Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6628Zaaknummer 448920 / JE RK 26-986
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- 448920 / JE RK 26-986
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijzen restant spoedverzoek muhp en aanhouding verzoek uithuisplaatsing regulier verzoek
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 juni 2026 en tot 3 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] aan tot de zitting van [datum] 2026 om
[uur] uur, bij mr. Verschoor. Voor deze zitting zal 45 minuten worden uitgetrokken;
wijst het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448920 / JE RK 26-986 (spoed)verzoek
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteland],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteland],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. M.S. Yap te Bergen op Zoom.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 juni 2026;
- de beschikking van de kinderrechter van 5 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat mr. W.J. Jurgers, kantoorgenoot van mr. Yap, en een telefonische tolk in de Somalische taal, te weten mevrouw [persoon];
- een vertegenwoordiger van de GI (via videobelverbinding).
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft via een videobelverbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] verblijft bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 9 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 juni 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 juni 2026 en tot 19 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.
De kinderrechter heeft het spoedverzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij beslissing van 5 juni 2026 afgewezen.
3 Het verzoek
De GI heeft mondeling verzocht een spoedmachtiging af te geven tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
voor de duur van vier weken. Ook heeft de GI verzocht om te beslissen op het verzoek
zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De schriftelijke weergave van het
verzoek wijkt af van dit verzoek nu daarin is opgenomen een verzoek strekkende tot het
verlenen van een spoedmachtiging voor de duur van vier weken met aansluitend een
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een maand. Dit
afwijkende verzoek, te weten de aanvulling voor de duur van een maand, wordt door de
kinderrechter in de onderhavige beschikking van het spoedverzoek en de beoordeling
daarvan, niet meegenomen. Zij vat dit op als een apart regulier verzoek.
Thans ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van het spoedverzoek met ingang van 19 juni 2026 en tot 3 juli 2026 alsmede het reguliere verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor de duur van een maand, te weten tot 3 augustus 2026.
4 De standpunten
[minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek op 26 juni 2026 aan de kinderrechter gevraagd of de inhoud van dat gesprek vertrouwelijk kan blijven.
De GI heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige 2] afgelopen dinsdag is overgeplaatst naar een gezinshuis. [minderjarige 2] heeft op 6 juni 2026 een top-tot-teen onderzoek gehad, waarbij zij is onderzocht door twee artsen. De donderdag daarna heeft zij een NICHD-interview gehad in aanwezigheid van een medewerker van Veilig Thuis en de jeugdbeschermer. [minderjarige 2] heeft veel verteld en kon over elk zichtbaar aanwezig letsel vertellen hoe deze is ontstaan en op welke manier dat letsel was toegebracht. [minderjarige 2] heeft verteld dat dat door de moeder, in de thuissituatie, is gebeurd. De informatie uit de onderzoeken worden nu nog niet vrijgegeven. Deze informatie is kennelijk zo heftig, dat de officier van justitie daar toestemming voor zou moeten geven en deze is daar nog niet aan toegekomen. [minderjarige 2] wil graag weer naar school. Ze mist haar juf. De GI is in gesprek met school om te bezien wat de mogelijkheden zijn. Belangrijk is dat zij veilig heen en weer kan. De GI heeft geprobeerd om ambulante spoedhulp in te zetten in de thuissituatie bij moeder, maar dat bleek lastig in verband met het strafrechtelijk stuk dat nu speelt en ook omdat de GI de veiligheid van [minderjarige 1] – die nog bij de moeder thuis zat – wilde garanderen. Restart komt niet binnen bij de moeder en ook praktische hulp wordt afgeslagen. Deze is nog wel bij bij [minderjarige 2] betrokken. De GI wil een uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, anders dan de verzochte termijn van een maand. Nu de GI meer informatie heeft, wordt een uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden wel verwacht nodig te zijn. [minderjarige 2] wil op dit moment geen contact met de moeder. Het reguliere verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] wordt ingetrokken. Er is inmiddels een ander verzoek ingediend voor [minderjarige 1]. Deze zal op [datum] 2026 ter zitting worden behandeld.
De moeder heeft tijdens de zitting verteld dat zij niet begrijpt waarom de minderjarigen uit huis zijn geplaatst. Zij heeft haar kinderen nooit geslagen. Het is onacceptabel wat de minderjarigen hebben verteld over hetgeen de moeder hen heeft aangedaan. De moeder staat klaar voor de hulpverlening. Het is juist dat zij het niet fijn vindt dat de hulpverlening bij haar thuis komt, maar dat heeft ermee te maken dat zij in de thuissituatie niet rustig met de hulpverleners kan praten. Haar jongere kinderen zijn dan namelijk ook thuis. De moeder zou graag willen weten hoe het met [minderjarige 2] gaat.
Namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft verteld dat er geen sprake is van fysiek geweld zoals waarover wordt gesproken. [minderjarige 2] is een 10-jarig meisje en het is ook lastig om te beoordelen. Gesteld wordt dat de moeder geen hulp zou accepteren, maar uit het verzoek blijkt niet welke acties er zijn ondernomen en op welke wijze de moeder daarop heeft gereageerd. De ondertoezichtstelling loopt al enige tijd en het is onduidelijk wat er in die periode is ondernomen om de hulp wel op gang te krijgen. De moeder geeft aan dat zij wel openstaat voor hulp vanuit Restart, maar dit zouden dan hulpverleners moeten zijn die de Somalische taal machtig zijn. Dan kan de hulp soepel verlopen. De moeder overlegt liever op kantoor dan bij haar thuis en dat heeft ermee te maken dat zij thuis nog drie jonge kinderen heeft rondlopen. De GI heeft de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verhoogd van één naar zes maanden. Namens de moeder wordt bezwaar gemaakt tegen deze termijnverhoging ter zitting. De GI verzocht één maand uithuisplaatsing met daarbij de onderbouwing dat onderzoek moest plaatsvinden en nu, zonder dat daarvan nu materiaal beschikbaar is, zou er – in de kwestie van het zusje, [minderjarige 1] –– wel onderzoek zijn gedaan en heeft dit vervolgens geleid tot de verhoging van de verzochte duur van de machtiging ten aanzien van [minderjarige 2]. Ten aanzien van het verzoek van de GI kan worden overwogen om het resterende deel van het verzoek aan te houden tot de zitting van [datum] 2026. Op deze datum zal namelijk ook het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] worden besproken. Op die zitting kan dan alle informatie op tafel komen, evenals een fysieke tolk worden betrokken. Zodoende kan de procedure zorgvuldiger worden doorlopen. Op dit moment is weinig concreet gemaakt wat de moeder wordt verweten. We komen niet verder dan ‘mishandeling’ en geconstateerd letsel. Onduidelijk is wanneer het is gebeurd, welk letsel het betrof en in welke context het is gebeurd. Nu meer informatie ontbreekt, kan de moeder zich daartegen onvoldoende verweren.
5 De beoordeling
(Spoed)machtiging tot uithuisplaatsing (zonder horen) ten aanzien van [minderjarige 2];
Ter beoordeling ligt voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor het herroepen van de op 5 juni 2026 afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]. De kinderrechter is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor het herroepen van de afgegeven spoedbeslissing van 5 juni 2026. De zorgen, zoals beschreven in de beschikking van de spoedbeslissing van 5 juni 2026, zijn nog onverminderd aanwezig. [minderjarige 2] heeft voorafgaand aan haar uithuisplaatsing tegenover haar schooljuf verklaard over geweld in de thuissituatie en ook is bij haar letsel waargenomen, waarover [minderjarige 2] heeft verklaard dat dit letsel door de moeder is toegebracht. Inmiddels heeft [minderjarige 2] een top-tot-teen onderzoek gehad en is bij haar een NICHD-interview afgenomen. Op basis hiervan is besloten om verder onderzoek te doen binnen het strafrechtelijk kader. Hoewel de moeder ontkent dat zij [minderjarige 2] pijn heeft gedaan, zijn de zorgen van dien aard dat deze serieus genomen moeten worden en derhalve vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat [minderjarige 2] langer uit huis geplaatst blijft. De GI heeft schriftelijk verzocht om de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor de duur van een maand (na het spoedverzoek) te verlenen en heeft deze termijn tijdens de zitting van heden gewijzigd naar een uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden. Mr. Jurgers heeft namens de moeder bezwaar gemaakt tegen deze mondelinge verhoging van de termijn. Gelet hierop zal de kinderrechter het resterende deel van het spoedverzoek toewijzen, te weten tot 3 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Dit resterende deel zal worden behandeld op de zitting van [datum] 2026 om [uur] uur ten overstaan van mr. Verschoor. Voor deze zitting wordt 45 minuten uitgetrokken. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij het gewijzigde verzoek schriftelijk bevestigd, zo mogelijk onderbouwd met de resultaten uit het NICHD-interview en het top-tot-teen onderzoek, dan wel met andere beschikbare informatie. Ook dient de GI het plan van aanpak aan te vullen cq. te actualiseren. De GI wordt tot slot verzocht om een tolk Somalisch uit te nodigen voor de volgende zitting, waarbij het de voorkeur heeft dat de tolk dan fysiek aanwezig is.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Verzoek ten aanzien van [minderjarige 1];
De GI heeft het deel van het verzoek dat ziet op de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ingetrokken. Nu dat deel van het verzoek is ingetrokken kan dat niet verder worden onderzocht en beoordeeld. Reden waarom de kinderrechter het verzoek dat ziet op de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] zal afwijzen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 juni 2026 en tot 3 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] aan tot de zitting van [datum] 2026 om
[uur] uur, bij mr. Verschoor. Voor deze zitting zal 45 minuten worden uitgetrokken;
wijst het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], af.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.