Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6541Zaaknummer C/02/446915 / FA RK 26-1801
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/446915 / FA RK 26-1801
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geen minder ingrijpende alternatieven; verzoek RM toegewezen.
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats];
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 16 december 2026.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Benjaddi, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 1 juli 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446915 / FA RK 26-1801
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
advocaat mr. A.W.A.P. Doesburg uit Breda.
1 Het verloop van de procedure
Het verdere procesverloop blijkt uit:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 april 2026;
- de stukken van CIZ, ontvangen op 28 mei 2026;
- de brief van mr. Doesburg, binnengekomen bij rechtbank op 2 juni 2026;
- de brief van mevrouw [persoon 1] van [accommodatie], ontvangen op 11 juni 2026;
- de brief van de heer [persoon 2] van MaSS, ontvangen op 16 juni 2026.
De voortgezette mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026 bij betrokkene thuis. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [persoon 1], casemanager;
- [persoon 3], medewerker [accommodatie];
- [persoon 4], ergotherapeut;
- [persoon 5], echtgenoot van betrokkene.
In de beschikking van 16 juni 2026 overweegt de rechtbank dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening welke leidt tot ernstig nadeel. Ook overweegt de rechtbank dat betrokkene zich verzet tegen opname en verblijf. Ter zitting is besproken of er nog een minder bezwarend alternatief is voor betrokkene voordat toegekomen wordt aan toewijzing van het verzoek van het CIZ om een rechtelijke machtiging te verlenen tot opname en verblijf. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van het CIZ aangehouden omdat er naar haar oordeel nog verder onderzoek dient te worden gedaan naar minder ingrijpende alternatieven. Een opname is namelijk, gelet op het uitgangspunt van de wet, een ultimum remedium. Op 16 juni 2026 om 09:30 uur is de behandeling van het verzoek van het CIZ voortgezet waarbij partijen wederom zijn gehoord.
2 Nadere standpunten
Betrokkene verklaart dat het beter tussen haar en haar echtgenoot gaat tijdens de vorige zitting. is er meer rust ontstaan. Hoewel zij het nog steeds moeilijk vindt, ervaart zij een positieve ontwikkeling. Daarnaast geeft betrokkene aan niet naar een verpleeghuis of naar een dagbesteding te willen. Zij voelt zich prettig thuis en merkt op dat zij vroeger al veel van huis is geweest. Dat wil ze nu niet weer. Ook ervaart zij dagbesteding niet als ontspannend, zij past niet tussen de andere mensen van de dagbesteding. Ten slotte geeft betrokkene aan dat zij niet met alle medewerkers van [accommodatie] een goede verstandhouding heeft, maar dat het contact met mevrouw [persoon 3] wel goed verloopt. Met haar praat of wandelt betrokkene.
De casemanager verklaart dat sinds de vorige zitting verschillende minder bezwarende alternatieven zijn onderzocht, maar dat deze niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Betrokkene weigert deel te nemen aan dagbesteding omdat zij hier volgens haar niet thuis hoort. Ook geeft betrokkene geen toestemming voor de aanvraag van een Wlz-indicatie. Hierdoor kunnen geen aanvullende vormen van ondersteuning en/of zorg aan huis worden bekostigd om te worden ingezet. Daarnaast is er met de echtgenoot gekeken naar de mogelijkheden om vaker van huis te zijn. Omdat hij geen zorgindicatie heeft, kan hij geen gebruik maken van dagbesteding. Wel is een buurthuis gevonden waar hij eventueel terecht zou kunnen, maar hiervan is nog geen gebruikgemaakt. Tot slot benadrukt de casemanager dat zij betrokkene nergens toe kan verplichten en dat betrokkene de aangeboden hulp consequent afwijst.
De ergotherapeut brengt naar voren dat zij veel gesprekken heeft gevoerd met de echtgenoot van betrokkene over mogelijke activiteiten waar hij aan kan deelnemen. Ook geeft zij hem adviezen over de situatie. Daarnaast constateert zij dat betrokkene cognitief achteruitgaat en niet meer leerbaar is. De focus ligt daarom niet op het aanleren van nieuwe vaardigheden, maar op het aanpassen van de omgeving aan de behoeften van betrokkene. Dit legt echter ook een grote druk op de echtgenoot en het zorgt voor nodige frustraties over en weer. In de afgelopen twee maanden is geen verbetering zichtbaar geweest in de situatie van betrokkene. Om die reden acht de ergotherapeut een rechterlijke machtiging noodzakelijk.
De medewerker van [accommodatie] brengt naar voren dat zij met regelmaat bij betrokkene langskomt. Tijdens deze contactmomenten wil betrokkene voornamelijk wandelen of praten over de situatie. Daarnaast geeft de medewerker aan dat betrokkene alleen haar toelaat en geen contact wenst met haar collega’s.
De echtgenoot van betrokkene verklaart dat hij is gaan kijken bij een buurthuis om daar in de middag een paar uur door te brengen. Hij is voornemens om zeker eens per week te gaan, maar hij is hier nog niet mee gestart. Hij heeft het verder druk met andere afspraken en taken, zoals ziekenhuisbezoeken en boodschappen doen. Daarom kan hij waarschijnlijk niet veel vaker naar het buurthuis.
De advocaat verzoekt namens betrokkene om afwijzing van het verzoek. In aanvulling op zijn brief merkt hij op dat betrokkene niet bereid is vrijwillig mee te werken aan de noodzakelijk geachte zorg en dat de echtgenoot overbelast is geraakt.
Desondanks stelt de advocaat zich op het standpunt dat nog niet is voldaan aan het ultimum-remediumbeginsel. Er dient nog verder onderzoek te worden gedaan naar alternatieven voor betrokkene. Volgens de advocaat zijn er namelijk wel degelijk minder ingrijpende mogelijkheden beschikbaar, met name indien een Wlz-indicatie tot stand komt. Daarom is een rechterlijke machtiging op dit moment niet noodzakelijk en verzoekt de advocaat namens betrokkene primair afwijzing, subsidiair aanhouding waarna de alternatieven verder dienen te worden onderzocht.
3 Nadere beoordeling
De rechtbank stelt vast dat minder bezwarende alternatieven niet haalbaar zijn gebleken om zo betrokkene in de thuissituatie te laten wonen. Uit de aanvullende stukken en hetgeen is besproken op zitting blijkt dat voor betrokkene geen aanvullende vormen van ondersteuning en/of zorg aan huis kunnen worden ingezet omdat een Wlz-indicatie ontbreekt. Betrokkene weigert de aanvraag voor deze indicatie te ondertekenen. De aanvullende zorg die wel aangeboden kan worden zonder Wlz-indicatie, wordt door betrokkene geweigerd. Zo weigert zij zorgmedewerkers van [accommodatie] toe te laten in haar woning op haar vaste zorgmedewerker na en wil ze geen gebruik maken van dagbesteding. Dit brengt met zich mee dat de minder bezwarende alternatieven, voor zover deze er zijn, niet ingezet kunnen worden omdat betrokkene hier niet aan mee wenst te werken.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet anders worden geconcludeerd dan dat een opname noodzakelijk is. In de accommodatie wordt er aan betrokkene de nodige 24-uurszorg, sturing en toezicht geboden, waarbij zij niet afhankelijk is van haar echtgenoot. Daarbij kan voorkomen worden dat betrokkene ernstig letsel in de thuissituatie oploopt. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel af te wenden, omdat enerzijds de grenzen van de echtgenoot zijn bereikt. Anderzijds weigert betrokkene zoals eerder toegelicht, de noodzakelijk geachte (thuis)zorg en ondersteuning.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. Zoals verzocht, zal de machtiging worden verleend voor de duur van zes maanden.
4 De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor [betrokkene], geboren op [geboortedag] 1945 in [geboorteplaats];
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 16 december 2026.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Benjaddi, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 1 juli 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.