Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7707Zaaknummer C/02/450146 / JE RK 26-1226
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Publicatiedatum
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/450146 / JE RK 26-1226
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Reguliere muhp gezinsgerichte voorziening. drie maanden toewijzen en daarna tussentijdse toetsing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 juli 2026 en tot 7 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing aan tot [datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE, ten overstaan van mr. Dijkman, voor de duur van 60 minuten;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450146 / JE RK 26-1226
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Met bijzondere toestemming is tot de zitting als toehoorder toegelaten mevrouw [persoon 1], [hulpverlening], begeleidster van de moeder en mevrouw [persoon 2], [hulpverlening], als begeleidster van de vader.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 22 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 juni 2023 en tot 22 juni 2024. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 21 mei 2026, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 22 december 2026.
Bij beschikking van 19 juli 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 juli 2023 en tot 2 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 28 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 augustus 2023 en tot 19 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 juni 2024.
Bij beschikking van 2 juli 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026.
Inmiddels verblijft [minderjarige] in een gezinshuis.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 december 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek en stelt dat de ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] een uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening noodzakelijk maken. De moeder is overbelast, de samenwerking verloopt al langere tijd moeizaam en de zorgen over haar belastbaarheid en de thuissituatie zijn onverminderd aanwezig. De GI acht het van belang dat [minderjarige] eerst rust en stabiliteit ervaart in het gezinshuis. Het begeleid contact met de moeder kan worden opgebouwd en vanuit het gezinshuis kan er worden toegewerkt naar een passend toekomstperspectief.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting verzocht om afwijzing van het verzoek. De moeder vindt het van groot belang dat direct wordt onderzocht of [minderjarige] weer bij haar thuis kan worden geplaatst. Subsidiair is de moeder akkoord met een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden waarna een tussentijdse toetsing dient plaats te vinden en waarbij in ieder geval direct wordt ingezet op begeleid contact in de vertrouwde omgeving van de moeder. De moeder stelt dat de spoeduithuisplaatsing onnodig ingrijpend is geweest en onvoldoende rekening is gehouden met de lichamelijke en psychische problemen van de moeder. De moeder voelt zich al langere tijd niet gehoord door de GI en daardoor is er een vertrouwensbreuk ontstaan.
De vader stemt tijdens de zitting in met de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening omdat hij deze noodzakelijk acht voor de veiligheid, verzorging en de schoolgang van [minderjarige]. De vader is akkoord met het opstarten van het contact tussen de moeder en [minderjarige] als dit voorlopig onder begeleiding plaatsvindt en op een voor [minderjarige] veilige wijze wordt opgebouwd.
5 De beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
De kinderrechter stelt vast dat de moeder de Poolse nationaliteit heeft. Dit brengt
mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter eerst dient te
beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijke recht te bepalen.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in
Nederland heeft. Dit maakt de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te
nemen en daarop te beslissen. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, zal het Nederlands
recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling worden niet alleen uitgesproken door de GI, maar ook door de school en de betrokken hulpverlening. De kinderrechter constateert dat er ernstige zorgen bestaan over de psychische gesteldheid en belastbaarheid van de moeder, haar emotionele beschikbaarheid en de gevolgen daarvan voor [minderjarige]. Daarnaast is er sprake van fors schoolverzuim, zijn er signalen van hechtingsproblematiek en is het de vraag of er bij de moeder een thuissituatie is waarin [minderjarige] voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid ervaart.
Vanwege het voorgaande acht de kinderrechter het noodzakelijk dat er zicht komt op de situatie van de moeder en [minderjarige]. De verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening zal dan ook worden verleend en wel voor de periode van 14 juli 2026 tot 7 oktober 2026. Het resterende deel van het verzoek zal de kinderrechter aanhouden zodat er een tussentijdse toetsing kan plaatsvinden over de ontwikkelingen rondom [minderjarige] en de moeder. In de komende periode dient er eerst rust en stabiliteit voor [minderjarige] te worden gecreëerd. Tegelijkertijd moet er nader inzicht worden verkregen in de medische en psychische situatie van de moeder en haar mogelijkheden om duurzaam aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. De contacten tussen [minderjarige] en beide ouders dienen zo spoedig mogelijk, eerst onder begeleiding, te worden hervat en zorgvuldig te worden opgebouwd. De kinderrechter vindt het belangrijk dat hiervoor het tempo van [minderjarige] wordt aangehouden.
Op de zitting van [datum] 2026 om [uur] dient er een toetsingsmoment plaats te vinden om te beoordelen of de plaatsing van [minderjarige] in de gezinsgerichte voorziening nog steeds het meest in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk 1 oktober 2026 per brief te rapporteren over het verloop van uithuisplaatsing van [minderjarige] en de dan geldende stand van zaken rondom de (opbouw van de) omgang tussen [minderjarige] en de moeder, de ontwikkelingen van de moeder en de omgang met de vader en wat de mogelijkheden zijn tot een thuisplaatsing. Tevens dient de GI te berichten of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 14 juli 2026 en tot 7 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing aan tot [datum] 2026 om [uur], bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE, ten overstaan van mr. Dijkman, voor de duur van 60 minuten;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.