Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6531Zaaknummer C/02/448245 / JE RK 26-855
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448245 / JE RK 26-855
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek wijziging verdeling van zorg- en opvoedingstaken
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448245 / JE RK 26-855
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. J.L.J. de Vos uit Goes,
tegen
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, hierna te noemen
de Gecertificeerde lnstelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
familie [de pleegouders],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. C.F. Sars te Goes.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 mei 2026;
- het bericht van mr. De Vos van 3 juni 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. Sars van 5 juni 2026;
- de brief van [minderjarige] van 9 juni 2026;
- het bericht van mr. Sars van 10 juni 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. De Vos van 10 juni 2026 met bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de pleegmoeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief geschreven naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter de brief voorgelezen. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van 17 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 oktober 2024. Ook is bij dezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 14 oktober 2025 met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026.
[minderjarige] verblijft bij de grootouders moederszijde (pleegouders).
3 Het verzoek
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [minderjarige] van zondagochtend 10:00 uur tot dinsdagochtend (naar school) bij de moeder verblijft, met een opbouw conform het onder punt 27 in het verzoekschrift geschetste schema, althans een zodanige (gefaseerde) omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
4 De standpunten
De moeder handhaaft haar verzoek. Nadat de ondertoezichtstelling was uitgesproken, verbleef [minderjarige] van zondagochtend tot dinsdagochtend bij de moeder. Begin 2025 is dit ingeperkt naar begeleide omgang van twee uur per week door incidenten tussen de moeder en haar toenmalige partner. Sinds kort is de omgang uitgebreid van twee naar drie uur per week. Hieruit blijkt dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] goed verloopt. De moeder heeft inmiddels hulpverlening voor zichzelf gezocht en heeft de relatie met haar toenmalige partner beëindigd. Er is geen sprake meer van incidenten, ze heeft inmiddels werk en een stabiele en veilige woonsituatie. Ook het contact tussen de moeder en de pleegouders verloopt goed. Er zijn wel verschillen van inzicht, maar de moeder bespreekt deze niet waar [minderjarige] bij is. De moeder heeft de GI verzocht om een uitbreiding van de omgang. Dit is echter meerdere keren afgewezen. De GI vindt dat de huidige regeling houvast biedt aan [minderjarige] en uitbreiding zou niet in haar belang zijn gezien haar behandeltraject. Echter is dit traject recent gestart en het onderhouden en versterken van de band met de moeder kan juist ondersteunend zijn. Hierbij vormt de beperking in het contact een inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals blijkt uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarbij is de door de moeder voorgestelde regeling gestructureerd, voorspelbaar en sluit het aan bij een eerder goed functionerende situatie. Ook wordt er rekening gehouden met opbouw en met de afbouw van begeleiding, zodat deze niet abrupt stopt en [minderjarige] uiteindelijk meer vertrouwen in de moeder krijgt. Tot slot heeft de GI eerder voorwaarden geformuleerd waaronder uitbreiding van de omgang mogelijk zou zijn. De moeder houdt zich duurzaam aan deze voorwaarden.
Door de GI is gesteld dat [minderjarige] al jaren in een heftige klempositie zit en haar draagkracht aan het afnemen is. Ze is vaak getuige geweest van spanningen en ruzies en de invloed hiervan op [minderjarige] wordt steeds duidelijker. Ze kan zichzelf niet goed reguleren, dus het is goed dat er inmiddels therapie voor haar is ingezet. Deze therapie is echter nog maar recent opgestart. De stabiliteit die ze nu ervaart in het pleeggezin moet op dit moment worden gewaarborgd, zodat ze haar therapie goed kan volgen en doorzetten. Tijdens haar behandeling zal ook blijken waar [minderjarige] behoefte aan heeft in het contact met de moeder. De omgang met de moeder dient op dit moment dan ook niet te worden uitgebreid. De GI heeft van de pleegzorgbegeleider gehoord dat [minderjarige] momenteel geen onbegeleid contact wil met de moeder. De GI begrijpt dat de moeder meer omgang wil, maar ze miskent hiermee de rust en stabiliteit die [minderjarige] nu nodig heeft. De GI verzoekt dan ook om het verzoek van de moeder af te wijzen.
Door en namens de pleegouders is gesteld dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. De huidige omgang geeft [minderjarige] een vaste en voorspelbare basis. Dit is nodig gezien de start en voortgang van haar traumabehandeling. Gedurende de behandeling zal meer zicht komen op wat [minderjarige] wil in het contact met de moeder. [minderjarige] moet momenteel niet worden overvraagd door naast haar behandeling ook de omgang met de moeder uit te breiden. De pleegouders erkennen dat de moeder positieve stappen zet, maar ze vinden dit onvoldoende om tot uitbreiding van de omgang over te gaan. De huidige contacten verlopen positief mede door de begeleiding. De pleegouders achten het niet uitgesloten dat het wegvallen van deze begeleiding tot spanningen of onvoldoende aansluiting bij de behoeften van [minderjarige] kan leiden. Ook [hulpverlening] adviseert geen uitbreiding van de contacten. Een uitbreiding van de omgangsregeling is op dit moment dan ook niet in het belang van [minderjarige]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de pleegmoeder hieraan toegevoegd dat het momenteel goed gaat met [minderjarige]. Ze lijkt profijt te hebben van haar behandeling, maar ze is erg moe na een sessie en laat gedragingen van aantrekken en afstoten zien. Na de omgang met de moeder kon [minderjarige] erg druk zijn en zocht ze grenzen op. De laatste tijd is ze rustig en vertelt ze niet veel over de omgang. Hoewel er sinds september 2025 wat positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn in het contact tussen [minderjarige] en de moeder, is deze periode nog relatief kort om de bestendigheid van deze ontwikkeling voldoende te kunnen beoordelen. [minderjarige] is een gevoelig en kwetsbaar meisje dat sterk reageert op veranderingen in haar leefomgeving en gevoelig is voor loyaliteitsvraagstukken. Deze veranderingen kunnen leiden tot ontregeling van haar welbevinden. De pleegouders vinden het van groot belang dat de band tussen de moeder en [minderjarige] behouden blijft en waar mogelijk verder wordt versterkt. Tegelijkertijd moet dit zorgvuldig en op het tempo van [minderjarige] gebeuren.
[minderjarige] heeft in haar brief aan de kinderrechter onder meer verteld dat het haar aan de ene kant leuk lijkt om bij de moeder te slapen, omdat het gezellig is bij de moeder met de omgangsbegeleidster erbij. Voor dat de omgangsbegeleidster erbij was, was het niet altijd gezellig en kon de moeder boos worden. [minderjarige] hoopt dat de moeder voortaan altijd zo is als wanneer de omgangsbegeleidster erbij is. Ze weet niet zeker of dit kan en daarom maakt het haar onzeker als de omgangsbegeleidster er niet meer bij zal zijn.
5 De beoordeling
Gelet op de overgelegde stukken, de mondelinge behandeling en de kindbrief van [minderjarige] komt de kinderrechter tot het oordeel dat, ondanks dat ze de wens van de moeder begrijpt, het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom ze deze beslissing neemt.
[minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat vaak getuige is geweest van spanningen en ruzies. Haar draagkracht is afgenomen en ze is recent met traumabehandeling gestart. Deze behandeling vraagt veel van haar en ze heeft dan ook stabiliteit en rust nodig om de behandeling door te zetten en uiteindelijk positief af te ronden. De kinderrechter is het met de GI en de pleegouders eens de kans groot is dat [minderjarige] zal worden overvraagd en dat haar rust en stabiliteit verstoord zal raken op het moment dat de omgang met de moeder wordt uitgebreid, te meer nu [minderjarige] zelf ook aangeeft dat ze het spannend vindt om zonder omgangsbegeleider met de moeder samen te zijn. Tijdens de traumabehandeling zal meer zicht komen op wat [minderjarige] wil en aankan voor wat betreft de omgang met de moeder. Gezien het bovenstaande vindt de kinderrechter het momenteel te vroeg om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit te breiden en zal ze het verzoek van de moeder afwijzen. De huidige omgangsregeling biedt [minderjarige] rust, veiligheid en structuur en dit is nodig voor haar ontwikkeling en behandeling.
De kinderrechter vindt het hierbij wel belangrijk dat wanneer tijdens de behandeling blijkt dat [minderjarige] behoefte heeft aan een uitbreiding van de omgang met de moeder, ze dit ook aankan en de uitbreiding veilig en in haar belang is, hierbij wordt aangesloten. Dit moet wel gebeuren op het tempo van [minderjarige].
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.