Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6293Zaaknummer C/02/448081 / JE RK 26-815
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448081 / JE RK 26-815
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing toegewezen voor duur van de ondertoezichtstelling
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 juni 2026 en tot 24 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448081 / JE RK 26-815
Datum uitspraak: 11 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats], Roemenië,
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en [de vader], hierna te noemen: de vader,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. S. van Steenberge te Terneuzen.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;
- het bericht van de GI met bijlagen van 29 mei 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een telefonische tolk in de Roemeense taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 juli 2025 is [minderjarige], zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n), voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 10 juli 2025 en tot 24 juli 2025. Tevens heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 10 juli 2025 en tot 24 juli 2025, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
Bij beschikking van 23 juli 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder
toezicht gesteld met ingang van 24 juli 2025 tot 10 oktober 2025. Tevens bij diezelfde
beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 juli 2025 en tot 10 oktober 2025.
Bij beschikking van 24 oktober 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 oktober 2025 en tot 24 oktober 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 oktober 2025 en tot 24 juni 2026.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [accommodatie 1].
3 Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat ze het gezellig vindt om bij haar ouders te wonen. Daarnaast wil ze graag weer bij haar ouders logeren. Ook zou ze het fijn vinden om op woensdagmiddag naar haar ouders te kunnen gaan. [minderjarige] heeft het ook naar haar zin op [accommodatie 1].
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend, toe dat de bedoeling was om na [kinderopvang] een vaste vervolgplek voor [minderjarige] te zoeken, maar veel organisaties hebben de plaatsing van [minderjarige] geweigerd in verband met de complexiteit. Het gaat goed met [minderjarige] bij [accommodatie 1] en de eerdere zorgen omtrent de complexiteit zijn weggenomen. [minderjarige] heeft laten zien dat zij functioneert in groepen en zal binnenkort beginnen met een paar dagdelen speciaal onderwijs in [plaats]. De GI zal de komende periode onderzoeken wat een passende vervolgplek voor [minderjarige] zal zijn. Het OZA-traject en [hulpverlening] zal doorlopen. Ook is de GI voornemens om, zodra de uitslag van [accommodatie 2] duidelijk is, een Goed Genoeg Ouderschapsonderzoek (GGO) in te zetten bij de ouders, zodat het perspectief van [minderjarige] kan worden bepaald. De GI heeft alvast de aanvraag gedaan bij [zorginstelling]. Momenteel zijn de omgangsmomenten van [minderjarige] met de ouders elke week begeleid. Als het GGO loopt, kan worden bezien of er logeermomenten kunnen worden ingepland. De begeleide omgangsmomenten lopen over het algemeen goed, maar er zijn wel zorgen over de interactie van [minderjarige] met de ouders en het gedrag van de moeder. De moeder staat niet open voor persoonlijke hulpverlening, terwijl dit wel noodzakelijk is om een thuisplaatsing te realiseren. Tot slot licht de GI toe dat zij een goede samenwerking heeft met de vader.
Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het verzoek moet primair worden afgewezen, aangezien [minderjarige], stapsgewijs, naar huis kan. Het gaat beter met [minderjarige] en er zijn tijdens de begeleide omgangsmomenten geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de ouders naar voren gekomen. De ouders accepteren daarnaast de reeds ingezette hulpverlening, hetgeen ook in de thuissituatie kan worden ingezet. Het is tevens van belang dat de GI naar scholen gaat kijken in de buurt van de ouders, aangezien een thuisplaatsing niet is uitgesloten. Ook maken de ouders zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij [accommodatie 1], gelet op het trampoline-incident. Voorts wensen de ouders zo snel mogelijk een uitbreiding van de omgang, bijvoorbeeld in de vorm van logeermomenten. Aangezien de wachtlijsten van een GGO lang zijn, moet hier niet mee worden gewacht totdat het GGO is gestart. De ouders vragen subsidiair om te bepalen dat, indien daar aanleiding voor is, [minderjarige] ook al voor afloop van de maatregel naar huis kan.
5 De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:265c lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden voldaan. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 24 oktober 2026. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.
De kinderrechter stelt vast dat er nog altijd ernstige zorgen zijn over de opvoedomgeving van de ouders. Zowel uit de overgelegde stukken als ter gelegenheid van de mondelinge behandeling blijkt dat er bij de moeder sprake is van ontremd, geagiteerd en grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast is het de kinderrechter gebleken dat de moeder met waanideeën en verwardheid kampt, hetgeen tot gevaarlijke situaties heeft geleid. Zo heeft de moeder de elektriciteitsdraden in de woning doorgeknipt. De moeder staat desgevraagd niet open voor individuele hulpverlening. De vader is bereid, maar onvoldoende in staat om de opvoedsituatie te structureren en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Voorts zijn er zorgen over het gedrag van [minderjarige] als zij begrensd wordt. [minderjarige] reageert op dat moment sterk emotioneel en kan in paniek raken. Ook is er sprake van opdringerig gedrag en heeft [minderjarige] moeite met het handhaven van sociale grenzen. Voornoemde zorgen en de verzwaarde opvoedbehoefte van [minderjarige] maken dat er op dit moment geen veilige en stabiele opvoedsituatie door de ouders kan worden geboden.
Binnen de huidige woonsetting gaat het beter met [minderjarige]. Er is sprake van stabilisatie en een positieve ontwikkeling. Tevens heeft [minderjarige] het naar haar zin bij [accommodatie 1]. Bij [accommodatie 1] kan haar veiligheid worden gewaarborgd. Ook biedt [accommodatie 1] een gestructureerde omgeving met intensieve begeleiding, zodat de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] kunnen worden gewaarborgd. Het is van belang dat het verslag van [accommodatie 2] omtrent de diagnostiek van [minderjarige] wordt afgewacht, zodat duidelijk wordt wat [minderjarige] nodig heeft en welke vervolgplek passend is. Het is ook belangrijk dat [minderjarige] binnenkort kan starten met speciaal onderwijs, een en ander in samenspraak met het OZA-traject en [hulpverlening]. Voorts is het noodzakelijk dat er passende hulpverleningstrajecten worden ingezet bij de ouders, waaronder individuele hulpverlening, om de zorgen te doen wegnemen. Ook acht de kinderrechter het noodzakelijk dat bij de ouders een GGO wordt afgenomen, zodat duidelijk wordt of zij over voldoende opvoedvaardigheden beschikken en hun draagkracht en opvoedmogelijkheden inzichtelijk worden. In de tussentijd dient de plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie 1] te worden geborgd. Tot slot merkt de kinderrechter op dat de hulpverleningstrajecten, waaronder het GGO, parallel kunnen lopen aan de (uitbreiding van de) begeleide omgangsmomenten. De regie met betrekking tot de omgang ligt bij de GI.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 juni 2026 en tot 24 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.