Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6360Zaaknummer BRE 25/2627

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/2627
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kosten dwangbevel. Ongegrond.

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de kosten van het dwangbevel ongegrond;

- verklaart zich voor het overige onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.

griffierrechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Feiten
  4. Motivering
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 25/2627

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 15 april 2025.

1.1.

De ontvanger heeft een dwangbevel uitgevaardigd met betrekking tot de voorlopige aanslag Zorgverzekeringswet over het jaar 2022 (het dwangbevel). Tevens heeft de ontvanger vervolgingskosten in rekening gebracht.

1.2.

De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de kosten van het dwangbevel ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de ontvanger deelgenomen: [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2], mr. [inspecteur 3]. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de kosten van het dwangbevel terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het dwangbevel terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Op 28 maart 2024 heeft de ontvanger een pro forma verzoek om kwijtschelding ontvangen.

3.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 30 augustus 2024 aan belanghebbende de voorlopige aanslag Zvw 2022 opgelegd.

3.2.

De uiterste betaaldatum van de voorlopige aanslag is 11 oktober 2024.

3.3.

Per brief van 30 oktober 2024 heeft de ontvanger aan belanghebbenden een aanmaning verzonden vanwege het uitblijven van de betaling van de voorlopige aanslag.

3.4.

De kosten van de aanmaning bedragen € 19.

3.5.

Met dagtekening 28 november 2024 heeft de ontvanger een dwangbevel verzonden wegens het uitblijven van de betaling van de voorlopige aanslag.

3.6.

De kosten van het dwangbevel bedragen € 145.

Motivering

Vooraf – verzoek om vrijstelling betaling griffierecht

4. Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht terecht afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk desgevraagd geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake betaald.

De kosten van het dwangbevel

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten van het dwangbevel ten onrechte in rekening zijn gebracht. Belanghebbende betoogt dat de aanslag viel onder het eerder aangevraagde crediteurenakkoord betreffende de zogenoemde coronaregeling van de Belastingdienst.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger met betrekking tot de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel, het verlenen van een kwijtschelding en het verlenen van uitstel van betaling.[_ce133ef2-c7e5-4dee-bfba-5524c3508fad]Voor bepaalde besluiten op grond van de IW 1990 is in de regelgeving een uitzondering gemaakt, in welk geval de belastingkamer wel bevoegd is. Een dergelijke uitzondering is niet aan de orde. De belastingkamer van de rechtbank is voor dit gedeelte onbevoegd.

4.3.

De belastingkamer van de rechtbank is wel bevoegd om te oordelen over de kosten van het dwangbevel. De rechtbank overweegt dat de invordering van een belastingaanslag kan geschieden door middel van een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel.[_a7cfb6d1-c8a7-4b05-87c5-0e3e848ef337] Bij het dwangbevel kunnen tevens de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd.[_d6bedf29-63dc-4a5b-9fa6-1a19877d09cd] Ingevolge artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelasting (Kostenwet) worden kosten in rekening gebracht ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een inzake rijksbelastingen bevoegde ontvanger en door een belastingdeurwaarder op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 of enige andere wettelijke bepaling aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen. De kosten van de betekening van een dwangbevel worden vastgesteld op grond van artikel 3 Kostenwet en zijn afhankelijk van de hoogte van de belastingschuld. In 2024 was voor het betekenen van een dwangbevel met bevel tot betaling verschuldigd € 49 verhoogd met € 4 van elk geheel bedrag van € 45 waarmee de gevorderde som € 45 te boven gaat. Het maximumbedrag van de kosten was in 2024 € 14.597.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de kosten van het dwangbevel conform de Kostenwet heeft berekend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betekeningskosten van het dwangbevel terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende in rekening gebracht.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond voor zover het beroep ziet op de kosten van het dwangbevel. Voor het overige verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Dat betekent dat de kosten van het dwangbevel in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar over de kosten van het dwangbevel ongegrond;

- verklaart zich voor het overige onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.

griffierrechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.