Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6545Zaaknummer C/02/448718 / JE RK 26-932
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448718 / JE RK 26-932
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Zorgen over plaatsing van de minderjarige bij pleegmoeder, omdat zij het contact tussen de minderjarige en haar moeder onvoldoende stimuleert.
6 De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij haar tante moederszijde, mevrouw [de pleegmoeder]) tot 19 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 29 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448718 / JE RK 26-932
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. E.M.A. Leijser uit Tilburg,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats 1].
De kinderrechter merkt daarnaast in deze zaak als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026;
- de brief 1 juni 2026 van de GI.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Leijser;
- de vader;
- de pleegmoeder;
- een vertegenwoordigster namens de GI.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Op 11 juni 2026 heeft zij haar mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met partijen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 19 september 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 19 september 2026. Daarnaast is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) verleend tot 19 maart 2026, onder aanhouding van de beslissing op het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 10 maart 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) verlengd tot 19 juni 2026.
[minderjarige] verblijft sinds augustus 2024 - aanvankelijk met instemming van de moeder (binnen het vrijwillig kader) en met ingang van 19 september 2025 dus met een machtiging tot uithuisplaatsing - bij haar pleegmoeder. De pleegmoeder is de tante moederszijde van [minderjarige].
3 Het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan
De GI verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de pleegmoeder) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 19 september 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[minderjarige] verblijft sinds augustus 2024 bij haar pleegmoeder (en haar partner). Bij hen ervaart zij betrokkenheid, structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid en krijgt zij de dagelijkse verzorging en opvoeding. [minderjarige] en haar pleegmoeder (en haar partner) hebben inmiddels een sterke gehechtheidsrelatie ontwikkeld. Echter, de langdurige strijd tussen enerzijds de moeder en anderzijds de pleegmoeder en haar partner duurt onverminderd voort. Er is geen sprake van een samenwerking en een constructieve communicatie. [minderjarige] verkeert hierdoor aanhoudend in een loyaliteitsconflict. Daarnaast is er nog steeds geen sprake van contact tussen [minderjarige] en haar moeder. [minderjarige] wil dit absoluut niet. Gezien wordt dat de pleegmoeder en haar partner [minderjarige] bevestigen in haar keuze om geen contact te willen/zullen hebben met haar moeder en zij leggen de verantwoordelijkheid hiervoor bij [minderjarige]. Ook zijn er signalen dat de pleegmoeder en haar partner de zorgen die er zijn bagatelliseren, waardoor de hulpverlening en de diagnostiek die nodig zijn onder druk komen te staan. De moeder wil graag het contact met [minderjarige] herstellen en zij voelt zich buitengesloten, omdat zij als gezaghebbende ouder door de pleegmoeder (en haar partner) nergens bij wordt betrokken. Tussen [minderjarige] en haar vader is het contact inmiddels sinds lange tijd hersteld.
In het verleden is een pleegzorgscreening vanuit WSGV vroegtijdig afgesloten vanwege zorgen over de samenwerking, de opvoedvaardigheden en de ontwikkelingsondersteuning vanuit de pleegmoeder (en haar partner). Op dit moment is Sterk Huis bezig met een pleegzorgscreening. Deze screening is nog niet afgerond. Het adviesgesprek staat gepland op 2 juli 2026. Daarnaast zal [jeugdhulp] binnenkort starten met een gezins-/systeemonderzoek. De ondersteuning die [minderjarige] krijgt vanuit [jeugdzorg] zal doorlopen totdat er zicht is verkregen op wat [minderjarige] nodig heeft en welke hulpverlening daar het beste bij kan aansluiten. De GI stelt dat de uitkomsten van de onderzoeken vanuit Sterk Huis en [jeugdhulp] dienen te worden afgewacht voordat zij een goed onderbouwd standpunt kan innemen over welke opvoedsituatie het meest tegemoetkomt aan wat [minderjarige] nodig heeft. Naar de mening van de GI is er in ieder geval een moeilijke situatie ontstaan nu [minderjarige] zelf graag bij haar pleegmoeder wil blijven wonen, terwijl de zorgen over de contactbreuk tussen haar en de moeder nog steeds aanwezig zijn en de pleegmoeder en haar partner [minderjarige] daarin bevestigen. Hoewel de GI de zorgen van de moeder over de huidige plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder dus begrijpt, vindt de GI het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat zij in afwachting van de uitkomsten van de noodzakelijke onderzoeken bij de pleegmoeder kan en zal blijven wonen.
Gelet op het voorgaande handhaaft de GI haar verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling. Naar aanleiding van de uitkomsten van de onderzoeken vanuit Sterk Huis en [jeugdhulp] zal de GI de volgende stappen bepalen. Als een plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder niet langer in haar belang wordt geacht, dan zal de GI waarschijnlijk inzetten op een plaatsing van [minderjarige] op een neutrale groep of inzetten richting zelfstandigheid. De GI neemt de suggestie van de kinderrechter ter harte om op korte termijn de mogelijkheden te bezien om [minderjarige] alvast aan te melden voor dergelijke trajecten, dit met het oog op de bestaande wachtlijsten.
4 De standpunten
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] heeft in duidelijke bewoordingen aangegeven dat zij geen contact meer wil hebben met haar moeder. [minderjarige] heeft het goed bij haar pleegmoeder en zij wil graag in het gezin van haar pleegmoeder blijven wonen.
De pleegmoeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het is niet zo dat de pleegmoeder vindt dat [minderjarige] geen contact mag hebben met haar moeder. De pleegmoeder vindt dat [minderjarige] haar eigen keuzes daarin mag maken. De pleegmoeder stelt daarnaast dat zij wel contact wil hebben met de moeder, maar dat de moeder dit contact afhoudt. Ondanks de bestaande onduidelijkheid over de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder en de onrust rondom de moeder, doet [minderjarige] het momenteel goed op school. De pleegmoeder gunt het [minderjarige] dat er snel duidelijkheid komt over de vraag waar zij kan blijven wonen (haar perspectief).
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Het contact dat de vader met [minderjarige] heeft, verloopt goed. Zij hebben geen vaste contactafspraken gemaakt. [minderjarige] is bij de vader altijd welkom. De vader wil ook graag met de moeder in contact, maar volgens de vader houdt de moeder dit contact af. De vader stelt daarnaast dat [minderjarige] de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt graag wil verwerken door middel van traumabehandeling.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige] is van de een op de andere dag bij haar weggegaan. De moeder mist [minderjarige] ontzettend. Zij wil graag dat [minderjarige] weer bij haar terugkomt. De moeder deelt de zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder, zoals de GI heeft aangegeven. De pleegmoeder geeft aan dat zij het contact tussen [minderjarige] en de moeder niet tegenhoudt, maar zo ervaart de moeder dit niet. In het verleden heeft de moeder namelijk op verschillende manieren geprobeerd om met [minderjarige] in contact te komen, maar dit is niet gelukt. [minderjarige] wijst overigens niet alleen de moeder af, maar de hele familie moederszijde. Dit komt volgens de moeder onder meer doordat [minderjarige] onvoldoende ruimte ervaart om haar eigen mening te vormen en deze te uiten. [minderjarige] wijst bovendien alle vormen van hulpverlening af. [jeugdhulp] zal binnenkort gaan starten, maar dit zal naar de verwachting van de moeder niet goed van de grond komen zo lang zij bij de pleegmoeder blijft wonen. Namens en door de moeder is daarom gepleit tot afwijzing van het verzoek. In dat geval zal de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder eindigen. De moeder zou het liefste willen dat [minderjarige] per direct bij haar zal terugkeren, maar zij realiseert zich dat de terugplaatsing onder begeleiding van intensieve hulpverlening zal moeten plaatsvinden. De moeder vindt het daarom op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat zij tijdelijk op een neutrale plek zal worden geplaatst.
5 De beoordeling door de kinderrechter
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid van het Burgerlijk Wetboek de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Een pleegouder heeft een aantal belangrijke taken. Een daarvan is het stimuleren, het verzorgen en het ondersteunen van zo goed als mogelijk contact tussen het pleegkind en zijn of haar ouders. Als een pleegouder daartoe niet in staat is, dan komt de vraag naar voren of deze persoon wel geschikt is als pleegouder. [minderjarige] verblijft inmiddels bijna twee jaren bij de pleegmoeder. Het is duidelijk gebleken dat er zorgen zijn over de manier waarop de pleegmoeder bewust dan wel onbewust omgaat met het gegeven dat [minderjarige] zegt dat zij geen contact met haar moeder wil hebben. De pleegmoeder heeft aangegeven dat zij het contact(herstel) tussen [minderjarige] en haar moeder niet in de weg staat. Het contact(herstel) komt volgens de pleegmoeder niet op gang omdat [minderjarige] dat absoluut niet wil. Dit ontslaat de pleegmoeder echter niet van haar verantwoordelijkheid om [minderjarige] daarvoor te stimuleren en haar daarbij te ondersteunen. Als [minderjarige] aan zou geven dat zij niet naar school toe wil gaan, dan zou de pleegmoeder haar ook niet zonder slag of stoot volgen in haar wens.
Gelet op het voorgaande zijn er, naar het oordeel van de kinderrechter, zorgen over de plaatsing en het verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder. Er bestaat dan ook een risico dat de pleegzorgscreening vanuit Sterk Huis negatief zal uitpakken, in die zin dat zal worden vastgesteld dat de plaatsing en het verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder niet (langer) in haar belang te achten is. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] loopt tot 19 juni 2026. Als de kinderrechter het verzoek tot verlenging van die machtiging vandaag zou afwijzen, dan zou de GI slechts drie dagen de tijd hebben om een (neutrale) (crisis)plek voor [minderjarige] te vinden en de overplaatsing te regelen. De kinderrechter vindt dat niet in het belang van [minderjarige]. Bovendien zou de relatie tussen [minderjarige] en haar moeder in dat geval mogelijk nog verder onder druk komen te staan.
De kinderrechter is daarom van oordeel, ondanks de zorgen die zij heeft, dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij haar verblijf bij de pleegmoeder vooralsnog kan en zal voortzetten. Naar aanleiding van de uitkomsten van in ieder geval het perspectiefonderzoek vanuit Sterk Huis, zal de GI de vervolgstappen moeten bepalen. Als Sterk Huis zal concluderen dat een overplaatsing van [minderjarige] naar een andere plek het meest in haar belang moet worden geacht, dan vindt de kinderrechter dat de overplaatsing zorgvuldig en dus niet overhaast moet gebeuren. Bovendien zal moeten worden bezien of [minderjarige] gedurende het onderzoek vanuit [jeugdhulp] al moet worden verplaatst en zo ja, wat dit zou betekenen voor de uitkomsten van dit onderzoek. Een andere mogelijkheid is dat Sterk Huis naar aanleiding van de pleegzorgscreening zal concluderen dat de zorgen die er zijn op een bepaalde manier aangepakt moeten worden. In dat geval zou het het meest in het belang van [minderjarige] kunnen zijn dat zij vooralsnog bij de pleegmoeder zal blijven wonen. De kinderrechter vraagt zich wel sterk af of beide onderzoeken moeten worden afgewacht alvorens een richting te bepalen. Van belang is namelijk dat er op korte termijn duidelijkheid komt over de vraag of [minderjarige] bij de pleegmoeder zal blijven wonen of dat zij naar een andere plek zal worden overgeplaatst.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder verlengen voor de (verzochte) duur van de huidige ondertoezichtstelling, dus tot 19 september 2026.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
De kinderrechter overweegt tot slot dat [minderjarige] heeft aangegeven dat zij de beslissing in deze zaak graag van haar pleegmoeder wil horen. De kinderrechter gaat ervan uit dat de pleegmoeder haar daarvan in kennis zal stellen, maar ook dat de GI [minderjarige] hierover zal informeren.
6 De beslissing van de kinderrechter
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij haar tante moederszijde, mevrouw [de pleegmoeder]) tot 19 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 29 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.