overige deel van het verzoek worden aangehouden. Het resterende deel van het verzoek zal worden behandeld op de zitting van [datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de GI in de komende maand serieus en concreet gaat kijken of er minder ingrijpende alternatieven voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn en of zij terug thuis geplaatst kunnen worden, zeker gelet op hun jonge leeftijd. Hierbij dient de GI onder andere te kijken naar de mogelijkheid tot intensivering van de hulpverlening voor zowel het gezin, de ouders samen als de ouders los van elkaar, de inzet van het netwerk en alle andere mogelijkheden om de ouders (deels) te kunnen ontlasten. Zo heeft de moeder bijvoorbeeld zelf de mogelijkheid van een weekendopvang bij een zorgboerderij genoemd. Op het moment dat de GI van mening is dat een terugthuisplaatsing van de kinderen (voor nu) niet mogelijk is, dient de GI dit te duidelijk onderbouwen en aan te geven waarom en welke minder ingrijpende alternatieven niet mogelijk zijn en wat er nodig is voordat de kinderen terug thuis geplaatst kunnen worden. De kinderrechter herhaalt nogmaals dat het uitgangspunt de terugthuisplaatsing van de kinderen is. De kinderrechter verwacht dat de GI, de vader, de moeder en haar advocaat bij de zitting van [datum] 2026 aanwezig zullen zijn. Aan de GI verzoekt de kinderrechter om de hiervoor beschreven informatie in de vorm van een briefrapportage uiterlijk drie werkdagen voorafgaand de zitting (dus uiterlijk 13 augustus 2026) aan de rechtbank, de vader, de moeder en rechtstreeks aan haar advocaat te verstrekken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 juli 2026 en tot 23 augustus 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 om [uur], bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, voor de duur van 75 minuten en verzoekt de GI om de briefrapportage met de informatie zoals genoemd in r.o. 5.6 uiterlijk drie werkdagen voorafgaand de zitting (dus uiterlijk 13 augustus 2026) aan de rechtbank en de belanghebbenden te verstrekken;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.