Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6825Zaaknummer BRE 26/1259

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
6 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 26/1259
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met 100% voor de periode van een maand, omdat eiser door eigen toedoen zijn arbeid niet heeft behouden. Artikel 18 PW.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1259 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. de Glopper),

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het toekennen van een bijstandsuitkering met een verlaging van 100% voor een periode van een maand. Eiser is het niet eens met de verlaging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde maatregel.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd bij Orionis. Orionis heeft de uitkering met het besluit van 11 november 2025 toegekend vanaf 27 oktober 2025, en daarbij de bijstand verlaagd met 100% voor een periode van een maand.

2.1.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 8 januari 2026 op het bezwaar van eiser is Orionis bij het besluit tot verlaging van de bijstand gebleven.

2.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Orionis heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Nijssen, waarnemer van de gemachtigde van eiser, en namens Orionis [gemachtigde].

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser was vanaf 30 april 2025 op basis van een uitzendovereenkomst in dienst van een uitzendorganisatie en werkte bij een opdrachtgever. Eiser is op 10 oktober 2025 op zijn werk verschenen, terwijl hij alcohol heeft genuttigd voor aanvang van zijn dienst. De opdrachtgever heeft eiser gesommeerd te vertrekken nadat hij een alcohollucht rook. Dit heeft eiser telefonisch aan de uitzendorganisatie bevestigd. De uitzendovereenkomst is om die reden beëindigd. Eiser heeft geen WW-uitkering van het UWV gekregen vanwege verwijtbare werkloosheid.

4. Orionis heeft de bijstandsuitkering van eiser voor de periode van een maand verlaagd, omdat eiser onder invloed van alcohol op zijn werk is verschenen en zijn uitzendovereenkomst is beëindigd. Hiermee heeft eiser door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden en dit is in strijd met artikel 18, vierde lid, van de PW.

5. De rechtbank stelt vast dat eisers beroepsgronden hetzelfde zijn als zijn bezwaargronden. In het bestreden besluit is Orionis gemotiveerd op die bezwaargronden ingegaan. Van eiser mag verwacht worden dat hij in beroep aangeeft waarom het bestreden besluit geen stand kan houden. Eiser heeft dit niet gedaan. Ook ter zitting zijn de beroepsgronden niet nader toegelicht. De rechtbank zal om die reden slechts kort ingaan op wat er in bezwaar dan wel in beroep is aangevoerd.

Heeft Orionis aannemelijk gemaakt dat eiser door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden?

6. Eiser betwist dat hij onder invloed arbeid heeft verricht en voert aan dat de beëindiging van zijn uitzendovereenkomst onrechtmatig is. Orionis had hier volgens eiser rekening mee moeten houden.

6.1.

Orionis heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat eiser een uitzendovereenkomst had, maar dat deze per direct is beëindigd omdat eiser onder invloed van alcohol op zijn werk is verschenen. Zijn leidinggevende heeft hem gesommeerd om weg te gaan omdat hij een alcohollucht rook, maar eiser wilde zelf wel gewoon aan het werk gaan. De uitzendorganisatie heeft vervolgens de uitzendovereenkomst beëindigd. De rechtbank volgt Orionis in het standpunt dat eiser hiermee door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Orionis mocht uitgaan van wat in de brief over het verwijtbaar wegvallen van de opdracht is weergegeven. Eiser heeft in het bezwaarschrift bovendien bevestigd dat hij onderweg naar zijn werk 'een paar biertjes heeft genuttigd'. Dat hij daarna alsnog naar zijn werk is gegaan, toont aan dat hij het voornemen had om onder invloed te gaan werken.

6.2.

De vraag of eiser daadwerkelijk onder invloed arbeid heeft verricht is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang. Omdat eisers gedrag voor de werkgever voldoende reden vormde om de uitzendovereenkomst te beëindigen, heeft eiser door eigen toedoen zijn arbeid niet behouden. Artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW bepaalt dat het college de bijstand in dat geval verlaagt.

Heeft Orionis terecht de hardheidclausule niet toegepast?

7. Eiser betwist niet dat Orionis op grond van de Afstemmingsverordening[_cc43eab3-58d9-4d3a-8d59-95f218b5d936] en de vaste jurisprudentie over dergelijke situaties een maatregel kan opleggen van 100% gedurende een maand. Hij betoogt echter dat Orionis de hardheidsclausule uit artikel 4 van de Afstemmingsverordening had moeten toepassen. Eiser kampt namelijk met schulden en Stichting Woongoed Middelburg wil de huurovereenkomst met eiser opzeggen. Bovendien heeft eiser voor de maand oktober 2025 minder inkomsten ontvangen in het kader van de eindafrekening. Hij heeft in de maanden oktober en november 2025 nagenoeg geen inkomen ontvangen, waardoor hij zijn vaste lasten ook niet heeft kunnen voldoen. De kans dat eiser op straat komt te staan is groter geworden. Eiser is te hard geschaad door het bestreden besluit.

7.1.

Ter zitting is bevestigd dat eiser zich (enkel) beroept op artikel 4, tweede lid, van de Afstemmingsverordening. Daarin is bepaald dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Volgens de toelichting bij de Afstemmingsverordening is van het afzien van het opleggen van een verlaging uitsluitend sprake bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Orionis voldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding ziet om in dit geval de hardheidsclausule toe te passen. De tegengeworpen gedraging kan eiser worden verweten en er is dus geen sprake van evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. De rechtbank begrijpt dat eiser financiële problemen en schulden heeft, maar dit is onvoldoende om af te zien van het opleggen van een maatregel. Eiser heeft daarnaast niet met stukken onderbouwd dat de verlaging tot verlies dan wel ontruiming van zijn woning zal leiden. Ter zitting is ook gebleken dat het zover niet is gekomen.

7.3.

De rechtbank concludeert dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die Orionis aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van de Afstemmingsverordening, omdat toepassing daarvan onredelijk of onevenredig zou zijn.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verlaging van de uitkering voor een periode van een maand in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.