Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6533Zaaknummer C/02/447397 / JE RK 26-692
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 20 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447397 / JE RK 26-692
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Machtiging UHP voor een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis). Beslissing aangehouden in afwachting van perspectiefbepaling.
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt de beslissing op het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening aan tot donderdag 23 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI en van de bijzondere curator.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447397 / JE RK 26-692
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
het LANDELIJK EXPERTISE TEAM JEUGDBESCHERMING, namens
de gecertificeerde instelling STICHTNG JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
te dezer zaak beiden vertegenwoordigd door mr. J. Nederlof, bijzondere curator, kantoorhoudende te Tilburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. J.M. Molkenboer uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026;
- de brief van mr. Molkenboer van 12 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- namens de moeder, haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De vader is, hoewel correct opgeroepen, zonder voorafgaand bericht niet verschenen. De moeder heeft via haar advocaat laten weten niet aanwezig te zijn op de zitting.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft op 1 juni 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te spreken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun oudere broer [persoon 1].
Bij beschikking van 1 april 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [persoon 1], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 19 april 2025 verlengd tot 19 april 2026.
Bij beschikking van 15 januari 2026 (met de zaaknummers C/02/443118 / JE RK 25-2260 en C/02/443115 / JE RK 25-2258) heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [persoon 1] (bij zijn vader) en van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder) tot 19 april 2026.
Daarnaast heeft de kinderrechter in die beschikking de bijzondere curator benoemd met het zoek om uiterlijk op donderdag 2 april 2026 aan de kinderrechter en aan de GI schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen, onder meer ter beantwoording van de navolgende vragen:
- worden de wensen van de kinderen momenteel op een vrije, onbeïnvloede manier gehoord?
- kunnen de kinderen bij de moeder wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de moeder?
- kunnen de kinderen bij de vader wonen, in het geval zij niet bij de moeder kunnen wonen? Voelen de kinderen zich veilig bij de vader?
- toekomstperspectief: wat is in het belang van de kinderen op korte/lange termijn?
Nadat de moeder tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep had ingesteld, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 2 april 2026 onder meer geoordeeld dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 15 januari 2026 tot 19 april 2026 noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
Bij beschikking van 17 april 2026 heeft de kinderechter de ondertoezichtstelling van [persoon 1], [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 19 april 2026 verlengd tot 19 april 2027 en heeft zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 april 2026 verlengd tot 19 augustus 2026. Verder heeft de kinderrechter geoordeeld dat het geen optie is om [persoon 1] nog langer bij zijn vader te laten wonen. Omdat de GI aan de rechtbank heeft laten weten dat er voor [persoon 1] een plek beschikbaar is in de accommodatie waar ook [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, heeft de kinderrechter ook voor hem een machtiging uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 april 2026 tot 19 augustus 2026. De kinderrechter heeft de beslissing op de verzoeken met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen voor het overige (de periode na 19 augustus 2026) aangehouden tot donderdag 23 juli 2026, in afwachting van bericht van de GI en van de bijzondere curator. Die (aangehouden) zaken zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers C/02/445999 / JE RK 26-432 en C/02/445996 / JE RK 26-431.
3 Het verzoek
De GI verzoekt nu een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van acht maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI voert ter onderbouwing van het verzoek samengevat het volgende aan. Op 15 april 2026 is duidelijk geworden dat er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een passende plek beschikbaar is binnen een gezinshuis. Die omgeving, met twee vaste opvoeders en meer zorg, nabijheid en (individuele) begeleiding, zal eraan bijdragen dat de kinderen duurzame en veilige hechtingsrelaties kunnen opbouwen en hun kwaliteiten verder kunnen ontwikkelen. Daarbij komt dat de plaatsing van [persoon 1] in de accommodatie waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, niet in het belang is van de jongste kinderen. [persoon 1] is al een tijd onvindbaar en er zijn zorgen over de negatieve invloed die hij op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. Tijdens de zitting heeft de GI verder toegelicht dat een plek in het gezinshuis ook perspectiefbiedend is. Het lukt de GI niet om in contact te komen met moeder. Hoewel het perspectief van de kinderen nog niet is bepaald, acht de GI het op dit moment niet erg waarschijnlijk dat de kinderen binnen afzienbare tijd terug zullen gaan naar moeder.
De bijzondere curator heeft erop gewezen dat de kinderen de wens hebben uitgesproken op de huidige plek te blijven. Zij gaan daar inmiddels beiden naar school en doen het goed. Met name [minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit. De bijzondere curator acht het niet in haar belang om vaak van plek te wisselen, omdat zij moeite lijkt te hebben met het aangaan van nieuwe relaties. Bovendien zullen de kinderen zorgvuldig meegenomen moeten worden in het traject. Voorzichtigheid is daarom geboden, waardoor het wellicht nodig is om pas op de plaats te maken. De bijzondere curator verwacht dat hij over enkele weken antwoord kan geven op de door de rechtbank aan hem geformuleerde vragen en dat er dan dus meer zicht kan komen op het perspectief van de kinderen.
De advocaat van moeder heeft naar voren gebracht dat de GI zich op het standpunt blijft stellen dat moeder eerst in gesprek moet gaan met de GI voordat het contact tussen haar en de kinderen kan plaatsvinden. Moeder ziet dat anders. Verder heeft de advocaat aangevoerd dat al lang duidelijk is dat de GI van mening is dat het perspectief van de kinderen niet meer bij moeder ligt. Moeder is het daar niet mee eens.
5 De beoordeling
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het op dit moment in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om te verhuizen van de huidige locatie waar zij verblijven (een woongroep) naar een gezinshuis.
De kinderrechter is zich ervan bewust dat een (mogelijke) verhuizing bij de kinderen zorgt voor onrust en spanning. [minderjarige 1] heeft in het kindgesprek duidelijk uitgesproken dat zij het op de huidige plek goed naar haar zin heeft, dat zij sinds een maand weer naar school gaat en dat zij hoopt dat ze na dit schooljaar naar de derde klas gaat. Ook [minderjarige 2] heeft aan de GI en de bijzondere curator laten weten dat hij op de huidige plek wil blijven.
Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat voor de GI de belangrijkste beweegreden om de plaatsing van de kinderen te wijzigen is gelegen in de omstandigheid dat een (perspectiefbiedend) gezinshuis voor de langere termijn beter aansluit op de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan de woongroep waar zij nu verblijven.
De kinderrechter begrijpt dat standpunt van de GI. Ook hij gunt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een stabiele omgeving waar zij voor de lange termijn de zorg en persoonlijke aandacht krijgen die zij nodig hebben en verdienen. De kinderrechter twijfelt er niet aan dat een gezinshuis in zijn algemeenheid en ook in dit geval voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de lange(re) termijn een omgeving biedt die beter aansluit op hun behoeften dan de woongroep waar zij op dit moment verblijven. Zolang het perspectief van de kinderen nog niet is bepaald, is echter niet duidelijk of die omgeving niet ook binnen afzienbare termijn door moeder (of vader) kan worden geboden.
De GI heeft tijdens de zitting weliswaar het standpunt ingenomen dat het niet waarschijnlijk is dat de kinderen binnen afzienbare tijd terug kunnen naar moeder (of vader), maar de GI heeft nog geen perspectiefbesluit genomen dat ter toetsing aan de rechtbank is voorgelegd. Het is niet aan de kinderrechter om in deze procedure op een dergelijk besluit en de toetsing daarvan vooruit te lopen. Bij het ontbreken van een perspectiefbepaling, vindt de kinderrechter het daarom op dit moment niet gepast én niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hen te laten verhuizen naar een (perspectiefbiedend) gezinshuis. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat er op dit moment geen (andere) dringende reden is om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit de voor hen inmiddels vertrouwde omgeving van de woongroep weg te halen. Een omgeving waar zij net aan zijn gewend. Integendeel, de kinderen zeggen zelf dat ze het daar goed naar hun zin hebben. Bovendien gaan zij beiden naar school en wensen ze het schooljaar graag af te maken. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat zij hun schooljaar op de huidige school kunnen afronden. Een verhuizing zet de wereld van de kinderen (opnieuw) op zijn kop en doet daarmee een groot beroep op hun flexibiliteit en weerbaarheid. De rechtbank ziet daar in de huidige omstandigheden en zolang nog niet duidelijk is dat het perspectief van de kinderen niet meer bij een van de ouders ligt, geen noodzaak voor. Die noodzaak volgt voor de kinderrechter ook niet uit de stelling van de GI dat bijplaatsing van [persoon 1] vanwege zijn negatieve invloed op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in hun belang is. Nog daargelaten dat de GI die stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd, is bijplaatsing van [persoon 1] – die al een aantal weken onbereikbaar is voor de GI – op dit moment niet aan de orde.
Hoewel de rechtbank de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis bij een langdurige uithuisplaatsing in hun belang acht, zal er dus eerst duidelijkheid moeten komen over het perspectief van de kinderen. Dat hebben ook het gerechtshof in zijn beschikking van 2 april 2026 en de kinderrechter in haar beschikking van 17 april 2026 overwogen. Het is aan de GI om daar het initiatief toe te nemen. De kinderrechter gaat er, mede op basis van de uitlatingen van de GI en de bijzondere curator tijdens de zitting, van uit dat de GI en de bijzondere curator in staat zijn vóór de in laatstgenoemde beschikking genoemde pro forma datum van 23 juli 2026 de kinderrechter nader te informeren over het perspectief van de kinderen. Daarom ziet de kinderrechter aanleiding om de beslissing op het verzoek van de GI in deze zaak tot die datum aan te houden, in afwachting van het perspectiefbesluit door de GI en het schriftelijk verslag van de bijzondere curator.
De kinderrechter spreekt op deze plaats de hoop uit dat de plek in het gezinshuis voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in afwachting van de nadere beslissing in deze zaak beschikbaar blijft.
Tot slot merkt de kinderrechter voor de duidelijkheid op dat de GI en de bijzondere curator in zowel onderhavige zaak als in de zaak die is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/445996 / JE RK 26-431, de kinderrechter zullen berichten over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het ligt voor de hand dat de kinderrechter in augustus 2026 die twee zaken en de zaak waarin (het resterende deel van) het verzoek over de uithuisplaatsing van [persoon 1] (geregistreerd onder het zaaknummer C/02/445999 / JE RK 26-432) gezamenlijk op één zitting zal behandelen.
Kindbrief
[minderjarige 1] heeft in haar gesprek tegen de kinderrechter gezegd dat zij graag zelf een brief krijgt met de beslissing daarin. De kinderrechter zal [minderjarige 1] daarom informeren per brief. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige 1],
Op 1 juni 2026 hebben wij via Teams met elkaar gesproken. Ik vond het een prettig gesprek. Jij hebt heel duidelijk verteld hoe jij denkt over het voorstel van [persoon 2] en [persoon 3] (de jeugdbeschermers) om jou en je broertje [minderjarige 2] in een gezinshuis te laten verblijven.
Jij ziet een verhuizing niet zitten. Je bent net gewend op de woongroep waar je sinds begin dit jaar verblijft. Je hebt het daar naar je zin en je hebt een fijne persoonlijk begeleider. Je vertelde mij dat je ook weer bent begonnen met school en dat je hoopt dit schooljaar goed te kunnen afsluiten, zodat je na de zomervakantie in de derde klas kunt beginnen. Je bent bang dat door een verhuizing jouw leven weer op z’n kop komt te staan en dat het gezinshuis niet goed zal bevallen. Voor jou is niet duidelijk waarom een verhuizing nodig is. Als je niet bij je moeder kunt wonen, dan vind jij de woongroep de beste plek om te verblijven.
Ik ben het met jou eens dat het nu nog niet nodig is om te verhuizen naar een gezinshuis. Ik vind het belangrijk dat jij het schooljaar kunt afmaken op je huidige school.
Anders dan jij, denk ik wel dat een gezinshuis voor jou en [minderjarige 2] uiteindelijk een betere plek is om op te groeien in het geval jullie niet bij jullie moeder kunnen gaan wonen. Ik snap dat een verhuizing voor jou spannend is en dat je dan weer moet wennen aan nieuwe mensen, een nieuw huis en een nieuwe school. Die nadelen wegen voor mij niet op tegen de voordelen die een gezinshuis voor jou en je jongere broertje biedt op de lange termijn: meer stabiliteit, persoonlijke aandacht en begeleiding.
Dat betekent dat ik een plek in het gezinshuis voor jou en [minderjarige 2] de beste keuze vind als jullie daar voor een langere periode zullen blijven. Dat is afhankelijk van de vraag of jullie op termijn weer bij jullie moeder kunnen gaan wonen. [persoon 2] en [persoon 3] hebben mij gezegd dat zij niet verwachten dat jullie binnenkort terug kunnen naar jullie moeder, maar zij sluiten die mogelijkheid nog niet definitief uit. Daarom vraag ik [persoon 2] en [persoon 3] en [naam] (de bijzondere curator) om de kinderrechter eind volgende maand te vertellen hoe zij jullie toekomst voor zich zien. Dan kan de kinderrechter een beslissing nemen over waar jij en je broertje [minderjarige 2] zullen opgroeien.
Ik neem daarom nu geen beslissing op het verzoek om jou en [minderjarige 2] te plaatsen in een gezinshuis. Ik verwacht dat de kinderrechter dat in augustus zal doen. Tot die tijd verandert er voor jullie niets en blijven jullie op de woongroep waar jullie nu verblijven.
Ik ben blij dat het nu goed gaat met jou en [minderjarige 2]. Jullie gaan allebei naar school. Dat vind ik heel belangrijk. Ik hoop ook dat de toetsweek goed zal gaan en dat je volgend jaar naar de derde klas kunt.
Ik wens jou en je broertje [minderjarige 2] het allerbeste.
Vriendelijke groet,
de kinderrechter.
6 De beslissing
De kinderrechter:
houdt de beslissing op het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening aan tot donderdag 23 juli 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de GI en van de bijzondere curator.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.