Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6582Zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845 en C/02/448186 / JE RK 26-846

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448182 / JE RK 26-845 en C/02/448186 / JE RK 26-846
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2026 tot 11 december 2026;

In de zaak met zaaknummer C/02/448186 / JE RK 26-846

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2026 tot 11 december 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers: C/02/448182 / JE RK 26-845 ( [minderjarige 1])

C/02/448186 / JE RK 26-846 ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3])

Datum uitspraak: 17 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING,

hierna te noemen: het LET JB,

namens

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 1].

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 2],

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 3],

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

[de stiefvader],

stiefvader van [minderjarige 1],

biologische vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3],

hierna te noemen de (stief)vader,

wonende in [woonplaats].

De ouders worden bijgestaan door mr. R.M. Bissumbhar, advocaat te Barneveld.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

In de zaak met kenmerk C/02/448182 / JE RK 26-845 ( [minderjarige 1])

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de GI van 29 mei 2026;
  • het verweerschrift met één productie van mr. R.M. Bissumbhar van 11 juni 2026;
  • het bericht met bijlage van de GI van 16 juni 2026.

In de zaak met kenmerk C/02/448186 / JE RK 26-846 ( [minderjarige 2] en [minderjarige 3])

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de GI van 29 mei 2026;
  • het verweerschrift met drie producties van mr. R.M. Bissumbhar van 11 juni 2026;
  • het bericht met bijlage van de GI van 16 juni 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de (stief)vader met waarnemend advocaat mr. M.S.A. Ooms;

- de moeder met waarnemend advocaat mr. M.S.A. Ooms;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

1.3.

Daarnaast heeft de kinderrechter bijzondere toegang verleend aan twee ambulante begeleiders van de (stief)vader vanuit [hulpverlening], mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2], nadat gebleken is dat geen van de belanghebbenden bezwaar hebben tegen hun aanwezigheid.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter en heeft tijdens het gesprek tekeningen aan de kinderrechter gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld en getekend. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn door de vader erkend. De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3].

2.2.

De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. De biologische vader van [minderjarige 1] is niet betrokken.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld met ingang van 11 december 2025 tot 11 december 2026.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2026 een machtiging verleend [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis), dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 maart 2026 tot 25 juni 2026.

2.5.

Op grond van voormelde machtiging verblijven [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment bij Sterk Huis in Goirle.

3 De verzoeken

In de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845

3.1.

Het LET JB verzoekt, na mondelinge wijziging van het verzoek, namens de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 11 december 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In de zaak met zaaknummer C/02/448186 / JE RK 26-846

3.2.

Het LET JB verzoekt, na mondelinge wijziging van het verzoek, namens de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 11 december 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

Het standpunt van het LET JB

4.1.

Het LET JB legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. Sinds eind april 2026 verblijven de kinderen op dezelfde groep als eerder, maar met een eigen slaapkamer en vaste begeleiders. Naar omstandigheden gaat het momenteel goed met de kinderen bij Sterk Huis. De kinderen passen zich gemakkelijk aan in een nieuwe situatie. De kinderen gaan sinds kort weer naar hun oude basisschool via (leerling)vervoer. Er is na de uithuisplaatsing direct gestart met begeleide omgang tussen de ouders en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Er is momenteel sprake van wekelijks contact en beide ouders hebben tegelijk contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Daarnaast is er direct na de uithuisplaatsing gestart met begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] op neutraal terrein. [locatie] begeleidt de omgang en zal kijken of uitbreiding van de omgang mogelijk is. Er is geen contact tussen de stiefvader en [minderjarige 1], omdat de stiefvader een contactverbod opgelegd heeft gekregen met [minderjarige 1]. Het LET JB wil samen met de stiefvader en de reclassering onderzoeken op welke manier het contact tussen [minderjarige 1] en de stiefvader hersteld kan worden. Het strafrechtelijk onderzoek naar de vader naar de vermeende (kinder)mishandeling is afgerond door de politie, maar het is nog onduidelijk of het Openbaar Ministerie zal vervolgen.

4.2.

Bij de vader is reclassering betrokken om toezicht te houden op de (bijzondere) voorwaarden, die zijn opgelegd aan de vader. Er is daarnaast een ambulant werker vanuit [hulpverlening] gekoppeld aan de vader door de reclassering. De samenwerking tussen LET JB en de ouders is goed gestart. Sinds de ouders op de hoogte zijn van het voornemen van LET JB om de uithuisplaatsing te verlengen, is de verstandhouding met de ouders echter onder spanning komen te staan. De communicatie verloopt met meer verwijten en dwingender. Hierdoor kunnen de nodige stappen nu niet gezet worden. Er heeft vooralsnog echter onvoldoende verandering plaatsgevonden om de kinderen op dit moment op een veilige en duurzame manier thuis te plaatsen. Er is nog onvoldoende stabiliteit bereikt en een thuisplaatsing is op dit moment niet in het belang van de kinderen. Het is noodzakelijk dat de ouders eerst aan hun eigen problematiek gaan werken en hiervoor motivatie laten zien, voordat er ingezet kan worden op hulpverlening gericht op de hechtingsrelatie en de opvoedvaardigheden van de ouders. Hiervoor is het nodig dat de ouders hun eigen emotieregulatie en stresshantering zodanig versterken dat nabijheid, begrenzing en herstel ook onder druk mogelijk blijven. Daarnaast dienen de ouders afspraken na te leven en goed samen te werken met het LET JB. Ook moet er gewerkt worden aan de basisveiligheid van de kinderen, onder andere door ouders te laten erkennen dat de kinderen zich onveilig hebben gevoeld en de kinderen daarin te ontschuldigen. [minderjarige 1] heeft namelijk dingen meegemaakt in de thuissituatie en de andere kinderen zijn daar getuige van geweest. Aangezien er nog veel stappen moeten worden gezet, verzoekt het LET JB de uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het standpunt van [minderjarige 1]

4.3.

Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] verteld dat het goed gaat met haar en dat zij op een leuke groep verblijft met een eigen kamer. Zij vindt het leuk dat zij teruggaat naar haar oude basisschool. [minderjarige 1] heeft op dit moment alleen contact met de moeder, maar zij zou daarnaast graag de stiefvader willen zien, aangezien [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hem ook zien. [minderjarige 1] wil graag naar huis met [minderjarige 2] en [minderjarige 3], maar zij begrijpt dat dat nu nog niet kan. Zij heeft daarom een acht-stappenplan gemaakt om langzaam toe te werken naar een thuisplaatsing. Als voorwaarde geeft zij onder andere aan dat er, voornamelijk door de stiefvader, met een aardige stem moet worden gepraat, dat er niet mag worden geschopt, geslagen, geduwd en er niet aan haar haren mag worden getrokken. Als het eerste stappenplan niet goed verloopt, heeft zij nog een ander plan, namelijk dat [minderjarige 1] de moeder en de stiefvader drie keer per week ziet samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Gedurende het verloop van deze plannen wil [minderjarige 1] bij Sterk Huis blijven.

Het standpunt van de moeder en de (stief)vader

4.4.

Namens de moeder en de (stief)vader verzoekt de advocaat primair het verzoek van de GI ten aanzien van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de GI de verzoeken te laat heeft ingediend. Subsidiair verzoekt de advocaat het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] af te wijzen en meer subsidiair voor de duur van maximaal drie maanden te verlenen. In die periode kan het contact- en locatieverbod tussen [minderjarige 1] en de stiefvader opgeheven worden, zodat zij contact kunnen hebben. De stiefvader is namelijk bang voor het risico dat hij loopt, als hij het verbod overtreedt. Ook kan er dan gekeken worden wat de ontwikkelingen zijn in de situatie en hoe de hulpverlening verloopt. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzoekt de advocaat het verzoek af te wijzen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vinden het contact met de ouders fijn en geven aan naar huis te willen. Tot nu toe is het contact echter nog niet uitgebreid. De zorgen zien met name op [minderjarige 1], vanwege het lopende strafrechtelijke onderzoek. Verder is de vader bereid ergens anders te gaan wonen, als de kinderen weer thuis worden geplaatst, of kunnen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de opa moederszijde wonen. De ouders staan beide open voor alle hulpverlening en willen alles doen wat nodig is in het belang van de kinderen. Zo heeft de moeder al EMDR-therapie en werkt de vader mee aan alle betrokken hulpverlening, onder andere vanuit de reclassering. Als de kinderen wel langer uit huis worden geplaatst, willen de ouders meer op de hoogte worden gebracht over de kinderen en verwachten zij dat er meer regie wordt gevoerd door het LET JB. Dat wordt momenteel onvoldoende gedaan.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid van de verzoeken

5.1.

Sommige stukken in de procedure zijn te laat ingediend, maar aangezien de goede procesorde hierdoor niet geschonden is, gaat de kinderrechter hieraan voorbij. De moeder en de stiefvader hebben voldoende tijd gehad om kennis te nemen van de stukken. De kinderrechter zal dus de verzoekers ontvankelijk verklaren in hun verzoek.

(Stief)vader als belanghebbende in de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845

5.2.

De kinderrechter overweegt allereerst dat de stiefvader van [minderjarige 1], de heer [de stiefvader], zal worden aangemerkt als belanghebbende in de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845. In de zaak met zaaknummer C/02/448186 / JE RK 26-846 is de heer [de stiefvader] al aangemerkt als belanghebbende, doordat hij gezaghebbende ouder is van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. De kinderrechter overweegt dat de stiefvader kennelijk gedurende ten minste een jaar [minderjarige 1] samen met de moeder als behorende tot zijn gezin verzorgd en opgevoed heeft, waardoor er sprake is van ‘family life’ tussen de stiefvader en [minderjarige 1]. De stiefvader woont al lang samen met de moeder en heeft lange tijd samen met [minderjarige 1] in huis gewoond. De (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing heeft daardoor direct invloed op de stiefvader. Het is daarom van belang dat de stiefvader in voldoende mate betrokken wordt in de onderhavige procedure, die kan leiden tot een inmenging in de door artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde rechten van de stiefvader. De kinderrechter is van oordeel dat de vader in verband met het voorgaande in de onderhavige procedure moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

5.3.

Gelet op de samenhang van de verzoeken in de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845 ( [minderjarige 1]) en de zaak met zaaknummer C/02/448186 / JE RK 26-846 ( [minderjarige 2] en Santana) zal de kinderrechter deze verzoeken tegelijk beoordelen.

Wettelijk kader

5.4.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.

5.5.

Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Inhoudelijke beoordeling

5.6.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_e7f08164-4ce8-44e8-a6bf-0d37d2e82e5a]

5.7.

Uit de stukken en wat er tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat het momenteel goed gaat met de kinderen bij Sterk Huis. Hoewel er enige positieve stappen zijn gezet door de ouders, zijn de zorgen die hebben geleid tot de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen nog steeds onverminderd aanwezig. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om de kinderen op een veilige en duurzame manier thuis te plaatsen. Voor een thuisplaatsing is het nodig dat er eerst een aantal stappen gezet worden. Zo dienen de ouders eerst aan hun eigen problematiek te werken. Daarbij moeten de ouders erkennen dat de kinderen zich onveilig hebben gevoeld en dienen zij de kinderen daarin te ontschuldigen. Vervolgens kan er ingezet worden op hulpverlening gericht op de hechtingsrelatie tussen de ouders en de kinderen en de opvoedvaardigheden van de ouders. De kinderrechter acht gelet op het voorgaande een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Doordat er de komende periode nog veel stappen dienen te worden gezet, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 11 december 2026.

5.8.

Verder hebben alle belanghebbenden tijdens de zitting aangegeven het belangrijk te vinden dat de samenwerking tussen het LET JB en de ouders verbeterd wordt. De kinderrechter acht het hiervoor van belang dat er op korte termijn een herstelgesprek plaatsvindt tussen het LET JB en de ouders, waarbij de wederzijdse verwachtingen worden gedeeld, zodat de samenwerking hervat kan worden. Voor een thuisplaatsing van de kinderen is het namelijk noodzakelijk dat de ouders en het LET JB goed communiceren en samenwerken. Daarbij merkt de kinderrechter op dat de stiefvader in samenwerking met het LET JB en de reclassering kan kijken of er contact kan zijn tussen de stiefvader en [minderjarige 1].

Uitvoerbaar bij voorraad

5.9.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak met zaaknummer C/02/448182 / JE RK 26-845

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2026 tot 11 december 2026;

In de zaak met zaaknummer C/02/448186 / JE RK 26-846

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2026 tot 11 december 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 1 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.