Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7445Zaaknummer C/02/449933 / JE RK 26-1169
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Publicatiedatum
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/449933 / JE RK 26-1169
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek machtiging uithuisplaatsing aangehouden om moeder de gelegenheid te geven met de kinderen terug te keren uit het buitenland en in gesprek te gaan met de kinderrechter en de GI.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende deel van het spoedverzoek af;
houdt het reguliere verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot de nadere zitting – met gesloten deuren – op [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Phillips), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
wijst de GI erop dat zij zorg dient te dragen voor een tolk voor de moeder en een tolk voor de vader;
vraagt de griffier om [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] bij separate brief uit te nodigen voor een kindgesprek op een dag en tijdstip gelegen vóór de zitting;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449933 / JE RK 26-1169
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 2],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 3],
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2021 in [geboorteplaats 3],
hierna te noemen [minderjarige 4].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld in Breda.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van 2 juli 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door een tolk in Syrische-Arabische taal;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4].
[minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verlengd tot 14 april 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
3 Het (resterende) verzoek
De Gl heef verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft verzocht hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het aansluitende verzoek van de GI om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten voor de periode van 16 juli 2026 en tot 14 april 2027, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
4 De standpunten
De GI handhaaft het reguliere verzoek, ondanks dat er sprake is van een complexe situatie doordat de moeder met de kinderen is vertrokken. Na het verlenen van de spoedmachtiging heeft de GI direct contact opgenomen met de autoriteiten, politie en recherche. Vermoed wordt dat de moeder met de kinderen naar het buitenland is gevlucht. Vrijdagavond is voor het eerst via videobellen contact geweest met de moeder, waarbij [minderjarige 1] voor haar moeder heeft getolkt. De moeder verklaarde dat zij met de kinderen in Syrië verblijft omdat haar moeder (de oma van de kinderen) ziek is geworden. Zij heeft hiervoor geen toestemming gevraagd, omdat zij wist dat deze niet zou worden verleend. De moeder gaf aan het niet eens te zijn met de uithuisplaatsing van de kinderen. Volgens [minderjarige 1] willen zij en [minderjarige 2] graag terug naar huis, naar hun vrienden en school. Nadien heeft de moeder via WhatsApp laten weten pas met de kinderen terug te keren als de uithuisplaatsing niet doorgaat. Zij verzoekt om eerst een maand de gelegenheid te krijgen om te laten zien dat zij verbetering kan laten zien. De GI vindt het risico te groot om de machtiging af te wijzen en de moeder een nieuwe kans te geven in de hoop dat zij met de kinderen terugkeert naar Nederland. Alle lopende zoekacties zijn gebaseerd op de verleende machtiging en komen te vervallen indien deze wordt afgewezen.
Namens de moeder is het volgende aangevoerd. De advocaat van de moeder heeft meerdere pogingen gedaan om contact met haar te krijgen, onder meer telefonisch en door een bezoek aan het woonadres, maar zonder succes. De deurbel van het huis was kapot en er lag ongeopende post op de deurmat. Een buurvrouw gaf aan dat de moeder en de kinderen waarschijnlijk enkele dagen geleden zijn vertrokken. Via de GI heeft de advocaat zojuist vernomen dat de moeder met de kinderen in Syrië verblijft, het niet eens is met het verzoek van de GI en graag nog een kans wil om verbetering te laten zien. De advocaat sluit zich hierbij aan en vindt, in tegenstelling tot de GI, de kans groot dat de moeder met de kinderen terugkeert naar Nederland wanneer zij nog een kans krijgt. Volgens de advocaat lijkt de (dreigende) uithuisplaatsing de aanleiding te zijn geweest voor hun vertrek. Zij benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat zij terugkeren naar Nederland.
Door de vader is het volgende aangegeven. De vader heeft geen toestemming gegeven voor het vertrek van de kinderen naar het buitenland. Inmiddels heeft hij contact gehad met de moeder en de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen graag terug naar huis. De vader weet niet waarom de moeder is vertrokken of wanneer zij van plan is terug te keren, omdat zij daar wisselend over verklaart. Ondanks de ontstane situatie kan de vader zich niet verenigen met het verzoek van de GI. Hij verzoekt om, zo nodig met inzet van hulpverlening, nog een kans te krijgen om de situatie te verbeteren. Daarbij geeft hij aan zijn verantwoordelijkheid te zullen nemen en erkent hij dat de moeder de zorg voor de vier kinderen alleen droeg, wat volgens hem een zware opgave is, mede omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de puberteit zijn.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter heeft bij beschikking van 2 juli 2026 een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Deze beslissing is genomen zonder eerst de belanghebbenden te horen. Vader, de vertegenwoordiger van de GI en de advocaat van de moeder zijn tijdens de zitting van 10 juli 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 2 juli 2026 moet worden herroepen. Integendeel: de vrees van de GI dat de moeder met de kinderen naar het buitenland zou vertrekken is werkelijkheid geworden. Gelet op de beslissing hierna over het reguliere verzoek tot verlenen van een machtiging uithuisplaatsing, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek voor een spoedmachtiging afwijzen.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het reguliere verzoek. De kinderrechter stelt voorop dat de situatie zeer zorgelijk is. De moeder is zonder toestemming met de kinderen naar het buitenland vertrokken, terwijl er ernstige zorgen bestonden over hun ontwikkeling en veiligheid. Tegelijkertijd heeft de moeder laten weten dat zij met de kinderen wil terugkeren naar Nederland als de uithuisplaatsing niet doorgaat. Ook de vader heeft aangegeven dat hij zijn verantwoordelijkheid wil gaan nemen en, als het nodig is, met hulpverlening wil werken aan een veilige opvoedsituatie voor de kinderen. Omdat een uithuisplaatsing een ingrijpende maatregel is, wil de kinderrechter de ouders nog één laatste kans geven om te laten zien dat zij serieus aan de slag zullen gaan om de bestaande zorgen weg te nemen.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat de moeder niet wegblijft met de kinderen, maar terugkomt naar Nederland en het gesprek aangaat met de GI. Wegvluchten lost de problemen en de zorgen niet op. Alleen door met elkaar in gesprek te blijven en samen te werken kan worden gekeken wat nodig is om de kinderen veilig thuis te laten opgroeien. Dat is uiteindelijk waar het om gaat. De kinderrechter gaat ervan uit dat ook de ouders willen dat de kinderen veilig kunnen opgroeien en zich goed kunnen ontwikkelen.
De kinderrechter houdt de beslissing over de uithuisplaatsing daarom in zijn geheel aan. De kinderrechter bepaalt de nieuwe zitting op [datum] 2026 om [uur].
De moeder krijgt de gelegenheid om met de kinderen terug te keren naar Nederland, zodat de situatie opnieuw kan worden besproken en er gekeken kan worden wat de moeder en de vader nodig hebben om de kinderen veilig thuis te laten opgroeien. Van de moeder wordt verwacht dat zij op korte termijn terugkeert en volledig meewerkt aan wat nodig is.
Overig
Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zal de kinderrechter hun uitnodigen voor een zogenoemd ‘kindgesprek’, zodat zij hun mening over het verzoek kunnen geven. De kinderrechter geeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] alvast mee dat zij niet hoeven te komen als zij dat niet willen. Het is ook mogelijk is om de kinderrechter een brief te schrijven of om geen mening te geven.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het resterende deel van het spoedverzoek af;
houdt het reguliere verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, gezingsgerichte voorziening of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot de nadere zitting – met gesloten deuren – op [datum] 2026 om [uur] bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (mr. Phillips), in het gerechtsgebouw gelegen aan de Stationslaan 10, 4815 GW te Breda;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de vader en de GI;
wijst de GI erop dat zij zorg dient te dragen voor een tolk voor de moeder en een tolk voor de vader;
vraagt de griffier om [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] bij separate brief uit te nodigen voor een kindgesprek op een dag en tijdstip gelegen vóór de zitting;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
| Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.