Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7680Zaaknummer C/02/446653 FA RK 26/1663

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
25 september 2026
Zaaknummer
C/02/446653 FA RK 26/1663
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Grootmoeder voogd vanwege minderjarigheid moeder. Moeder nu belast met eenhoofdig gezag.

De rechtbank:

5.1

ontslaat [de grootmoeder (mz)], geboren op [geboortedag 2] 1968 te [geboorteplaats 2], als voogd over de [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1];

5.2

belast [de moeder], geboren op [geboortedag 3] 2005 te [geboorteplaats 1], met het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarige;

5.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

Deze beslissing is gegeven en mondeling uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers, als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/446653 FA RK 26/1663

datum uitspraak: 14 juli 2026

beschikking betreffende het gezag

in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. J.C.H. Treure (voorheen mr. J. Voorberg),

betreffende de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

[de grootmoeder (mz)]

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de grootmoeder moederszijde (mz).

De rechtbank merkt als informant aan:

[de vader],

wonende te [woonplaats 1].

hierna te noemen: de vader.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 26 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- de beschikking van 31 maart 2026 van de rechtbank Rotterdam (verwijzing naar rechtbank Zeeland-West-Brabant);

- de instemmingsverklaring van grootmoeder (mz) van 26 april 2026.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 14 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, grootmoeder (mz) en de vader. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

2 De feiten

2.1

Uit de affectieve relatie tussen de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.

2.2

Ten tijde van de geboorte van [minderjarige] was de moeder nog minderjarig en daardoor onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag. Om die reden is de grootmoeder (mz) benoemd tot voogdes over [minderjarige].

2.3

Tussen de moeder en de vader is sprake van een stabiele relatie. Ruim een jaar na de geboorte van [minderjarige] zijn zij samen gaan wonen en hebben zij naast [minderjarige] nog twee kinderen gekregen.

3 Het verzoek

3.1

De moeder verzoekt de rechtbank haar te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 1:253b, eerste, tweede en vijfde lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan in het geval de moeder ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, op het tijdstip dat de moeder bevoegd wordt tot het verkrijgen van gezag, verzoeken haar met het gezag over het kind te belasten. Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

4.2

De rechtbank is niet gebleken van gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek van de moeder de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd. Het eerste jaar na haar geboorte heeft de moeder met [minderjarige] ingewoond bij haar ouders, zodat zij kon wennen aan haar nieuwe rol als moeder waarbij zij ondersteund is door haar ouders. Na ruim een jaar is zij samen gaan wonen met de vader en hebben zij naast [minderjarige] nog twee kinderen gekregen. De grootmoeder (mz) heeft ook ingestemd met het verzoek van de moeder. De rechtbank acht het ook in het belang van [minderjarige] dat haar moeder met het ouderlijk gezag over haar wordt belast. De rechtbank zal het verzoek van de moeder op onderstaande wijze toewijzen.

4.3

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1

ontslaat [de grootmoeder (mz)], geboren op [geboortedag 2] 1968 te [geboorteplaats 2], als voogd over de [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1];

5.2

belast [de moeder], geboren op [geboortedag 3] 2005 te [geboorteplaats 1], met het ouderlijk gezag over voornoemde minderjarige;

5.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

Deze beslissing is gegeven en mondeling uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers, als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.