Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6306Zaaknummer C/02/443387/ FA RK 25/6667
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/443387/ FA RK 25/6667
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nadere beschikking betreffende gezag
De rechtbank
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de man;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact om de week op woensdag zoals overwogen onder 2.8 van deze beschikking en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443387/ FA RK 25/6667
datum uitspraak 12 juni 2026
Nadere beschikking betreffende gezag, hoofdverblijf, vervangende toestemming, zorgregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S.S. Zijderveld,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. E.A.M. Brugman.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2025;
- de brief van mr. Brugman van 25 september 2025;
- het F9-formulier van 10 oktober 2025 van mr. Zijderveld;
- de brief van mr. Zijderveld van 28 november 2025;
- de brief van mr. Brugman van 1 december 2025;
- de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2025;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 maart 2026;
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 Na te noemen minderjarige is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft op 12 mei 2026 gesproken met de kinderrechter.
2 De verdere beoordeling
In de beschikking van 19 juni 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de verzoeken van partijen ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling, de kinderalimentatie en de vervangende toestemming pro forma aangehouden en zijn partijen verwezen via de mediationfunctionaris naar mediation teneinde via bemiddelingsgesprekken onder leiding van mevrouw mr. I. van Meeteren te onderzoeken of partijen de tussen hen bestaande geschilpunten konden oplossen.
Per brief van 25 september 2025 van mr. Brugman is de rechtbank geïnformeerd dat het mediation-traject niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid. Door mr. Zijderveld is dit per brief van 10 oktober 2025 bevestigd.
Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2025 is de zaak doorverwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Aan de rechtbank liggen nu voor de verzoeken van de man met betrekking tot het gezamenlijk gezag, hoofdverblijf, vervangende toestemming en wijziging van de bijdrage in de kosten van [minderjarige 1]. Daarnaast ligt voor het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en de man.
Op de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de voorliggende verzoeken. Ter zitting heeft de man aangegeven dat zijn verzoek tot toekenning van het gezamenlijk gezag inmiddels niet meer aan de orde is. De rechtbank beschouwd dit verzoek van de man dan ook als ingetrokken. Verder heeft de man zijn verzoek tot vervangende toestemming ingetrokken. De vrouw heeft haar (subsidiaire) verzoek tot het gelasten van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting ingetrokken.
Hoofdverblijf
De man verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen. Op de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat [minderjarige 1] inmiddels per 1 juli 2025 is ingeschreven op het adres van de man. Volgens de vrouw heeft zij moeite met de gang van zaken, maar stemt zij in het belang van [minderjarige 1] in met het verzoek van de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu partijen het eens zijn over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en hij inmiddels ook al is ingeschreven op het adres van de man, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Zorgregeling
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige 1]. Partijen hebben met elkaar afgesproken dat [minderjarige 1] om de week op de woensdagavond naar de vrouw gaat en daar mee eet. Partijen hebben daarbij aangegeven te begrijpen dat [minderjarige 1], gelet op zijn huidige levensfase, behoefte heeft aan ruimte om zelf te kunnen bepalen wanneer hij bij welke ouder wil zijn. De vrouw vindt het belangrijk dat zij [minderjarige 1] blijft zien en er contact is tussen haar en [minderjarige 1]. De man heeft aangegeven dit contact te zullen stimuleren. In het geval [minderjarige 1] op een woensdag andere plannen heeft en niet naar de vrouw komt, stelt de vrouw het op prijs als [minderjarige 1] dit van tevoren laat weten. Volgens de vrouw wil zij uiteindelijk toewerken naar uitbreiding van de contactmomenten met [minderjarige 1], maar wil zij dit in onderling overleg met [minderjarige 1] doen om te kijken wat mogelijk is.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling het volgende aangegeven. De Raad spreekt de hoop uit dat partijen met elkaar zullen toewerken naar een goede verstandhouding. Daarbij is van belang dat partijen niet vervallen in emotie en pijn uit het verleden, maar samen een weg moeten vinden in hun onderlinge communicatie. Volgens de Raad zijn partijen in staat om hieraan te werken en adviseert partijen dan ook om onder begeleiding van een derde afspraken met elkaar te maken. Verder wil de Raad de man als opvoedende ouder van [minderjarige 1] in dit geval meegeven dat het bij zijn opvoedende taak hoort om [minderjarige 1] te blijven aansporen om contact met zijn moeder te onderhouden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen stil gestaan bij het gesprek dat [minderjarige 1] gehad heeft met de kinderrechter. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij meer zelf wil kunnen bepalen wanneer hij naar zijn moeder gaat. Hij baalt van het idee als dit volgens een vast schema wordt vastgelegd. Als zijn moeder op de camping in [plaats] verblijft, dan doet hij er 45 (vijfenveertig) minuten over met zijn fatbike om daar te komen. Dat vindt [minderjarige 1] niet fijn. In het contact met zijn moeder weet [minderjarige 1] niet zo goed wat hij hiervan moet vinden. Soms heeft [minderjarige 1] geen zin om naar zijn moeder te gaan, maar [minderjarige 1] is zich er ook van bewust dat hij zijn moeder niet zo vaak ziet.
Nu gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] bij de vrouw, zal de rechtbank conform deze afspraken beslissen. Dit houdt in dat [minderjarige 1] in beginsel om de week op woensdag uit school of (indien van toepassing) na werk naar de vrouw zal gaan en met haar mee eet. De rechtbank acht van belang dat partijen [minderjarige 1] de ruimte bieden om meer zelf te kunnen bepalen bij welke ouder hij wil verblijven en daarom vanuit wederkerigheid een goede afstemming van deze afspraak met [minderjarige 1] zullen nastreven. Tegelijkertijd ligt het op de weg van [minderjarige 1] dat hij, in het geval hij op woensdag niet naar de vrouw gaat, de vrouw hierover wel tijdig informeert.
Onderlinge communicatie tussen partijen
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over hun onderlinge verhouding en communicatie. Partijen hebben aangegeven dat het jammer is dat hun onderlinge communicatie verloren is geraakt. De rechtbank acht het van belang dat partijen zich in het belang van hun kinderen zullen inzetten om hieraan te werken. De rechtbank wil partijen daarom dringend adviseren om met elkaar onder begeleiding van een deskundige te werken aan hun onderlinge communicatie en aandacht te besteden aan de wederzijdse verplichtingen en verwachtingen.
Ter zitting hebben partijen zich bereid verklaard samen te werken aan hun onderlinge communicatie. Zij zullen op eigen initiatief contact opnemen met het Centrum Jeugd en Gezin om hun onderlinge communicatie te verbeteren in het belang van hun kinderen.
Kinderalimentatie
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het met elkaar eens zijn over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding ten aanzien van hun minderjarige kinderen. Partijen hebben met elkaar afgesproken de huidige situatie in stand te laten. Ten aanzien van hun zoon [minderjarige 1] zal de man, zoals momenteel al het geval is, geen onderhoudsbijdrage (meer) aan de vrouw voldoen. Ten aanzien van hun dochter [minderjarige 2] zal de man een bedrag van thans € 299,78 per maand aan de vrouw blijven voldoen. Partijen hebben hiermee de wens uitgesproken om tot een afronding van dit geschil te komen en met vertrouwen te kijken naar de toekomst. Deze tussen partijen gemaakte afspraak leent zich echter niet voor opname in het dictum van deze beschikking.
3 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de man;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact om de week op woensdag zoals overwogen onder 2.8 van deze beschikking en gedurende een deel van de vakanties en feestdagen, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Oijen, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.