Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 augustus 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7672Zaaknummer 25/617

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Publicatiedatum
20 augustus 2026
Zaaknummer
25/617
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Damen, griffier, op 13 augustus 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Feiten
  4. Motivering
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.008 (de aanslag). Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 764 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

1.2.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, [inspecteur].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Als het beroep niet-ontvankelijk is, dan kan de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Daarna beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking niet naar te hoge bedragen heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 6 mei 2023 aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 gedaan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:

Inkomen
Inkomsten uit tegenwoordige arbeid€ 28.362
Inkomsten uit vroegere arbeid€ 11.646
Belastbaar inkomen uit werk en woning€ 40.008
3.1.

Op 23 juni 2023 heeft belanghebbende een herziene aangifte ingediend. Daarbij heeft hij – in afwijking van de aangifte – een restant persoonsgebonden aftrek (restant PGA) aangegeven van € 19.033. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 20.975[_af59f503-d3ee-4e4a-968f-e929e18d8b52].

3.2.

Belanghebbende heeft op 15 december 2024 een e-mailbericht gestuurd naar het

e-mailadres [emailadres]. Daarin staat – voor zover relevant – het volgende:

“Bij deze vraag ik u nog 1 keer om uw beslissing te herzien. Ik begrijp dat er regels zijn maar ik vind dat daar ook weleens van kan worden afgeweken. In mijn beroep als receptionist komen ook wel eens dingen voor die volgens de regels niet kunnen maar die ik toch doe om de gast tevreden te stellen om de gast voor de toekomst te houden. In het uiterste geval vraag ik u om misschien een deel te rekenen of mij in ieder geval een afbetalingsregeling te geven van 24 maanden.”

3.3.

De inspecteur heeft de aanslag in afwijking van de aangifte opgelegd. Daarbij heeft de inspecteur het restant PGA niet geaccepteerd. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (zie 1.1).

3.4.

Belanghebbende heeft in de jaren 2016, 2017 en 2018 niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek van respectievelijk € 7.280, € 7.210 en € 4.543. Deze bedragen zijn nadien niet verrekend omdat belanghebbende vanaf 2019 geen winst uit onderneming meer heeft genoten.

Motivering

Ontvankelijkheid beroep

4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.[_f610b31c-3b47-47d0-b786-80b068b5c0b7] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.[_3cfe0a9c-b29b-4815-8d6f-97b9a9a0ab68] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.[_6d83c71f-45ec-40fb-95cc-666c2bd8ba20] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.[_b60d18ed-6087-47cc-a896-15f9dd60834a] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.

4.1.

Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 20 december 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending daarvan later dan die datum heeft plaatsgevonden, belanghebbende betwist ontvangst daarvan ook niet. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is daarmee geëindigd op 1 februari 2025. Gelet op het verzendbewijs gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 30 januari 2025 op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus voor het einde van de termijn op de post gedaan en niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank ontvangen, namelijk op 3 februari 2025. Dit betekent dat het beroep tijdig is ingediend.

Is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en/ of motiveringsbeginsel?

4.2.

Belanghebbende voert aan dat hij de inspecteur op 15 december 2024 een

e-mailbericht heeft gestuurd (zie 3.2). De vermelding in de uitspraak op bezwaar dat belanghebbende niet op de berichten van de inspecteur heeft gereageerd, is dan ook onjuist. Belanghebbende stelt dat de inspecteur daardoor onvoldoende aandacht heeft besteed aan de door belanghebbende in bezwaar aangevoerde gronden.

4.3.

De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat het motiveringsbeginsel en/ of het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De rechtbank ziet dat belanghebbende zijn e-mailbericht heeft verzonden naar een verkeerd e-mailadres. Belanghebbende heeft een tikfout gemaakt en als gevolg daarvan heeft het e-mailbericht de inspecteur niet bereikt. Het is de rechtbank voorts onduidelijk gebleven wat maakt dat belanghebbende niet heeft gehandeld na het normaliter dan volgende bericht dat de verzending niet goed is gegaan. Hoe het ook zij, dit kan de inspecteur niet worden tegengeworpen. Van een schending van het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur, is dan ook geen sprake.

Niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek

4.4.

Op grond van de wet[_f41b54f5-3378-40fd-8972-0781208e1b13] geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Aan het urencriterium is voldaan als gedurende een kalenderjaar ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een onderneming worden besteed.[_673aa61f-f352-4d99-957e-c2864cf833c1] Op belanghebbende rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan het urencriterium is voldaan.

4.5.

Belanghebbende is van mening dat hij, als ex-zelfstandige privépersoon, recht heeft op aftrek van niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat belanghebbende geen onderneming (meer) drijft. Belanghebbende heeft daarom geen recht op zelfstandigenaftrek. De inspecteur heeft het bedrag van € 19.033 – dat belanghebbende in zijn aangifte heeft vermeld als restant PGA – terecht heeft gecorrigeerd tot nihil. De wet biedt geen basis voor de door belanghebbende geclaimde aftrekpost.

Belastingrente

4.7.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven.

5.1.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. Damen, griffier, op 13 augustus 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.