Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:7405Zaaknummer C/02/448500 / KG ZA 26-263
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Publicatiedatum
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- C/02/448500 / KG ZA 26-263
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Kort geding, Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
KG: omgangsregeling, uitsluitend gebruik woning en doorverwijzing UHA.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022,en
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018
gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:
o in de maand juli 2026 op dinsdag van 15:00 uur tot 17:00 uur en op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur, beide dagen onder begeleiding van de vrouw of een derde; en
o vanaf augustus 2026 op dinsdag van 15:00 uur tot 18:00 uur en op zaterdag van 11:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de minderjarigen bij de man eten;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning aan het [adres] te [woonplaats] alsmede tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel met het bevel dat de vrouw de woning niet mag betreden totdat in de bodemprocedure is beslist;
verwijst ouders, en vooralsnog [minderjarige 1] èn [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om op 5 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.21 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448500 / KG ZA 26-263
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Krijnen te Waalwijk,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie;
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Czarnota te Oosterhout.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 0 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 6;
- de brief van 24 juni 2026 met producties 11 tot en met 16 van mr. Krijnen;
- de brief van 25 juni 2026 met bijlage van mr. Czarnota.
De zaak is besproken op de zitting van 25 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad).
De voorzieningenrechter heeft per e-mail (als productie 17) van de man video-opnames ontvangen. Aan de zijde van de vrouw zijn per e-mail twee audiobestanden ingediend. Zoals ter zitting aangegeven, heeft de voorzieningenrechter van deze bestanden geen kennis genomen, mede gelet op de aard van de procedure. Deze worden/zijn niet bij de beoordeling betrokken.
2 De feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
- zij hebben een affectieve relatie met elkaar gehad;
- zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind: [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 (hierna [minderjarige 1] ).
De man heeft [minderjarige 1] erkend. De vrouw oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] uit;
- de vrouw heeft uit een eerdere relatie nog een minderjarig kind: [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018 (hierna [minderjarige 2] ). De vrouw oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] uit.
3 Het geschil
De man vordert nu, samengevat:
ten aanzien van [minderjarige 1]:
I. zo lang zij nog niet naar school gaat of totdat in de bodemprocedure is beslist, te bepalen dat zij de ene week van maandag 12:00 uur tot woensdag 10:00 uur alsmede van vrijdag 14:30 uur tot maandag 12:00 uur bij de man verblijft en in de andere week van maandag 12:00 uur tot woensdag 10:00 uur, waarbij de man [minderjarige 1] bij de vrouw ophaalt en de vrouw [minderjarige 1] weer ophaalt bij de man;
II. vanaf het moment waarop zij naar school gaat of totdat in de bodemprocedure is beslist, te bepalen dat zij iedere week van maandag na school tot woensdag voor school bij de man verblijft alsmede om het weekend van vrijdag na school tot maandag voor school;
ten aanzien van [minderjarige 2]:
III. te bepalen dat zij om het weekend van vrijdag na school tot zondagochtend 11:00 uur bij de man verblijft;
ten aanzien van de huurwoning:
IV. te bepalen dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning aan [adres] te [woonplaats] en tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel, met bevel dat de vrouw de woning niet mag betreden;
V. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man. De vrouw vordert in reconventie, samengevat:
I. een begeleide omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] op een vaste dag in de week voor maximaal 3 uur, althans een begeleide omgangsregeling zoals de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
II. te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de huurwoning aan [adres] te [woonplaats] en tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel, met bevel dat de man de woning binnen één week na het vonnis moet verlaten, met medeneming van zijn persoonlijke spullen en de vrouw te machtigen dit uit te voeren met de sterke man, althans binnen een termijn als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Het spoedeisend belang
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat sprake is van spoedeisend belang. Partijen stellen allebei een spoedeisend belang te hebben bij hun vorderingen en dit is over en weer niet weersproken. Dit laat onverlet dat de voorzieningenrechter daarin een eigen afweging moet maken.
Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken op de zitting is gebleken dat het de man en de vrouw niet lukt om afspraken te maken over een passende omgangsregeling tussen de man en de kinderen. Op dit moment heeft de man met beide kinderen twee uur per week contact. Tussen partijen staat op zich niet ter discussie dat er een uitbreiding van de omgangsregeling moet komen, maar zij zijn het niet eens over met wie, hoe die er dan uit moet komen te zien en onder welke voorwaarden. Het is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het belang van [minderjarige 1], en mogelijk ook van [minderjarige 2] (waarover hierna meer), dat zij op structurele basis omgang hebben met de man zodat op die manier de hechtingsrelatie tussen de man en [minderjarige 1], en mogelijk ook van [minderjarige 2], verder kan worden uitgebouwd. In het voorgaande ligt het spoedeisende karakter van de vorderingen van partijen besloten.
Inhoudelijke beoordeling
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt de man het volgende. Eind maart 2026 is de vrouw, zonder overleg, samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar haar moeder vertrokken. Begin april 2026 heeft de man met de vrouw geprobeerd afspraken te maken over de omgang met beide kinderen. De vrouw heeft daarbij toen richting de man onder meer aangegeven dat zij vanwege haar eigen veiligheid uit de woning was vertrokken en dat er alleen sprake kon zijn van een omgangsregeling waarbij de man en de kinderen elkaar enkele uren zouden zien onder begeleiding van de vrouw; hij kon de kinderen zien bij de kinderboerderij/ [speeltuin]. Hoewel de man dit minimaal vond en gelijkenissen zag in de situatie tussen [minderjarige 2] en haar vader (waarbij de vrouw alles bepaalde), heeft hij hiermee ingestemd en deze regeling wordt nu uitgevoerd. Volgens de man bestaat er bij de vrouw de angst dat hij met de kinderen naar Spanje vertrekt. De man is evenwel geenszins van plan om naar Spanje te gaan. Hij wil tot een co-ouderschap komen. De man ziet de kinderen nu nog steeds slechts enkele uren per week onder begeleiding van de vrouw en dat is te weinig. Daarbij is begeleiding door haar of wie dan ook, niet nodig. Partijen hebben behoorlijke communicatieproblemen, maar ook dat is geen reden om het contact met de kinderen dermate te beperken. Dit is allemaal niet in hun belang. Er zijn geen contra-indicaties om de omgang uit te breiden. Wel acht de man een hulpverleningstraject van belang, zodat gewerkt kan worden aan de verbetering van de onderlinge communicatie. Ter zitting heeft de man hieraan toegevoegd dat hij begrijpt dat de omgang zoals verzocht niet ineens kan worden uitgevoerd, en dat deze moet worden opgebouwd. Het liefste zou hij uiteindelijk uitkomen bij een zogenoemde ‘birdnesting’regeling. Ten aanzien van [minderjarige 2] voegt de man hier nog aan toe dat, anders dan de vrouw aanvoert, tussen hem en haar sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Hij heeft haar gedurende vijf jaar mee opgevoed, maakte al die tijd onderdeel uit van het gezin van partijen en hij ziet haar als zijn eigen dochter. De man wordt niet op de hoogte gehouden over het welzijn van de kinderen, ondanks zijn verzoek daartoe. Het gaat op dit moment verder goed met hem. Hij heeft wekelijks een afspraak bij zijn psychiater, waar hij veel baat bij heeft. Hij slikt geen medicatie en zal specialistische geestelijke gezondheidszorg gaan ontvangen. Ook de psychiater van de man maakt zich zorgen over het ontbreken van een ‘normale’ omgangsregeling, zodat zij een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis.
Ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning stelt de man dat de vrouw sinds maart 2026 bij haar moeder verblijft. Daar heeft zij, voor de relatie van partijen, ook tien jaar lang gewoond en daar is voldoende ruimte. Bij een gelijkwaardige verdeling van de zorg voor [minderjarige 1], is het van belang dat de kinderen bij beide ouders een fijne plek hebben. De man kan echter nergens anders heen: een deel van zijn familie is geëmigreerd naar Spanje of woont te ver, dus de woning is erg belangrijk voor hem. Hij heeft verder ook geen vast netwerk om zich heen. De man heeft bovendien voldoende financiële middelen voor de betaling van de huur. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij het gebruik van de woning.
De vrouw voert als verweer en ter onderbouwing van haar reconventionele vorderingen het volgende aan. Zij heeft er altijd voor gezorgd dat de man de kinderen kon blijven zien, ondanks dat het veel van haarzelf vergde en zij haar bedenkingen had en heeft. De man heeft namelijk meermaals aangegeven naar Spanje te willen emigreren; zij is bang dat hij de kinderen meeneemt. Ook is de vrouw bang dat de kinderen de man overvragen, waardoor hij de zorg niet goed aan kan. De man heeft in het verleden namelijk minimaal voor de kinderen gezorgd en hij heeft volgens de vrouw psychische problemen. Zij heeft uiteindelijk een vast begeleid omgangsmoment bij de kinderboerderij voorgesteld, omdat de man haar veel berichten bleef sturen. Tijdens deze omgangsmomenten ziet zij echter weinig initiatief van de zijde van de man. Zij begrijpt dat de huidige omgangsregeling met [minderjarige 1] beperkt is, maar volgens haar moet het stapsgewijs worden uitgebreid. Daarbij vindt de vrouw het belangrijk dat de omgang blijvend wordt begeleid door een derde of door haarzelf. Ten aanzien van [minderjarige 2] merkt de vrouw op te twijfelen of de man haar inderdaad als zijn eigen dochter ziet. Hij heeft tijdens de relatie vaak aangegeven dat hij vindt dat zijn band met haar niet zo goed is. Bovendien heeft [minderjarige 2] al een regeling met haar biologische vader die, vanwege de problematiek van haar biologische vader en trauma’s van [minderjarige 2], in overleg onder begeleiding plaatsvindt. Een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 2] lijkt dan ook te veel, zodat de vordering van de man op dit punt moet worden afgewezen. Tenslotte heeft de vrouw opgemerkt dat zij voor zichzelf hulp krijgt van een praktijkondersteuner en dat zij voor de kinderen is verwezen naar verdere hulpverlening
( “ [therapeut] ”).
Ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning is de vrouw het met de man eens dat zij niet meer samen in de woning kunnen verblijven. De vrouw probeerde aan het eind van de relatie al zoveel mogelijk buitenshuis te zijn, omdat het met de man in de woning onleefbaar was en communicatie niet mogelijk was. Zij heeft echter meer belang bij de woning, omdat zij de zorg heeft voor de kinderen. Zij verblijft nu bij haar moeder, in een kamer waarbij de vrouw en kinderen in één bed slapen. De moeder van de vrouw is op leeftijd en het huis is niet ingericht voor kleine kinderen. De man daarentegen heeft voldoende alternatieven: hij heeft in ieder geval één vriend die alleen woont. Ook heeft hij voldoende tantes, ooms, neven en nichten waar hij terecht kan.
De Raad heeft ter zitting aangegeven dat het in het belang van [minderjarige 1] èn [minderjarige 2] is dat sprake is van een omgangsregeling met de man. De man is vijf jaar lang (mede) opvoeder geweest van [minderjarige 2], zodat sprake is van “family life”. Het zou voor haar ook onbegrijpelijk/onwenselijk zijn als ze nu in een keer de man niet meer zou zien. De begeleide omgang kan voor nu nog even worden gecontinueerd om de vrouw zo meer vertrouwen te geven, maar een uitbreiding daarvan zonder begeleiding is wel op zijn plaats. Ook adviseert de Raad een hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA) omdat de communicatie tussen partijen echt moet verbeteren.
Na een toelichting van partijen op hun vorderingen is de zitting geschorst voor overleg. Het is partijen niet gelukt overeenstemming te bereiken over (een uitbreiding van) de omgang en het uitsluitend gebruik van de woning, zodat de voorzieningenrechter daarover zal beslissen.
Vorderingen I. tot en met III. van de man in conventie en de reconventionele vordering I. van de vrouw: de omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een minderjarige recht op omgang met degene die een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De term 'nauwe persoonlijke betrekking' wordt, krachtens de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ingevuld met het begrip 'family life' uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM). Personen die niet in een familierechtelijke verwantschapsrelatie tot het kind staan, zullen naar vaste jurisprudentie bijkomende omstandigheden moeten stellen waaruit voortvloeit dat er tussen hen en het kind een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a lid 1 BW bestaat of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM.
Voorop gesteld wordt dat niet in geschil is dat de man in nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige 1] staat. Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Als onweersproken staat vast dat [minderjarige 2] vijf jaar lang tot het gezin van partijen behoorde, dat de man in die tijd met haar in gezinsverband heeft samengewoond en daarmee een rol in een groot deel van haar leven heeft gespeeld. Ook staat vast dat na het uiteengaan van partijen al enige tijd omgang tussen de man en [minderjarige 2] is geweest. Dat de vrouw nu aan de gezinssituatie van partijen een andere kleuring geeft, neemt niet weg dat er, bezien vanuit de man en met name ook vanuit [minderjarige 2], naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen haar en de man zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
De voorzieningenrechter stelt wel vast dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen inmiddels grondig is verstoord. De (kennelijk nu aanwezige) weerstand van de vrouw om de man toe te laten in het leven van [minderjarige 2] en het feit dat het partijen op dit moment nog niet is gelukt de onderlinge communicatie te verbeteren, kan echter geen grond zijn om de man en [minderjarige 2] op voorhand hun recht op contact met elkaar te verbieden. Onvoldoende is onderbouwd dat contact ernstig nadeel zal opleveren voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] of dat contact anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van haar. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook betrokken dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is om haar op dit moment in een uitzonderlijke situatie binnen het gezin te plaatsen (waarin zij, anders dan [minderjarige 1], geen omgang meer heeft met de man), [minderjarige 2] is er niet bij gebaat dat het contact met de man (nu ineens) ingrijpend wordt gewijzigd.
Op dit moment is sprake van omgang tussen de man, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende twee uur op dinsdagmiddag onder begeleiding van de vrouw. Dit acht de voorzieningenrechter, zoals ook de Raad tijdens de zitting heeft aangegeven, te beperkt. De omgangsregeling moet worden uitgebreid. Daarbij is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de aangevoerde omstandigheden, er geen aanleiding is om het contact op de langere termijn alleen begeleid te laten plaatsvinden.
De voorzieningenrechter zal aldus beslissen dat in de maand juli 2026 de omgang nog plaatsvindt onder begeleiding. Voor die maand beslist de voorzieningenrechter dat er omgang met beide kinderen zal zijn op dinsdag van 15:00 uur tot 17:00 uur en op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur. De voorzieningenrechter laat het aan partijen om te overleggen/af te spreken wie de begeleiding op zich zal nemen. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat [hulpverlening] en [therapeut] eventueel daarvoor betrokken kunnen worden.
Vanaf augustus 2026 zal de omgang onbegeleid zijn, en wel op dinsdag van 15:00 uur tot 18:00 uur en op zaterdag van 11:00 uur tot 18:00 uur, waarbij geldt dat de kinderen op beide dagen bij de man zullen avondeten. De voorzieningenrechter heeft bij deze omgangsregeling, die in het belang van de kinderen wordt geacht, betrokken de wekelijkse verplichtingen die partijen hebben en de contactregeling die [minderjarige 2] heeft met haar biologische vader. Een mogelijke verdere uitbreiding/wijziging van de omgang kunnen partijen in het kader van het hulpverleningstraject (waarover later meer) bespreken. Daarom zal voor nu ook geen onderscheid worden gemaakt in de situatie dat [minderjarige 1] niet/wel naar school gaat.
Doorverwijzing UHA
Na toelichting van partijen van hun vorderingen en een schorsing van de zitting hebben partijen aangegeven open te staan voor het UHA om te bekijken hoe de onderlinge communicatie kan worden verbeterd en hoe zij meer vertrouwen in elkaar kunnen krijgen.
De voorzieningenrechter vindt het, net als de Raad, nodig dat voor deze ouders en vooralsnog ook voor beide kinderen, een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is voldoende gebleken dat de verstandhouding en communicatie tussen partijen dringend verbetering behoeft en dat er zorgen zijn. Zo heeft zowel de hulpverlener van de man als de hulpverlener van de vrouw melding gedaan bij Veilig Thuis. Het lukt ouders vanwege de verstoorde verstandhouding tussen hen beide onvoldoende om het ouderschap vorm te geven. Dat moet veranderen. Tijdens de zitting is door partijen naar voren gebracht zij daarbij niet alleen gaan werken aan de verbetering van de communicatie en het bespreken van de verdere omgang, maar dat ook onderwerp van gesprek is het mogelijk gezamenlijk gezag dat de man wenst te krijgen over [minderjarige 1]. Dit laatste is evenwel geen onderdeel van het geschil tussen partijen in dit kort geding.
Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de voorzieningenrechter hen en vooralsnog beide kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 26 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de voorzieningenrechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: lichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van zes maanden aangehouden.Gelet hierop verzoekt de voorzieningenrechter het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het (de) kind(eren).
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de voorzieningenrechter het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de voorzieningenrechter de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?
Dit vonnis is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van veertien dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Vordering IV. van de man in conventie en de reconventionele vordering II. van de vrouw: het uitsluitend gebruik van de woning
Vast staat dat beide partijen staan ingeschreven bij de woningbouwvereniging met dezelfde inschrijfduur. Hoewel beide partijen naar andere woonruimte hebben gekeken, hebben zij die nog niet gevonden. Bij de beoordeling van de vorderingen aangaande het uitsluitend gebruik van de woning dient een belangenafweging te worden gemaakt. De voorzieningenrechter is daarbij van oordeel dat het belang van de man bij het uitsluitend gebruik van de woning op dit moment zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat, zoals hiervoor is overwogen, het van belang is dat de omgang tussen de man, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gecontinueerd wordt en verder uitgebreid. Voor de uitbreiding van de omgang (in ieder geval bij de regeling zonder begeleiding) is het echter noodzakelijk dat de man beschikt over eigen woonruimte. De man heeft in dat kader voldoende toegelicht en onderbouwd dat hij op dit moment geen alternatieven heeft. Dit alles zou dan kunnen betekenen, als de man de woning zou moeten verlaten, dat de omgang van de man met de kinderen niet kan worden uitgevoerd of ernstig wordt bemoeilijkt. Dat is niet in het belang van de kinderen. Daarnaast is gebleken dat de vrouw, hoewel niet optimaal, met haar kinderen bij haar moeder verblijft. Onweersproken staat daarbij verder vast dat zij al eerder voor een langere periode bij haar moeder heeft verbleven. Waarom dit nu dan, anders dan voorheen, een probleem zou zijn is niet voldoende duidelijk geworden. Tevens is niet komen vast te staan dat zij per direct weg moet bij haar moeder. Gelet op al het voorgaande zal de vordering van de man tot het (voorlopig) uitsluitend gebruik van de woning worden toegewezen, onder afwijzing van de reconventionele vordering van de vrouw.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de minderjarigen
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022,en
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018
gerechtigd zijn tot omgang met elkaar:
o in de maand juli 2026 op dinsdag van 15:00 uur tot 17:00 uur en op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur, beide dagen onder begeleiding van de vrouw of een derde; en
o vanaf augustus 2026 op dinsdag van 15:00 uur tot 18:00 uur en op zaterdag van 11:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de minderjarigen bij de man eten;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning aan het [adres] te [woonplaats] alsmede tot het gebruik van de daartoe behorende inboedel met het bevel dat de vrouw de woning niet mag betreden totdat in de bodemprocedure is beslist;
verwijst ouders, en vooralsnog [minderjarige 1] èn [minderjarige 2] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om op 5 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaaknummer C/02/449695 FA RK 23-3288 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.21 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Haerkens-Wouters en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.