Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6577Zaaknummer C/02/439655 / FA RK 25-4624

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/439655 / FA RK 25-4624
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Intrekking verzoeken door beide partijen.

De rechtbank:

3.1

wijst de verzoeken van partijen af;

3.2

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere procesverloop
  2. 2 De nadere beoordeling
  3. 3 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/439655 / FA RK 25-4624

datum uitspraak: 17 juni 2026

nadere beschikking over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de man],

hierna te noemen de man,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. M. Ahmadi uit Rotterdam,

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen de vrouw,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. C.J.M. Veth uit Rijen,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna te noemen [minderjarige].

1 Het verdere procesverloop

1.1

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken;

- het F5-formulier van mr. Ahmadi van 12 april 2026;

- het bericht van de griffier gericht aan partijen van 22 april 2026;

- het F9-formulier van mr. Veth van 29 april 2026;

- het F9-formulier van mr. Ahmadi van 19 mei 2026.

2 De nadere beoordeling

2.1

Bij voormelde beschikking van 30 januari 2026 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld. Daarnaast is overwogen dat de problematiek van partijen vraagt om de inzet van een zorgtraject. Met instemming van partijen heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen voor hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. In verband met deze verwijzing heeft de rechtbank een definitieve beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van de eindrapportage over het verloop en de resultaten van het zorgtraject.

2.2

Bij F5-formulier van 12 april 2026 heeft mr. Ahmadi de rechtbank bericht dat de man om hem moverende redenen heeft besloten om zijn verzoek tot het vaststellen van een

zorgregeling in te trekken. De man zal daarom geen medewerking verlenen aan hulpverlening.

2.3

Bij bericht van 22 april 2026 heeft de griffier van de rechtbank, onder verwijzing naar het bepaalde in de beschikking van 30 januari 2026 en het bericht van mr. Ahmadi van 12 april 2026, aan partijen verzocht binnen twee weken aan de rechtbank kenbaar te maken hoe partijen (ieder afzonderlijk) tegen de zaak aankijken en wat hierin de vervolgstappen zouden moeten zijn.

2.4

Bij F9-formulier van 29 april 2026 heeft mr. Veth de rechtbank bericht dat ook de

vrouw haar (zelfstandige) verzoek intrekt.

2.5

Bij F9-formulier van 19 mei 2026 heeft mr. Ahmadi de rechtbank laten weten dat nu beide partijen hun verzoeken hebben ingetrokken er geen verzoeken meer voorliggen. De rechtbank wordt verzocht tot het nemen van een beslissing in de zaak.

2.6

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu beide partijen hun verzoeken hebben ingetrokken, liggen deze verzoeken niet meer ter beoordeling aan de rechtbank voor. De rechtbank zal een (nadere) bespreking hiervan daarom achterwege laten en de verzoeken van partijen afwijzen. Daarnaast brengt de intrekking van partijen van hun verzoeken met zich dat aan de verwijzing van partijen en [minderjarige] naar het UHA voor hulpverlening geen verder vervolg zal worden gegeven.

2.7

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1

wijst de verzoeken van partijen af;

3.2

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.