Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7692Zaaknummer C/02/449951 / JE RK 26-1176
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Publicatiedatum
- 25 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/449951 / JE RK 26-1176
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondeling verzoek 2 weken. Schriftelijk verzoek 3 weken. Herroeping afgegeven spoedbeslissing ivm nieuwe feiten en omstandigheden
5 De beslissing
De kinderrechter:
herroept de bij beschikking van 2 juli 2026 verleende (spoed) machtiging uithuisplaatsing betreffende de minderjarige [minderjarige] met ingang van 14 juli 2026 tot 16 juli 2026;
wijst het spoedverzoek voor zover het betrekking heeft op de periode van 14 juli 2026 tot 16 juli 2026 af.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449951 / JE RK 26-1176
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Nadere beschikking (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van 2 juli 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van 7 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader,
- een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Met bijzondere toestemming is tot de zitting als toehoorder toegelaten mevrouw [persoon 1], [hulpverlening], begeleidster van de moeder en mevrouw [persoon 2], [hulpverlening], als begeleidster van de vader.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 22 juni 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 juni 2023 en tot 22 juni 2024. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 21 mei 2026, waarbij de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 22 december 2026.
Bij beschikking van 19 juli 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 juli 2023 en tot 2 augustus 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 28 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 augustus 2023 en tot 19 oktober 2023. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 juni 2024.
Bij beschikking van 2 juli 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026.
[minderjarige] verblijft inmiddels in een gezinsgerichte voorziening voorziening.
3 Het verzoek
De GI heeft mondeling verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van twee weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De GI verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De schriftelijke weergave van het verzoek wijkt af van het mondelinge verzoek, in die zin dat de GI in de schriftelijke bevestiging verzoekt om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van drie weken in plaats van twee weken. Dit afwijkende verzoek wordt door de kinderrechter terzijde gesteld, nu op het mondelinge verzoek reeds is beslist en deze beschikking een schriftelijke weergave van die mondelinge beslissing is.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de periode 2 juli 2026 tot 16 juli 2026 moet worden herroepen.
4 De nadere beoordeling
De kinderrechter overweegt allereerst dat de GI bij brief van 7 juli 2026 het verzoek tot verlening van een spoedmachtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft ingetrokken. Op dat verzoek is echter al mondeling beslist door de kinderrechter, waardoor een intrekking van dit verzoek niet tot gevolg heeft dat de kinderrechter niet meer aan een beoordeling toekomt. Omdat verzoekster en de belanghebbenden nog wel op dit verzoek moeten worden gehoord en de kinderrechter dient te beoordelen of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die maken dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing moet worden herroepen, zal de kinderrechter de intrekking door de GI als een nieuw feit aanmerken.
De reden van intrekking van het verzoek door de GI is gelegen in het feit dat [minderjarige] niet langer in een voorziening voor pleegzorg verblijft, maar in een gezinshuis, waardoor de categorie van de machtiging uithuisplaatsing dient te worden aangepast. Dit feit leidt tot de conclusie dat sprake is van zodanig nieuwe feiten en omstandigheden dat er aanleiding bestaat om de afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden te herroepen. [minderjarige] verblijft inmiddels immers al in het gezinshuis.
Omdat de kinderrechter zal beslissen op het door de GI ingediende (gewijzigde) verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing bestaat er geen aanleiding om in het kader van dit spoedverzoek nog een beslissing te nemen over de uithuisplaatsing van [minderjarige] over de periode van 14 juli 2026 tot 16 juli 2026. Dit deel van het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5 De beslissing
De kinderrechter:
herroept de bij beschikking van 2 juli 2026 verleende (spoed) machtiging uithuisplaatsing betreffende de minderjarige [minderjarige] met ingang van 14 juli 2026 tot 16 juli 2026;
wijst het spoedverzoek voor zover het betrekking heeft op de periode van 14 juli 2026 tot 16 juli 2026 af.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.