Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6521Zaaknummer C/02/448491 / FA RK 26-2654

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
19 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448491 / FA RK 26-2654
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Restant verzoek voorlopige voogdbij, verzoek afgewezen, intrekkingsbesluit

4 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige voogdij af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De nadere beoordeling
  4. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448491 / FA RK 26-2654

Datum uitspraak: 16 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad,

locatie Rotterdam,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2026 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

uitdrukkelijk domicilie kiezende bij [stichting] te [plaats],

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Tilburg.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • de beschikking van de kinderrechter van 22 mei 2026 en de daarin opgenomen stukken;
  • het bericht van de Raad, ontvangen op 25 mei 2026.

2 De feiten

2.1.

Op [geboortedag] 2026 te [geboorteplaats] is uit de moeder geboren [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 22 mei 2026 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 en tot 5 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3 De nadere beoordeling

3.1.

De kinderrechter verwijst naar de voornoemde eerder in deze procedure gegeven beschikking, waarbij de voorlopige voogdij van [minderjarige] is verlengd tot 5 juni 2026 en het resterende deel van het verzoek van de Raad is aangehouden.

3.2.

De Raad heeft in haar bericht d.d. 25 mei 2026 geconcludeerd dat de moeder terug is gekomen op haar besluit tot het doen van afstand ter adoptie van [minderjarige]. De moeder geeft aan zelf voor [minderjarige] te willen zorgen. Door de Raad worden er geen zorgen waargenomen in de opvoedsituatie. Gezien deze ontwikkeling wordt de voorlopige voogdij niet langer noodzakelijk geacht.

3.3.

De kinderrechter stelt vast dat de Raad het resterende deel van haar verzoek ten aanzien van de voorlopige voogdij niet langer handhaaft en dat dit geen inhoudelijke beoordeling en beslissing meer behoeft. De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het verzoek afwijzen.

3.4.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

De kinderrechter:

wijst het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige voogdij af.

Deze beslissing is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.