Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6608Zaaknummer C/02429256 / FA RK 24-5589
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02429256 / FA RK 24-5589
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Doorverwijzen UHA
De rechtbank
verwijst partijen en hun kinderen voor een (jeugd)hulpverleningstraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant;
verzoekt het loket/de toegang om uiterlijk 21 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, het volledige rapport over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad om, wanneer het (jeugd)hulpverleningstraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de verdere behandeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/429256 / FA RK 24-5589 (echtscheiding)
C/02/433934 / FA RK 25-1779 (verdeling)
datum uitspraak 17 juni 2026
nadere beschikking over echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [plaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-De Jong,
en
[de man],
wonende in [plaats 1],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N. el Hadje,
voormalig advocaat mr. F.J. Koningsveld.
1 Het verdere procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 9 maart 2026;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 7 april 2026 met als bijlage het raadsrapport;
- de brief van mr. Dekkers-De Jong van 13 april 2026;
- de brief van mr. El Hadje van 4 mei 2026;
- de brief van de griffier van 13 mei 2026;
- de brief van mr. Dekkers-De Jong van 13 mei 2026;
- de brief van mr. El Hadje van 28 mei 2026.
2 De verdere beoordeling
In de beschikking van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast is vervangende toestemming verleend aan de vrouw om met de minderjarige kinderen van partijen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op vakantie te gaan naar [plaats 2] in Marokko in de periode van 20 juli 2026 tot en met 17 augustus 2026. Verder is een door de man met ingang van 27 februari 2026 te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van de kinderen betaald van € 25,= per maand per kind. De definitieve beslissing op dit verzoek is aangehouden tot 26 mei 2026. Ook is bepaald dat de vrouw vanaf de datum dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] en dat de man aan de vrouw een bedrag van € 403,21 moet betalen in verband met een regresrecht ten aanzien van de gezamenlijke schuld bij WonenBreburg. Het verzoek tot vervangende toestemming voor het aanvragen van paspoorten en de overige verzoeken met betrekking tot het huwelijksvermogen zijn afgewezen.
De rechtbank heeft in samenspraak met partijen de definitieve beslissing op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van de kinderen aangehouden, omdat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in een eerdere procedure tussen partijen heeft verzocht om onderzoek te doen naar onder meer de vraag welke zorgregeling het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen en hierover te rapporteren in deze zaak.
Op 3 april 2026 heeft de rechtbank het rapport van de Raad ontvangen. Uit dit rapport blijkt dat de Raad zich zorgen maakt over de ontwikkeling van de kinderen. Er zijn zorgen, omdat er sprake is van een scheidingsstrijd, de kinderen getuige zijn geweest van conflicten tussen hun ouders en zij mogelijk nog steeds deze strijd en spanning tussen hun ouders voelen. De Raad ziet ook dat beide ouders het beste lijken voor te hebben met de kinderen. Ze zijn betrokken bij school en staan ook open voor de hulp die de Raad nodig vindt. De Raad adviseert om de beslissing over de zorgregeling aan te houden en partijen te verwijzen naar hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Binnen de hulpverlening zal moeten worden bekeken wat de kinderen nodig hebben om weer het contact met hun vader aan te gaan. Daarna kunnen begeleide contacten worden vormgegeven met als doel om weer te komen tot een fijn en onbelast contact voor de kinderen. Daarna kan worden onderzocht of het contact verder kan worden uitgebreid naar onbegeleid contact en in welke vorm en met welke frequentie.
Beide partijen stemmen in met het advies van de Raad.
Op basis van de ingekomen stukken is de rechtbank met de Raad en partijen van oordeel dat hulpverlening geboden is. De rechtbank zal partijen en hun kinderen dan ook doorverwijzen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket stuurt het verwijzingsformulier met de resultatenlijst naar de gemeentelijke toegang. De toegang maakt samen met partijen een afspraak voor een zorgaanbieder. Met de zorgaanbieder gaan partijen werken aan de volgende resultaten:
- ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen;
- de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund;
- de ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen (lichte interventie);
- de kinderen en de ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd.
Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapport op over het verloop en het resultaat van het traject. Ook de toegang maakt een rapport met als bijlage het door de zorgaanbieder opgestelde rapport. De rechtbank verzoekt het loket/de toegang om het volledige rapport uiterlijk op 21 december 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid binnen twee weken na ontvangst van het rapport aan te geven of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Verder maken partijen in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket/de toegang het volledige rapport ook direct toe te sturen aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De Raad toetst en beoordeelt dan of wederom een onderzoek of interventie nodig is. De Raad informeert de rechtbank hierover binnen twee weken na ontvangst van het rapport.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van het rapport direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich over dit advies en het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie te worden vormgegeven?
- zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- in hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid op het rapport van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Gelet op het bovenstaande houdt de rechtbank de definitieve beslissing op het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie aan.
3 De beslissing
De rechtbank
verwijst partijen en hun kinderen voor een (jeugd)hulpverleningstraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant;
verzoekt het loket/de toegang om uiterlijk 21 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, het volledige rapport over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, het rapport ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van het rapport de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad om, wanneer het (jeugd)hulpverleningstraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.10. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de verdere behandeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.