Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6679Zaaknummer BRE 25/3389 WIA
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 25/3389 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep (ex-)werkgever tegen toekenning WIA-uitkering aan (ex-)werknemer.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3389 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats 1], eiseres,
(gemachtigde: mr. V.A.M. Vos),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [plaats 3] (de (ex-)werknemer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan de (ex-)werknemer. Eiseres is het niet eens met die toekenning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De (ex-)werknemer heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze uitkering met het besluit van 10 mei 2023 toegekend. Met het bestreden besluit van 30 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij die toekenning gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De (ex-)werknemer heeft geen toestemming verleend om eiseres kennis te laten nemen van stukken die medische gegevens bevatten. Met de beslissing van 10 februari 2026 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat eiseres van nader genoemde stukken geen kennis mag nemen en dat kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is. Omdat de (ex-)werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan eiseres te verstrekken, zal in deze uitspraak geen melding worden gemaakt van specifieke op de (ex-)werknemer betrekking hebbende medische gegevens.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en mr. M.B.A. van Grinsven namens het UWV. De (ex-)werknemer is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De (ex-)werknemer was met ingang van 1 april 2020 werkzaam bij eiseres als quality assurance medewerker. Op 30 april 2021 is hij uitgevallen voor deze werkzaamheden.
Met het primaire besluit van 10 mei 2023 heeft het UWV aan de (ex-)werknemer met ingang van 28 april 2023 een WIA-uitkering toegekend.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit op bezwaar van 30 augustus 2023 heeft het UWV dat bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapportages van [verzekeringsarts 1] en van verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) [deskundige] ten grondslag.
Eiseres heeft tegen dit besluit op bezwaar beroep ingesteld bij deze rechtbank.
De rechtbank heeft dat beroep op 20 december 2024[_cff7e9f4-2a69-47df-bd9e-993189c646b4] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 30 augustus 2023 vernietigd en het UWV opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft daarbij – kort gezegd – overwogen dat de verzekeringsartsen van het UWV onvoldoende hebben gemotiveerd waarom er bij de (ex-)werknemer een urenbeperking van 4 tot 5 uur per dag en 20 tot 25 uur per week noodzakelijk is. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld, onder verwijzing naar de door haar overgelegde rapportage van [verzekeringsarts 2], dat onvoldoende gemotiveerd is dat een urenbeperking (van deze omvang), gelet op de Standaard duurbelastbaarheid in arbeid, moet worden aangenomen.
Met het bestreden besluit van 30 mei 2025 heeft het UWV opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres en dat (wederom) ongegrond verklaard.
Beroep
4. Eiseres stelt dat er geen dan wel een lichtere urenbeperking gesteld moet worden. Nog steeds is door het UWV onvoldoende gemotiveerd dat een urenbeperking van 4 tot 5 uur per dag en 20 tot 25 uur per week aan de orde is. De daginvulling van de (ex-)werknemer duidt er eerder op dat geen urenbeperking gesteld zou moeten worden. Daarbij mag van de verzekeringsarts b&b enige kritische blik worden verwacht met betrekking tot het gewijzigde dagverhaal van de (ex-)werknemer. Er lijkt bovendien sprake van een arbitraire vaststelling van de urenbeperking, omdat wordt gesteld dat een lichte verruiming (tot 5 uur) ruimte geeft aan de arbeidsdeskundige om meer functies te duiden.
De verzekeringsartsen hebben vanuit energetisch oogpunt, op basis van een ‘stoornis in de energiehuishouding’, en een toegenomen noodzaak tot recuperatie een urenbeperking aangenomen. Bij een stoornis in de energiehuishouding moet een verzekeringsarts de duur en frequentie van de noodzakelijk extra recuperatieperiodes inzichtelijk maken en dit moet logisch volgen uit consistente en samenhangende onderzoeksbevindingen. De gemiddelde daginvulling leidt daarentegen volgens eiseres eerder tot tegenstrijdigheden in de nieuwe motivering van de verzekeringsarts b&b.
Op basis van die gemiddelde daginvulling is het niet aannemelijk of geloofwaardig dat een urenbeperking noodzakelijk is. Uit deze daginvulling blijkt dat de (ex-) werknemer 2 dagen per week van 8 uur heeft gewerkt als boodschappenbezorger en dat hij sinds januari 2024 elke maandag een opleiding als meubelmaker in [plaats 2] volgde van 8 uur per dag. In het kader van die opleiding moest de (ex-)werknemer thuis nog huiswerk en projecten maken. De verzekeringsarts b&b heeft deze daginvulling niet betrokken in zijn motivering. Die motivering blijkt vrijwel alleen te stoelen op de mededeling van de (ex-) werknemer en zijn partner dat hij feitelijk niet 8 tot 9 uur per nacht onafgebroken slaapt. Ook de nieuwe medische informatie heeft de verzekeringsarts niet betrokken. Hij merkt daarover slechts op dat de medische gegevens al bekend waren.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het UWV op goede gronden aan de (ex-)werknemer met ingang van 28 april 2023 een WIA-uitkering heeft toegekend. Dat is dan ook de datum in geding. Daarbij spitst het geschil zich (vanwege de eerdere uitspraak van de rechtbank) toe op de urenbeperking van 5 uur per dag en 25 uur per week.
De verzekeringsarts b&b heeft na de uitspraak van de rechtbank nader onderzoek verricht en op 28 mei 2025 gerapporteerd. Zij stelt dat uit informatie van de psycholoog blijkt welke psychische problematiek bij de (ex-)werknemer rond de datum in geding aan de orde was. Voor deze psychische problematiek heeft de (ex-)werknemer vanaf één maand na de datum in geding gerichte behandeling. Volgens de verzekeringsarts b&b bevestigt de informatie van de psycholoog de al bekende medische gegevens, die zijn beschreven in haar eerdere rapportage en de rapportage van [verzekeringsarts 1]. Uit de combinatie van psychische aandoeningen kunnen de slaapproblemen en vermoeidheidsklachten en hiermee ook de energetische beperkingen van de (ex-)werknemer worden verklaard. De constatering dat hij rond de datum in geding 8 tot 9 uur per nacht onafgebroken zou slapen is in de rapportage van [verzekeringsarts 1] (onterecht) gebaseerd op de enkele beschrijving van hoe laat de (ex-)werknemer naar bed gaat en hoe laat hij opstaat, en niet op hoe lang hij daadwerkelijk slaapt. Deze beschrijving is volgens de verzekeringsarts b&b in de contacten van augustus 2023 en maart 2025 verder verduidelijkt. De (ex-)werknemer en zijn partner geven aan dat de (ex-)werknemer in die periode wel 8 tot 9 uur per nacht in bed lag, maar niet aaneengesloten sliep. Hij werd vaak wakker, sliep slechts een paar uur per nacht en was overdag vermoeid. De verzekeringsarts b&b stelt dat daarom ten onrechte is geconcludeerd dat de (ex-)werknemer rond datum in geding 8 tot 9 uur per dag slaap had en dat dat voldoende was om de dag door te komen. Gelet op de diagnoses, waarvan slaapproblemen een symptoom kunnen zijn, kan niet zonder meer worden gesteld dat de (ex-)werknemer er zelf voor kiest om laat naar bed te gaan. Dit kan een gevolg zijn van de vastgestelde psychische problematiek. De verzekeringsarts b&b ziet in de informatie verkregen tijdens het spreekuur, in het dagverhaal en in de medische informatie aanleiding om vanuit energetisch oogpunt op de datum in geding een urenbeperking aan te nemen. Het is aannemelijk dat de psychische problematiek, slaapproblemen en de onderbroken nachten, waarbij de (ex-)werknemer in de nacht onvoldoende kan herstellen, leiden tot een verhoogde recuperatie-noodzaak overdag. De omvang van een urenbeperking is niet met absolute zekerheid in te schatten, maar wordt beoordeeld in een globale schatting in stappen van ongeveer twee uur per dag. Door [verzekeringsarts 1] is ingeschat dat een urenbeperking van 5 uur per dag en 25 uur per week aan de orde is. De verzekeringsarts b&b vindt dat, gelet op de aard en ernst van de medische problematiek en het functioneren in het dagelijks leven rond datum in geding, aannemelijk. De lichte verruiming tot 5 uur (in plaats van de stap tot 4 uur) geeft aan de arbeidsdeskundige ruimte om meer passende functies de kunnen duiden. Dit is niet in het nadeel van de (ex-)werkgever. Een verdere verruiming tot 6 uur per dag (de volgende globale stap van 2 uur) vindt de verzekeringsarts b&b gelet op de medische gegevens, de noodzaak voor behandeling vlak na datum in geding en het functioneren in het dagelijks leven op de datum in geding niet aan de orde.
De rechtbank leidt uit deze rapportage af dat de verzekeringsarts b&b de (ex-) werknemer heeft gesproken middels beeldbellen, medische informatie heeft opgevraagd bij zijn behandelaars en dat zij deze informatie van [de psycholoog] en van de huisarts – met onderliggende informatie van de longarts, de neuroloog en de KNO-arts over de diagnoses en klachten – heeft betrokken en gewogen. De stelling van eiseres dat de verzekeringsarts b&b de nieuwe medische informatie niet heeft betrokken en daarover slechts opmerkt dat de medische gegevens al bekend waren, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet daarin daarom geen reden om het onderzoek van de verzekeringsarts b&b onzorgvuldig te achten.
De rechtbank ziet evenmin reden om de stelling van eiseres te volgen dat de nieuwe motivering voor het aannemen van een urenbeperking vrijwel uitsluitend lijkt te zijn gebaseerd op de mededeling van de (ex-)werknemer over het niet-onafgebroken slapen. De verzekeringsarts b&b heeft dat, blijkens haar rapportage, ook gebaseerd op de medische informatie en de aard en ernst van de problematiek. Daarnaast leidt de rechtbank uit de eerdere rapportages van de verzekeringsartsen van 20 april 2023 en 4 augustus 2023 af dat dat ook is gebaseerd op eigen waarneming van vermoeidheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd dat een urenbeperking op energetische gronden aan de orde is, gelet op de psychische aandoeningen en klachten van de (ex-)werknemer, het dagverhaal met onderbroken nachten en slaapmomenten overdag en de eerdere waarnemingen. Daarbij is sprake van een verduidelijking van het dagverhaal en niet van een gewijzigd dagverhaal. In de eerdere rapportages van de verzekeringsartsen wordt namelijk al melding wordt gemaakt van in- en doorslaapproblemen en rustmomenten overdag. De rechtbank vindt de toelichting van de verzekeringsarts b&b met betrekking tot het aantal uren slaap dat de (ex-)werknemer als gevolg van de in- en doorslaapproblemen per nacht krijgt, afdoende.
Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de verzekeringsarts b&b ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de daginvulling van de (ex-)werknemer (zijn werkzaamheden als boodschappenbezorger en zijn opleiding als meubelmaker) overweegt de rechtbank dat niet blijkt dat van deze activiteiten op de datum in geding 28 april 2023 al sprake was. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages uit 2023 blijkt niet dat de (ex-) werknemer op de datum in geding werkzaam was of een opleiding volgde. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 28 mei 2025 blijkt dat de (ex-)werknemer pas sinds januari 2024 – en dus ruim na de datum in geding – een opleiding is gaan volgen. De verzekeringsarts b&b heeft met deze omstandigheden bij de vraag of een urenbeperking op de datum in geding in de rede lag en in welke omvang, dan ook geen rekening hoeven houden.
De rechtbank overweegt tot slot dat het stellen van een urenbeperking bij uitstek de taak van een verzekeringsarts is. En alhoewel vaststelling van een exacte urenbeperking tot op zekere hoogte arbitrair is, zoals eiseres terecht stelt en de verzekeringsarts b&b erkent, heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank afdoende onderbouwd dat een urenbeperking van 4 uur per dag met enige verruiming naar 5 uur (wat feitelijk ten gunste van eiseres is) aan de orde is.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit standhoudt. Het beroep is dan ook ongegrond. Eiseres heeft daarom geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier op 21 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.