Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6452Zaaknummer C/02/444857 FA RK 26-681

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/444857 FA RK 26-681
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wijziging en vaststelling kinderalimentatie

5 De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de man met ingang van 1 juni 2025 tot 1 januari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024 aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 153,00 (honderd drieënvijftig euro) per maand en vanaf 1 januari 2026 € 160,04 (honderdzestig euro en 4 eurocent) per maand, met inachtneming van rechtsoverweging 4.23.;

5.2.

wijzigt de vaststellingsovereenkomst tussen partijen van 21 september 2023 als volgt:

bepaalt dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 met ingang van 1 juni 2025 en tot 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 153,00 (honderd drieënvijftig euro) per maand en vanaf 1 januari 2026 € 160,04 (honderdzestig euro en 4 eurocent), voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met inachtneming van rechtsoverweging 4.23.;

5.3.

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De rechtbank

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/444857 FA RK 26-681

datum uitspraak: 15 juni 2026

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de vrouw]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Czarnota,

en

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 24 december 2025 ontvangen zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het op 10 maart 2026 ontvangen verweer op zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het F2-formulier van 29 april 2026 waarin mr. Grosfeld zich heeft onttrokken als advocaat van de man.

- de brief van mr. Czarnota van 8 mei 2026 met bijlagen;

- de beschikking van deze rechtbank van 12 februari 2026.

1.2 Het verzoek van de vrouw tot het wijzigen c.q. vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen is gedaan in de procedure met nummer C/02/440517/FA RK 25-5133. In de beschikking van 12 februari 2026 heeft de rechtbank bepaald dat dit verzoek van de vrouw zou worden afgesplitst en op een ander moment op zitting zou worden behandeld.

1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 18 mei 2026. Bij die gelegenheid waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de man.

1.4 De man heeft kort voor de zitting een e-mailbericht gestuurd aan de rechtbank waarin hij heeft aangegeven dat hij, sinds zijn advocaat zich heeft onttrokken aan de zaak, op zoek is naar een andere advocaat maar dat hij nog geen advocaat heeft gevonden die formeel namens hem kan optreden. Ter zitting heeft de man toegelicht dat hij het bericht dat zijn advocaat zich had onttrokken pas een paar dagen na 29 april 2026 had ontvangen. Hij is daarover niet eerder ingelicht door zijn advocaat. De man vraagt de rechtbank wat hij het beste kan doen. De advocaat van de vrouw maakt bezwaar tegen een eventueel uitstel. Zij wijst erop dat er namens de man al verweer is gevoerd en dat het standpunt van de man dus duidelijk is. Voor de vrouw is het belangrijk dat er een bijdrage van de zijde van de man komt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

De rechtbank heeft besloten de behandeling van de zaak door te laten gaan. Het is niet aan de rechtbank de man te adviseren wat hij het beste kan doen. De man heeft ook niet uitdrukkelijk verzocht om uitstel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende tijd gehad om een andere advocaat te zoeken. Daarbij speelt ook een belangrijke rol dat er namens de man een verweerschrift is ingediend.

2 De feiten

2.1

Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben tot mei 2025 met elkaar samengewoond;

- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022,

2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024;

- de minderjarige kinderen zijn door de man erkend;

- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige kinderen;

- de minderjarige kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw;

- er is een rechterlijke uitspraak van kracht waarin afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen moet voldoen.

2.2

Op grond van voormelde beschikking van 12 februari 2026 is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarige kinderen in de even weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur als [minderjarige 1] [beweegmethode] heeft en vanaf 8.00 uur als [minderjarige 1] geen [beweegmethode] heeft.

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling (voor [minderjarige 2]) en wijziging (voor [minderjarige 1]) van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen van € 257,= per maand per kind met als ingangsdatum 20 juni 2025, althans 1 december 2025, althans datum indiening verzoekschrift, met bepaling dat tot de datum van wijziging en vaststelling van de onderhoudsbijdrage de man gehouden is de afspraak uit de overeenkomst na te komen inhoudende € 350,00 per maand en € 5,00 voor iedere dag dat te laat wordt betaald;

4 De beoordeling

Grondslag verzoek vaststelling en wijziging kinderalimentatie

4.1

De vrouw stelt dat partijen toen zij uit elkaar gingen hebben afgesproken dat de man zou bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met een bedrag van

€ 350,00 per maand. Deze afspraak is tussen partijen vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 21 september 2023. Partijen hebben nog samengewoond tot en met mei 2025. In de periode waarin partijen nog samenwoonden voerden partijen nog een gezamenlijke huishouding waaruit ook de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] werden voldaan. Vanaf 1 juni 2025 moet de man kinderalimentatie betalen. Op 29 januari 2024 is [minderjarige 2], het tweede kind van partijen, geboren. In de vaststellingsovereenkomst was geen rekening gehouden met de (aanstaande) geboorte van [minderjarige 2]. Dat betekent dat voor [minderjarige 2] nog een onderhoudsbijdrage moet worden vastgesteld. De geboorte van [minderjarige 2] leidt verder tot een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] opnieuw moet worden berekend.

4.2

De man erkent dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid op grond waarvan opnieuw berekend moet worden of en zo ja hoeveel kinderalimentatie hij moet voldoen. Verder erkent de man dat voor [minderjarige 2] nog een onderhoudsbijdrage moet worden vastgesteld omdat de vaststellingsovereenkomst daarin niet voorziet.

4.3

Uit bovenstaande vloeit voort dat een situatie is ontstaan die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarige kinderen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt.

Ingangsdatum

4.4

De vrouw verzoekt de rechtbank primair om de (nieuwe) onderhoudsverplichting met ingang van de datum waarop partijen niet langer met elkaar samenwoonden te laten ingaan. Concreet is dat per 1 juni 2025. De man heeft ter zitting aangegeven in te kunnen stemmen met een ingangsdatum per 1 juni 2025, zodat de rechtbank die ingangsdatum ook zal hanteren.

Uitgangspunten

4.5.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4.6.

De vrouw stelt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 moet worden vastgesteld op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) in 2025. Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man moet worden uitgegaan van de loonstrook van mei 2025 van de man. Voor de vrouw moet worden gerekend met de jaaropgave 2025.

4.7.

De man heeft niet weersproken dat de loonstrook en jaaropgave 2025 als uitgangspunt moeten dienen.

4.8.

Uitgaande van deze uitgangspunten heeft de rechtbank het NBGI van partijen berekend op € 6.347,00 (man: € 3.300,00 + vrouw: € 2.930,00). De behoefte van de kinderen komt dan uit op € 1.456,00.

4.9.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met € 192,00 per maand moet worden verhoogd voor de kosten voor kinderopvang die de vrouw maandelijks zelf moet betalen.

4.10.

De (gezamenlijke) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedroeg dan inclusief de verhoging in verband met de kosten voor kinderopvang in 2025 € 1.648,00 per maand.

Draagkracht vrouw

4.11.

Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het NBI van de vrouw kan worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025 waaruit een bruto jaarinkomen blijkt van € 42.813,00. Het NBI van de vrouw komt dan uit op € 3.794,00 per maand. Hierin is ook een bedrag van € 7.388,00 aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop opgenomen.

4.12.

De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 942,00 per maand.

Draagkracht man

4.13.

Partijen zijn het erover eens dat voor het inkomen van de man bij [bedrijf] B.V. moet worden uitgegaan van de meest recente loonstrook uit 2025. Dat is de loonstrook van oktober 2025 waaruit een bruto maandloon van € 3.860,82 blijkt. Dit maandloon moet worden vermeerder met 8% vakantietoeslag. Hierop worden de pensioenpremie en de premie WIA- werknemersverzekeringen in mindering gebracht. De rechtbank neemt daarbij aan dat het inkomen van de man in 2026 niet of nauwelijks is gewijzigd. De man is nog steeds werkzaam bij dezelfde werkgever, in dezelfde functie. Ter zitting heeft de man aangegeven dat er per 1 januari 2026 slechts sprake is geweest van een gebruikelijke indexering, zodat van een aanzienlijke wijziging geen sprake is.

4.14.

De vrouw heeft gesteld dat verder aan de zijde van de man ook rekening gehouden moet worden met het inkomen van de man uit een acteerklus voor [website]. De vrouw verwijst hierbij naar een whatsappbericht waaruit blijkt dat de man een bedrag van € 200,00 netto heeft ontvangen. Verder moet rekening gehouden worden met inkomsten uit beveiligings-/toezichthouderswerk.

4.15.

De man heeft ter zitting toegelicht dat de acteerklus niet iets is wat hij elke maand kan doen. Er is op dit moment geen sprake van structurele inkomsten uit acteerwerk. Deze klus bestaat uit drie draaidagen waarvan ten tijde van de zitting één dag is gedraaid. In totaal zal hij hiermee een kleine € 500,00 netto verdienen. Voor wat betreft het beveiligings-/toezichthouderswerk heeft de man toegelicht dat hij bezig is met een opleiding beveiligingswerk. Op dit moment heeft hij een betaalde stage bij zijn leerbedrijf. Hij ontvangt daarvoor € 25,00 per dag. De stage is pas begonnen en hij heeft ongeveer 2 à 3 keer een bedrag van € 25,00 ontvangen. De man erkent dat hij met carnaval drie dagen in de beveiliging heeft gewerkt. Hij weet niet meer wat hij daarmee heeft verdiend. Met Hemelvaart heeft hij een dag in de beveiliging gewerkt. Daarmee heeft bij ongeveer € 100,00 verdiend.

4.16.

De rechtbank oordeelt dat het inkomen dat de man heeft uit de acteerklus niet wordt meegenomen in de draagkracht van de man. Door de man is onbetwist gesteld dat dit een eenmalige, korte klus is die vooralsnog geen vervolg kent. Het inkomen dat de man ontvangt uit beveiligings-/toezichthouderswerk neemt de rechtbank ook niet mee in de berekening. Van dit inkomen staat onvoldoende vast dat dit structureel is. De man heeft ter zitting toegelicht dat hij nog bezig is met een opleiding tot beveiliger en dat hij momenteel stage loopt. Dat betekent dat de man eerst nog moet slagen voor zijn opleiding voordat hij eventueel structureel werkzaam kan zijn in de beveiliging. Op dit moment is enkel sprake van een beperkte stagevergoeding. Wat de inkomsten van de man uit beveiligingswerkzaamheden in de toekomst zullen zijn is nog te onzeker.

4.17.

Rekening houdend met het bovenstaande en met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.111,00 per maand.

4.18.

De man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met zijn werkelijke woonlasten, zijnde € 1.695,00 per maand. Deze werkelijke woonlasten zijn aanzienlijk hoger dan het woonbudget (30% van het NBI; in dit geval € 933,00) waar normaal gesproken mee gerekend wordt. De man heeft toegelicht dat het volgens hem een harde eis is voor de omgang met de kinderen dat hij een eigen woning heeft. Hij is een aantal maanden bezig geweest een woning te zoeken. Uiteindelijk heeft hij deze woning geaccepteerd. De man komt in aanmerking voor een sociale huurwoning. Hij reageert daar nog steeds op en zijn verwachting is dat hij op niet al te lange termijn in aanmerking zal komen voor een andere huurwoning. Hij staat al sinds zij 18de jaar ingeschreven dus als hij reageert eindigt hij vaak hoog.

4.19.

De vrouw voert verweer. Naar haar mening moet geen rekening gehouden worden met een hogere woonlast. De man heeft na zijn vertrek uit de woning waar hij samen met de vrouw woonde, eerst enige tijd bij zijn nichtje gewoond. De huidige woning van de man huurde hij samen met een nieuwe partner. De relatie met de nieuwe partner is over waardoor de man de woning nu alleen huurt. De man is volgens de vrouw willens en wetens in deze huurwoning blijven wonen. De man had eventueel ook afspraken kunnen maken met zijn ex-partner over de betaling van de huurtermijnen. De man dient de extra huurlasten te betalen uit zijn vrije ruimte. Zijn beslissing om in deze woning te blijven wonen moet niet prevaleren boven de kinderalimentatie.

4.20.

Uit de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie blijkt dat rekening gehouden kan worden met duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten van een onderhoudsplichtige als deze lasten niet vermijdbaar zijn en als het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Voor de rechtbank staat vast dat sprake is van duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten. De rechtbank houdt daarom rekening met een deel van de hogere woonlast van de man. De man is met een partner een huurovereenkomst aangegaan voor een woning ervan uitgaande dat zij de huur gezamenlijk zouden dragen. Na beëindiging van de relatie is de man in deze woning blijven wonen. De man heeft onweersproken toegelicht dat hij sindsdien op zoek is naar een goedkopere woning maar dat dit nog niet gelukt is. In tegenstelling tot hetgeen door de vrouw is opgemerkt oordeelt de rechtbank dat niet van de man verwacht mag worden dat hij de huurwoning opzegt en weer bij zijn nichtje gaat wonen (als dat al mogelijk zou zijn). Wel mag van de man verwacht worden dat hij blijft zoeken naar een woning met lagere woonlasten.

De rechtbank vindt wel dat niet het volledige gedeelte van de huur dat boven het woonbudget uitstijgt moet meewegen in de draagkracht van de man omdat dit ten koste van de onderhoudsbijdrage gaat. De rechtbank houdt daarom rekening met het woonbudget vermeerderd met de helft van de woonlast die het woonbudget overstijgt. Concreet betekent dit dat de rechtbank een woonlast van (afgerond) €1.315,00 zal hanteren in de berekening van de draagkracht van de man. Het overige gedeelte van de woonlast zal de man moeten voldoen uit de vrije ruimte.

4.21.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 340,00 per maand.

Zorgkorting

4.22.

Partijen zijn het erover eens dat op basis van de contactregeling die tussen de man en de kinderen geldt een zorgkorting van 15% gerechtvaardigd is. Uit de draagkrachtberekeningen blijkt echter dat de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Daarom wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 340,00 - € 35,00 (€ 218,00 - € 183,00) = € 305,00 per maand, zijnde (afgerond) € 153,00 per kind. Per 1 januari 2026 bedraagt de bijdrage van de man dan inclusief wettelijke indexering € 160,04 per maand per kind.

Verrekening reeds betaalde kinderalimentatie

4.23.

Partijen zijn het erover eens dat de betalingen die door de man al zijn gedaan na de ingangsdatum in mindering moeten strekken op de (nieuwe) onderhoudsverplichting. Het gaat dan om de betalingen in de maanden juli, september en oktober 2025, te weten drie betalingen van € 350,00. Over de periode januari 2026 tot aan de datum van de zitting heeft de man eenmalig een bedrag van € 200,00 voldaan. In totaal strekt dan een bedrag van € 1.250,00 in mindering op de achterstallige kinderalimentatie.

Berekeningen

4.24.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

5 De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de man met ingang van 1 juni 2025 tot 1 januari 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2024 aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 153,00 (honderd drieënvijftig euro) per maand en vanaf 1 januari 2026 € 160,04 (honderdzestig euro en 4 eurocent) per maand, met inachtneming van rechtsoverweging 4.23.;

5.2.

wijzigt de vaststellingsovereenkomst tussen partijen van 21 september 2023 als volgt:

bepaalt dat de daarin overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2022 met ingang van 1 juni 2025 en tot 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 153,00 (honderd drieënvijftig euro) per maand en vanaf 1 januari 2026 € 160,04 (honderdzestig euro en 4 eurocent), voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met inachtneming van rechtsoverweging 4.23.;

5.3.

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.