Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6951Zaaknummer BRE 26/1919

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
6 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 26/1919
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Weigering Verklaring Omtrent het Gedrag. Ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1919

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om hem een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te verlenen voor de functie van rijinstructeur WRM[_39f1cf01-4479-497b-8779-8f1f170f0ab0] bij [bedrijf] in [plaats].

1.1.

De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 7 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de staatssecretaris mr. T.C. Tesselhof.

1.4.

Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de weigering van de staatssecretaris om aan eiser een VOG te verlenen voor het volgen van de opleiding tot rijinstructeur. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

2.1.

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2.2.

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een VOG gelden, indien op naam van de aanvrager justitiële gegevens zijn geregistreerd (oftewel hij een strafblad heeft), twee criteria: het objectieve criterium en het subjectieve criterium.

2.3.

Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of de strafbare feiten, als die zouden worden herhaald, een risico opleveren in de functie die betrokkene wil gaan uitoefenen. Dat aan dit objectieve criterium is voldaan, is niet in geschil. Op eisers strafblad zijn binnen de terugkijktermijn van vijf jaar een verkeersfeit en een drugsfeit geregistreerd, en deze feiten zijn niet te verenigen met de functie van rijinstructeur.

2.4.

Het gaat bij eiser met name om de beoordeling van het subjectieve criterium. Daarbij gaat het om de vraag of in het concrete geval gelet op de omstandigheden, ondanks het objectieve risico, toch een VOG zou moeten worden afgegeven. Daarbij moet de staatssecretaris een belangenafweging maken, die de rechtbank alleen terughoudend mag toetsen.

2.5.

Eiser heeft sinds het laatste contact met justitie (31 oktober 2023) een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt. Dat zien de staatssecretaris en de rechtbank ook. De rechtbank vindt deze ontwikkeling lovenswaardig.

De staatssecretaris wijst echter op het algemene belang van de verkeersveiligheid en dat belang weegt ook heel zwaar. De rechtbank toetst het besluit van de staatssecretaris terughoudend en is van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft mogen oordelen dat het tijdsverloop sinds de strafbare feiten nog te kort is om nu een VOG te verlenen. Daarom zal de rechtbank het besluit in stand laten en het beroep ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot weigering van de VOG in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier.

griffierrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.