Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6294Zaaknummer C/02/447710 / JE RK 26-760
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447710 / JE RK 26-760
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Machtiging tot uithuisplaatsing
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 11 juni 2026 tot 14 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447710 / JE RK 26-760
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. J.C. Hissink te Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informanten aan:
Mr. N.A. Boelhouwer,
advocaat te Tilburg,
hierna te noemen: de gezinsadvocaat,
[de gedragskundige],
gedragskundige bij De Gezinsadvocaat,
kantoorhoudende te [plaats],
hierna te noemen: de gedragskundige.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de gezinsadvocaat;
- de gedragskundige.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft op 10 juni 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. Bij beschikking van 12 juli 2024 is de bij beschikking van 15 november 2022 bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat onder meer een co-ouderschapsregeling is vastgelegd.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 14 september 2025 tot 14 september 2026.
Bij beschikking van 15 april 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de bij beschikking van 12 juli 2024 bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en heeft zij bepaald, dat [minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag na school tot en met woensdag voor school bij de moeder verblijft. Daarbij heeft de kinderrechter verstaan, dat ten aanzien van de vakanties de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geldt zoals deze is vastgelegd in de beschikking van 12 juli 2024.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat op grond van de beschikking van 15 april 2026 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dusdanig is gewijzigd, dat [minderjarige] de meeste tijd bij de vader verblijft. [minderjarige] is over de gewijzigde regeling tevreden. In de beschikking van 15 april 2026 merkte de kinderrechter ten overvloede op, dat omdat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder is bepaald en [minderjarige] onder toezicht van de GI is gesteld, op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag nodig is, zolang de ondertoezichtstelling loopt en het hoofdverblijf niet bij de vader is bepaald. De GI ziet in dat zij dat tot dusver had nagelaten en doet dat verzoek alsnog.
Mr. Hissink heeft aangevoerd dat de situatie waarbij [minderjarige] het merendeel van de tijd bij de vader verblijft, haar heeft overvallen. Volgens de moeder zit zij momenteel in een verhuizing en wil zij daar een nieuwe start gaan maken. Naar de mening van de moeder geeft dat nieuw perspectief en ziet zij de huidige situatie daarom als een tijdelijke, temeer omdat de vader nog geen verzoek heeft gedaan tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige]. De moeder ziet ook in dat zij gezien de huidige situatie formeel geen bezwaar kan maken tegen het nu voorliggende verzoek tot uithuisplaatsing.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij [minderjarige] bewust nog niet bij zich heeft ingeschreven. Volgens de vader volgt hij wat dat betreft de adviezen van de GI op en wilde hij eerst deze zitting afwachten. Naar de mening van de vader doet [minderjarige] het goed bij hem en ziet hij, anders dan de moeder, de huidige situatie waarin [minderjarige] het merendeel van de tijd bij hem verblijft niet als een tijdelijke situatie. Met het verzoek van de GI stemt de vader in.
De gezinsadvocaat heeft verklaard het verzoek van de GI te zien als een formalisering van de huidige situatie. Naar de mening van de gezinsadvocaat heeft die situatie voor [minderjarige] de nodige rust gebracht en ligt het nu op de weg van de vader om indien dat is gewenst, een verzoek in te dienen tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige].
Met het verzoek van de GI stemt de gezinsadvocaat in.
De gedragskundige heeft verklaard dat het advies om [minderjarige] het merendeel van de tijd bij de vader te laten verblijven na gedegen onderzoek is genomen. [minderjarige] geeft duidelijk aan van haar beide ouders te houden en bij beide ouders te willen zijn. Uiteindelijk heeft [minderjarige] laten blijken dat de huidige zorgregeling voor haar het fijnste zal zijn.
Met het verzoek van de GI stemt de gedragskundige in.
5 De beoordeling
De kinderrechter overweegt op basis van de stukken en de zitting dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld (tot 14 september 2026) en dat zij bij de moeder haar hoofdverblijf heeft, terwijl zij (op basis van de bij beschikking van 15 april 2026 vastgestelde zorgregeling) het merendeel van de tijd bij de vader verblijft. Gegeven deze feiten en omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.[_180920e5-ccdb-4401-a03f-c8fddddc7740] Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Om deze tijdelijke situatie verder te formaliseren naar een meer definitieve situatie, ligt het op de weg van de vader om zich desgewenst met een verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] tot de rechtbank te gaan wenden. Dat verzoek moet ingediend worden door tussenkomst van een advocaat en is enkel nodig indien de moeder zich blijft verzetten tegen een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] naar de vader.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 11 juni 2026 tot 14 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 19 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.