Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 augustus 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7578Zaaknummer BRE 26/1234

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 26/1234
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bezwaar NO; gegrond

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 6 januari 2026;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 12 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [plaats], eiser
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over verzet

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Marjanovic),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar. In het besluit van 6 januari 2026 (het bestreden besluit) is zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat verweerder van mening is dat er geen sprake is van een besluit.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming bestreden besluit

2. Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat hij een eigen onderneming heeft genaamd myStudentFinance. In het kader van deze onderneming verlenen internationale studenten aan hem een DigiD-machtiging, zodat eiser handelingen kan verrichten in Mijn DUO (het digitale portaal van verweerder). Eiser stelt dat de volmacht tevens de bevoegdheid bevat dat eiser zijn eigen contactgegevens en bankrekeningnummer tijdelijk kan registreren in het digitale portaal van zijn klanten. Doordat de eerste uitbetaling van studiefinanciering op de rekening van eiser wordt gestort, en niet op de rekening van zijn klant, kan eiser de overeengekomen ‘service fee’ berekenen.

2.1.

Op 26 augustus 2025 krijgen internationale studenten, die eiser gemachtigd hebben, van verweerder een brief dat verweerder reden heeft gevonden om de machtiging aan myStudentFinance in te trekken. Nadat eiser kennis heeft genomen van de brief, zoekt hij meerdere malen contact met verweerder. Naar aanleiding van dit contact krijgt eiser een brief. In de brief van 9 september 2025 staat dat verweerder een melding heeft ontvangen van een instelling over door haar geconstateerde patronen die kunnen duiden op frauduleuze activiteiten. Verweerder heeft geconcludeerd dat er mogelijk sprake is van oplichting en (gewoonte)witwassing. Verder staat in de brief dat verweerder aan Logius heeft verzocht om de nog actieve DigiD-machtigingen in te trekken en dat dit ook is gebeurd.

2.2.

Vervolgens heeft eiser een klacht ingediend bij verweerder over de ingetrokken machtigingen. In reactie op de klacht stelt verweerder in de e-mail van 18 september 2025 dat in de brief van 9 september 2025 ernstige bezwaren tegen eiser als houder van de DigiD-machtigingen kenbaar zijn gemaakt. Verweerder heeft uitgelegd dat verweerder op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb en artikel 18, eerste lid, onder b, van de Wet digitale overheid Logius heeft verzocht om de actieve DigiD-machtigingen in te trekken.

2.3.

Op 30 september 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van 9 september 2025. Verweerder heeft met het besluit van 6 januari 2026 het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt dat de brief van 9 september 2025 geen primair besluit is, omdat er in die brief geen beslissing is genomen over de rechten of verplichtingen van eiser.

De beroepsgronden en het verweer

3. Eiser stelt dat de brief van 9 september 2025 gelet op haar inhoud, strekking en gevolgen, wel kwalificeert als een besluit in de zin van art. 1:3 van de Awb. In combinatie met de e-mail van 18 september 2025 is de brief van 9 september 2025 namelijk gericht op het bewerkstelligen van een rechtsgevolg. Er is beoogd en gerealiseerd dat de bestaande bevoegdheid van eiser, om namens zijn klanten binnen het systeem van Mijn DUO op te treden, te beëindigen. Daarmee is de rechtspositie van eiser gewijzigd en is er dus sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uit de e-mail van 18 september 2025 blijkt dat het intrekken van de DigiD-machtigingen uitdrukkelijk is gebaseerd op wettelijke bevoegdheden. Hieruit volgt dat verweerder heeft gehandeld op basis van een wettelijke grondslag en een normatief juridisch oordeel heeft gegeven en niet slechts een feitelijke of technische handeling heeft verricht. Het expliciet noemen van de wetsbepaling bevestigt dat de handeling is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen, aldus eiser.

4. In het verweerschrift van 29 juni 2026 stelt verweerder dat de brief van 9 september 2025 geen besluit is en dat daarom de beroepsgronden van eiser geen doel treffen.

Heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?

5. Uit de artikelen 7:1 en artikel 8:1 van de Awb volgt dat een belanghebbende alleen bezwaar kan maken tegen een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat uitgelegd wat onder besluit wordt verstaan. Dit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is volgens de wetgever een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. Een beslissing heeft onder andere rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen.

5.1.

Een bestuursorgaan kan ingevolge artikel 2:2, eerste lid, van de Awb bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.

6. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat de brief van 9 september 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat het bezwaar daarmee niet-ontvankelijk is. Niet ter discussie staat dat verweerder een bestuursorgaan is.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser heeft geweigerd om als gemachtigde op te treden voor zijn klanten op grond van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb. De weigering betreft een publiekrechtelijk rechtsgevolg in de positie van eiser en zijn mogelijkheden om jegens verweerder op te treden als gemachtigde voor zijn klanten. Er is dus sprake van een rechtshandeling van publiekrechtelijke aard. De beslissing is door verweerder bij brief van 9 september 2025 op schrift gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 9 september 2025 van verweerder daarom een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat verweerder het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder alsnog een beslissing op het bezwaarschrift moet nemen.

7.1.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van een beroepschrift (met een waarde per punt van € 934,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,- .

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 6 januari 2026;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 12 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.