Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:7416Zaaknummer C/02/439239 / JE RK 25-1566

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/02/439239 / JE RK 25-1566
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verl. MUHP

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Feiten en verdere procesverloop
  2. 2 Het resterende verzoek
  3. 3 De nadere standpunten
  4. 4 De verdere beoordeling
  5. 5 De nadere beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/439239 / JE RK 25-1566

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI);

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

en

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. M.W.M. van Asseldonk te Schijndel,

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat mr. N.A.H. Limbourg te Breda.

1 Feiten en verdere procesverloop

1.1.

Deze ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is laatstelijk bij beschikking van 10 oktober 2025 verlengd tot 11 oktober 2026.

1.2.

Bij diezelfde beschikking van 10 oktober 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie verlengd tot 11 juli 2026. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op basis van deze machtiging in een gezinshuis. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot 28 mei 2026 PRO FORMA in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek.

1.3.

De kinderrechter neemt naast de beschikking van 10 oktober 2025 en alle daarbij behorende stukken de volgende stukken mee in de verdere beoordeling van het verzoek:

  • het updateverslag met bijlagen van de GI van 28 mei 2026, binnengekomen bij de griffie op 29 mei 2026;
  • de schriftelijke reactie van mr. Van Limbourg van 8 juni 2026;
  • de schriftelijke reactie van mr. Van Asseldonk van 10 juni 2026;
  • de aanvullende stukken van de GI, binnengekomen bij de griffie op 25 juni 2026;
  • de door mr. Limbourg overgelegde stukken, binnengekomen bij de griffie op 3 juli 2026.
1.4.

Op 9 juli 2026 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat.

1.5.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 Het resterende verzoek

2.1.

Aan de orde is het resterende deel van het verzoek van de GI om de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met ingang van 11 juli 2026 tot 11 oktober 2026 en om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3 De nadere standpunten

3.1.

Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de Gezinsmanager sinds mei 2026 een aanvang heeft gemaakt met het perspectiefonderzoek (ook wel gezinsonderzoek). Dit onderzoek bestaat uit een kindonderzoek, systeemonderzoek en interactieonderzoek. De GI beoogt hiermee nog steeds een samenhangend beeld van alle aspecten in kaart te kunnen brengen hetgeen nodig is voordat kan worden beoordeeld of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (deels) terug thuis kunnen worden geplaatst. Het perspectiefonderzoek is het meest betrouwbaar als dit wordt afgenomen in een situatie van rust. Het is dan ook belangrijk dat de kinderen tijdens het perspectiefonderzoek blijven wonen in het gezinshuis met de daarbij behorende structuur. Het is de verwachting dat de eindgesprekken van het perspectiefonderzoek omstreeks 18 augustus 2026 plaatsvinden. Er worden en zijn geen tussentijdse bevindingen gedeeld. De GI handhaaft gelet op deze stand van zaken haar verzoek.

Door de GI is aanvullend nog naar voren gebracht dat de omgang met beide ouders de afgelopen periode is uitgebreid en ook goed verloopt. De moeder heeft positieve stappen gezet tijdens de omgang en verplaatst zich in de belangen van de kinderen. Zij accepteert persoonlijke hulpverlening. De vader strijdt voor de kinderen en kan hierbij emotioneel worden. Het lukt hem om daar op een later moment zijn excuses voor aan te bieden. Binnen de huidige omgang tussen de ouders en de kinderen zal er – afhankelijk van het perspectiefonderzoek – ook meer aandacht moeten komen voor de afzonderlijke ouderrollen met bijbehorende verantwoordelijkheden. De GI wenst de komende periode alvast in te zetten op ouderschapsbemiddeling. Zij vindt het belangrijk dat er eerst weer eens contact komt tussen de ouders. De Gezinsmanager denkt hier anders over en wil het perspectiefonderzoek afwachten, maar de GI hecht eraan dat beide ouders hebben aangegeven open te staan voor ouderschapsbemiddeling en het perspectiefonderzoek een concrete vorm heeft gekregen. Ouders daarom aangemeld voor ouderschapsbemiddeling, maar het is vooralsnog onbekend wanneer hiermee kan worden gestart.

3.2.

Door en namens de moeder wordt naar voren gebracht dat zij kan instemmen met het verzoek. De moeder heeft de kinderen het allerliefst dicht bij haar, maar zij ziet in dat het in het belang van de kinderen is dat de resultaten van het perspectiefonderzoek worden afgewacht.

3.3.

Door en namens de vader wordt naar voren gebracht dat hij begrijpt dat de kinderen niet zomaar terug bij hem kunnen worden geplaatst zolang het perspectiefonderzoek nog niet is afgerond. De vader verzet zich wel tegen hoe de afgelopen twee jaar is verlopen. Een uithuisplaatsing is een tijdelijke maatregel om te onderzoeken wat er nodig is om terug te werken naar een thuisplaatsing bij een van de ouders. Dat is niet, althans niet voortvarend, gebeurd. De kinderen zijn al twee jaar uit huis en al die tijd ziet hij de kinderen zeer beperkt. De GI zet onvoldoende stappen en de omgang wordt, ondanks de beschikking van het Hof, niet uitgebreid. De vader is hiervoor een klachtenprocedure gestart. Het steekt de vader bovendien dat hem wordt verweten dat hij ervoor heeft gezorgd dat er sprake is van een loyaliteitsconflict bij de kinderen. De vader wil al langere tijd in gesprek met de moeder. De gesprekken kunnen plaatsvinden, omdat de strijdbijl tussen de ouders enigszins is begraven. De vader mist de kinderen en hoopt dat zij snel naar huis komen.

4 De verdere beoordeling

4.1.

De kinderrechter is gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat aan de gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt voldaan.[_aff8405f-b1a8-4e5a-9665-2731a13575bb] Zij overweegt daartoe in de eerste plaats dat de ondertoezichtstelling en de reeds verleende machtiging uithuisplaatsing zijn gegrond op de zorgen over loyaliteit van beide kinderen in het echtscheidingsprobleem van de ouders en de daaruit voortkomende spanningen. Daarnaast zijn de zorgen over eerder huiselijk geweld en mogelijke kindermishandeling en/of misbruik en de invloed hiervan op de kinderen nog niet nader verklaard en geduid. Gelet op de complexiteit van de situatie dient er gedegen onderzoek te worden gedaan om te bezien of en hoe een thuisplaatsing bij een van de ouders in het belang van de kinderen is. Dit gebeurt momenteel in het perspectiefonderzoek door de Gezinsmanager. Nu dit traject nog niet volledig is afgerond is het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het gezinshuis blijven wonen totdat er meer duidelijkheid is. Daarmee wordt gewaarborgd dat het onderzoek vanuit een stabiele situatie kan worden afgerond. De kinderrechter heeft zich ervan vergewist dat beide ouders het belang inzien om het perspectiefonderzoek af te wachten en kunnen instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

4.2.

De kinderrechter zal het resterende gedeelte van het verzoek toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen met ingang van 11 juli 2026 tot 11 oktober 2026.

4.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De nadere beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 11 juli 2026 tot 11 oktober 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.