Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6538Zaaknummer C/02/447880 / JE RK 26-787
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447880 / JE RK 26-787
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen, verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing voorziening pleegzorg gedeeltelijk toegewezen onder aanhouding van het restant
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tot 21 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 21 juni 2026 en tot 21 december 2026;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg aan tot 13 november 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen bij de rechtbank over de recente ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447880 / JE RK 26-787
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,
locatie Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. E.S. van Aken uit Zierikzee,
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 3].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026;
- de brief van [minderjarige 1], ontvangen op 11 juni 2026;
- de brief van de pleegmoeder, overlegd tijdens de mondeling behandeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de pleegmoeder;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
De pleegvader heeft schriftelijk laten weten niet te zullen verschijnen op de zitting.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter hierover een brief gestuurd. [minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld of geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1].
Bij beschikking van 21 juni 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 21 juni 2026.
Bij beschikking van 10 april 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden te beslissen op het spoedverzoek om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit huis te plaatsen afgewezen. Het reguliere verzoek machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 23 april 2025.
Bij beschikking van 23 april 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI om een machtiging om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een (netwerk)pleeggezin (zaaknummer C/02/434079 / JE RK 25-644), te weten bij de grootouders moederszijde, voor de duur van de ondertoezichtstelling voor onbepaalde tijd aangehouden, tot maximaal het einde van de ondertoezichtstelling (21 juni 2025).
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend met ingang van 17 juni 2025 en tot 21 juni 2025. Bij deze beschikking is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend met ingang van 21 juni 2025 en tot 21 december 2025. De beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing is aangehouden.
Bij beschikking van 9 december 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, verlengd met ingang van 21 december 2025 en tot 21 juni 2026.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven op grond van de voornoemde machtiging in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
[minderjarige 1] geeft in zijn brief, kort weergegeven, aan dat hij zijn vader en zijn moeder vaker wil zien. Hij wil dat de pleegouders voor hem zorgen als de moeder moet werken.
[minderjarige 2] geeft in zijn gesprek met de kinderrechter aan dat hij meer bij zijn moeder wil zijn. Hij wil weten waarom hij doordeweeks niet bij de moeder mag zijn. Ook wil [minderjarige 2] vaker bij zijn vader zijn. Ook zou [minderjarige 2] graag terug willen naar school en met zijn vrienden spelen. Hij begrijpt niet waarom hij nu al zo lang niet naar school mag.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Sinds de zomervakantie van 2025 is de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op sommige ontwikkelingsgebieden alleen maar toegenomen. In die periode is vaders psychische gesteldheid achteruitgegaan, hetgeen veel onrust heeft gegeven in de opvoedingssituatie van de kinderen en wat heeft geleid tot het tijdelijk stopzetten van de contacten tussen de kinderen en de vader. In dezelfde periode zijn de kinderen problematisch gedrag gaan vertonen en wel zodanig dat zij niet langer gewenst waren op hun school. De GI heeft zich ingezet om de kinderen weer naar een school te laten gaan, maar heeft een niet meewerkende houding ervaren van de school, [zorginstelling] en [hulpverlening] waardoor de kinderen nu nog steeds niet naar school gaan. Nadat de school heeft aangegeven dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet meer naar school konden vanwege hun gedrag is [jeugdorganisatie] ingezet als een tijdelijke oplossing. Uiteindelijk is er een aanmelding bij de [jeugdzorginstelling] gedaan. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gaan hier allebei twee ochtenden in de week naar toe. De school heeft aangegeven dat zij het nog niet passend vinden dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] terug naar school gaan. De gezinsmanager doet een breed onderzoek naar wat de kinderen van de ouders nodig hebben en wat de ouders kunnen bieden. Dit onderzoek is bijna afgerond en hier zal een advies uit komen. Ook is er een aanmelding gedaan voor MST-CAN en is het regionaal expertiseteam ingeschakeld om te adviseren over welke hulpverlening voor de kinderen passend is. Het gaat inmiddels weer een stuk beter met de vader en de contacten tussen de kinderen en beide ouders verlopen op dit moment goed. De GI ziet meer rust bij beide ouders, dit moet vastgehouden worden. De komende periode moet worden gebruikt om het perspectief van de kinderen te bepalen. De GI kan ook achter de door de moeder en de vader gewenste verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een half jaar staan.
De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder kan zich ook vinden in een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, maar dan voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor een periode van zes maanden. Een kortere verlenging doet recht aan de stappen die de moeder heeft gezet. De moeder heeft een eigen woning, werk en haar schulden zijn afgelost. De moeder geeft aan zonder de vader verder te willen. In de komende zes maanden kan worden teruggewerkt aan een terugthuisplaatsing bij de moeder. De kinderen hebben ook behoefte aan de uitbreiding van het contact met de vader. Dit moet op een goede manier begeleid worden.
Ook de vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader is voorstander van een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor zes maanden. Dat de kinderen nu al een jaar niet naar school zijn geweest is een grote zorg. Over het contact tussen de kinderen en de vader moeten duidelijke afspraken worden gemaakt. Op dit moment gaat het goed met de vader. Hij hoopt binnenkort dichter bij de kinderen te kunnen wonen en zijn kinderen weer meer en zonder begeleiding te kunnen zien.
De pleegmoeder staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geven aan dat zij de vader en de moeder vaker willen zien. De pleegmoeder denkt dat de moeder in het weekend goed voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan zorgen. Door de week kunnen de kinderen dan bij de pleegouders zijn. Verder denkt de pleegmoeder dat het goed is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] de vader wekelijks onder begeleiding blijven zien. Ook de pleegouders maken zich er grote zorgen over dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet naar school gaan.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.[_91523f63-d6a7-4055-b58d-3b7cc21852a0] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Het is de kinderrechter gebleken dat er positieve stappen worden gezet. De contacten tussen de kinderen en beide ouders verlopen op dit moment goed. Ook gaat het met zowel de moeder als de vader op persoonlijk vlak beter. De moeder heeft een baan, een huis en heeft haar schulden afgelost. De psychische gezondheid van de vader is weer stabiel en hij slikt zijn medicijnen, Het is de kinderrechter ter zitting gebleken dat de vader er echt van doordrongen is dat hij de medicatie nodig heeft om stabiel te blijven en niet opnieuw te ontregelen en dat stemt positief. Hij heeft momenteel nog begeleid contact met de kinderen. Er is bij de ouders meer rust ontstaan. De vooruitgang in de persoonlijke situatie van de beide ouders is echter nog pril en dient vastgehouden en gemonitord te worden. De relatie tussen de ouders blijft onduidelijk nu de moeder ter zitting aangeeft te willen scheiden, maar de vader hiervan nog niet op de hoogte was. De vader geeft juist aan toe te willen werken naar een situatie waarin het gezin weer samenwoont. Een mogelijke scheiding zoals door de moeder beoogd zal mogelijk ingrijpend zijn voor de ouders en daarmee voor de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij niet belast worden met de gevolgen van de scheiding en de emoties van de ouders die hierbij ongetwijfeld zullen komen kijken. Aan de kinderen moet op een bij hun ontwikkeling passende manier uitleg en duidelijkheid gegeven worden.
De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt, ondanks dat het met de ouders beter gaat, er meer rust is ontstaan in de opvoedingssituatie van de kinderen en de contacten met de ouders goed verlopen, nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vertonen namelijk complex gedrag. [minderjarige 1] laat onvoorspelbaar, impulsief en fysiek gedrag zien. [minderjarige 2] vraagt op een negatieve manier om aandacht en vertoont externaliserend gedrag. Het gedrag van beide kinderen is volgens de school te complex voor onderwijs. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn hierdoor al bijna een jaar niet naar school geweest. Op dit moment lijkt een terugkeer naar school aan het begin van het nieuwe schooljaar nog niet mogelijk. De kinderrechter maakt zich hier grote zorgen over. Het niet naar school gaan heeft immers gevolgen voor de cognitieve ontwikkeling van de kinderen, maar ook voor hun sociaal emotionele ontwikkeling. Ter zitting is duidelijk geworden dat de GI voortvarend en met veel inzet heeft gewerkt aan het bewerkstelligen van een terugkeer van de kinderen naar onderwijs, maar dat de jeugdbeschermers hierin de nodige tegenwerking van in ieder geval de school heeft ondervonden. De kinderrechter spreekt haar verbazing uit over het gegeven dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] al zo lange tijd verstoken blijven van onderwijs.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat er sprake is van complexe problematiek die de ouders niet onder eigen verantwoordelijkheid weg kunnen nemen. Er is veel hulpverlening bij het gezin betrokken. Het is nodig dat de GI regie blijft voeren om de voortgang van deze hulpverlening te bewaken en het belang van de kinderen voorop te blijven stellen. Op basis van het advies van de gezinsmanager en het regionaal expertiseteam zal de GI moeten bepalen wat de kinderen verder nodig hebben in hun ontwikkeling. Daarnaast moet hard gewerkt blijven worden aan een plan voor de terugkeer naar het onderwijs. Ook dient de GI de start van MST-CAN te monitoren.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.[_ecace659-d5b5-4409-b4ec-c7c7238de697] Op het moment wonen de kinderen bij de grootouders van moederszijde en het is in hun belang dat zij daar in ieder geval het komende half jaar blijven wonen. Daar zijn de ouders het ook mee eens. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geven beiden wel aan dat zij de vader en de moeder meer willen zien en ook de ouders spreken deze wens uit. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn een lange tijd opgegroeid in een instabiele en onveilige opvoedomgeving. De kinderen hebben daardoor veel onrust en spanningen meegemaakt. Het is daarom belangrijk dat er zorgvuldig onderzocht wordt hoe de contacten – en op termijn mogelijk een terugthuisplaatsing – vormgegeven moeten worden. Bij de opbouw van het contact zal rekening moeten worden gehouden met de draagkracht van de ouders en de wens van de kinderen. De komende periode moet de GI onderzoeken waar het perspectief ligt van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. Gelet op het voorgaande is het belangrijk dat de machtiging uithuisplaatsing gecontinueerd wordt. De verlenging zal echter voor een kortere duur dan verzocht worden uitgesproken. De kinderrechter vindt het belangrijk om vinger aan de pols te houden en over zes maanden de stand van zaken opnieuw te beoordelen. Bekeken zal worden of de positieve stappen van de ouders zijn vastgehouden en hoe de opbouw in de omgang tussen de kinderen en de ouders verloopt. Daarnaast hoopt de kinderrechter dat er ontwikkelingen zijn rondom de terugkeer naar school van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De kinderen zullen in ieder geval de komende periode bij de pleegouders verblijven. De kinderrechter erkent dat dit, gelet op de veelheid aan betrokken hulpverlening en nu de kinderen niet naar school gaan, een zware taak is voor de pleegouders. Ook voor hen is het belangrijk dat er over zes maanden een toetsmoment plaatsvindt over de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De machtiging uithuisplaatsing zal daarom worden verlengd met zes maanden, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tot 21 juni 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 21 juni 2026 en tot 21 december 2026;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg aan tot 13 november 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen bij de rechtbank over de recente ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.