Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6287Zaaknummer C/02/448930 / FA RK 26-2868

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448930 / FA RK 26-2868
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voortzetting inbewaringstelling Wzd verzoek afgewezen wegens vrijwilligheid

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 22 juni 2026

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 Wat vaststaat
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448930 / FA RK 26-2868

Datum uitspraak: 11 juni 2026

Beschikking voortzetting inbewaringstelling

op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1942 in [geboorteplaats],

hierna te noemen betrokkene,

wonende in [plaats 1],

verblijvende te [plaats 2], [woonzorgcentrum], Afdeling: [afdeling],

advocaat mr. J.J. van 't Hoff uit Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 8 juni 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:

  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de heer [persoon 1], specialist ouderengeneeskunde;
  • mevrouw [persoon 2], verpleegkundige;
  • de heer [persoon 3], zoon van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 4], schoondochter van betrokkene.

2 Wat vaststaat

Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in [woonzorgcentrum] te [plaats 2]. De burgemeester van [plaats 1] heeft de inbewaringstelling op 7 juni 2026 afgegeven.

3 Het verzoek

Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.

4 De standpunten

4.1.

Betrokkene merkt op dat hij niet langer in het woonzorgcentrum wil zijn. Hij kijkt uit naar het moment, waarop hij kan terugkeren naar [accommodatie] te [plaats 1], waar hij en zijn echtgenote nu wonen.

4.2.

De specialist ouderengeneeskunde brengt naar voren dat betrokkene sinds kort samen met zijn echtgenote in [accommodatie] te [plaats 1] woont. Betrokkene verblijft in het kader van een inbewaringstelling in [woonzorgcentrum], nadat er in [accommodatie] door de begeleiding bij hem psychotische verschijnselen met achterdochtige wanen en vermoedelijk hallucinaties werden waargenomen. Volgens de door de begeleiding van [accommodatie] verstrekte gegevens zou betrokkene ook verbaal en agressief (dreigend) gedrag naar medebewoners en naar zorgmedewerkers hebben laten zien, onder meer door iemand met een koekdoos op het hoofd te slaan. Betrokkene zou ook met stoelen hebben gegooid. Het escalerend gedrag van betrokkene zou hebben plaats gevonden na de medicatie afbouw (Haldol) wegens bijwerkingen. Uit de medische verklaring blijkt dat bij betrokkene de ziekte van Alzheimer is gediagnostiseerd.

Vanaf de opname van betrokkene in het woonzorgcentrum is per direct gestart met toediening van andere medicatie, te weten Risperidon. Afgaande op het actuele toestandsbeeld van betrokkene gedurende de inbewaringstelling ziet hij dat betrokkene rustiger is geworden, maar ziet hij daarnaast ook nog duidelijke psychotische kenmerken in de vorm van wanen en hallucinaties en soms heel heftige achterdocht. Daarnaast ziet hij kenmerken duidend op een toenemend vasculair ziektebeeld. Gedurende de inbewaring-stelling in het woonzorgcentrum is bij betrokkene geen verbaal en/of fysiek agressief gedrag waargenomen. Op de vraag van de advocaat of betrokkene fysiek of op andere wijze verzet laat zien tegen zijn huidige verblijf in het woonzorgcentrum antwoordt hij ontkennend. Echter sluit hij niet geheel uit, rekening houdend met het bij betrokkene waargenomen psychotisch ziektebeeld, dat dit op enig moment wel het geval zal zijn.

Met deze toelichting wenst hij te bepleiten dat een machtiging tot voortzetting inbewaringstelling wordt verleend voor de aldus verzochte duur. Er kan dan worden onderzocht van welke zorgbehoefte er bij betrokkene (en bij zijn echtgenote) sprake is. Ook kan er gewerkt worden aan een veilige en verantwoorde terugkeer van betrokkene naar [accommodatie]. Daarbij betrekt hij ook dat [accommodatie] niet over mogelijkheden beschikt om verplichte zorg toe te passen of de buitendeur gesloten te houden. Uiteraard zal er van de machtiging tot voortzetting inbewaringstelling, indien die wordt verleend, niet langer dan voor zover strikt noodzakelijk gebruik worden gemaakt. In het geval dat het verzoek tot machtiging tot voortzetting inbewaringstelling wordt afgewezen hoopt hij dat betrokkene ter nadere observatie en onderzoek op vrijwillige basis nog enige tijd in het woonzorgcentrum blijft.

4.3.

De verpleegkundige sluit zich aan bij dat wat door de specialist ouderengenees-kunde naar voren is gebracht.

4.4.

De zoon en schoondochter van betrokkene merken op dat er rondom de situatie van betrokkene, die kennelijk aanleiding is geweest om tot een inbewaringstelling over te gaan voor hen nog altijd veel onduidelijkheid bestaat. Daardoor is voor hen nog altijd ongewis of deze maatregel terecht is genomen. Zij zouden graag zien dat betrokkene zo spoedig mogelijk kan terugkeren naar [accommodatie] en naar zijn echtgenote.

4.5.

De advocaat van betrokkene voert aan dat zijn cliënt geheel onverwacht met een inbewaringstelling in het woonzorgcentrum is opgenomen, nadat hij met zijn echtgenote in [accommodatie] was gaan wonen. Zijn cliënt en diens echtgenote zijn daar pas vier weken geleden komen wonen, wat betekent dat zij nog in de gewenningsfase verkeren. Uit de door hem opgevraagde dagaantekeningen is hem gebleken dat cliënt in [accommodatie] wel eens boze momenten kende, maar dat de omgeving prima aansloot bij zijn zorgbehoefte en hij ook geen aanstalten maakte om de villa te verlaten. Er lijkt wel een moment te zijn geweest, waarop wegens verwarring bij betrokkene omtrent een nieuw aangeboden medicatiestrip er sprake was van boosheid. Het had op de weg van het zorgpersoneel van de villa gelegen om daar adequaat op te reageren, in dat geval was een inbewaringstelling niet aan de orde geweest. Zijn cliënt is duidelijk in wat hij wil, dat is zo spoedig mogelijk terugkeren naar [accommodatie] en naar zijn echtgenote. Met behulp van de hem in het woonzorgcentrum geboden zorg is cliënt tot rust gekomen. Verder ziet cliënt in dat hij met de veranderde situatie - sinds de verhuizing - zal moeten leren om gaan. Daarvan uit bezien laat hij geen verzet zien tegen de zorg die (nog) nodig is om een verantwoorde terugkeer naar [accommodatie] mogelijk te maken. Namens betrokkene stelt hij zich met deze toelichting op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat ten aanzien van betrokkene zich in elk geval een situatie heeft voorgedaan waarin sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

- ernstige materiële schade.

5.2.

Daarnaast is de rechtbank uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken van het vermoeden dat het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel op dat moment werd veroorzaakt door gedrag dat (gedeeltelijk) voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten de ziekte van Alzheimer. Er zijn in het gedrag van betrokkene tevens psychotische kenmerken waargenomen in de vorm van wanen en hallucinaties en soms heftige achterdocht.

5.3.

In de stukken, waaronder de medische verklaring is daarover opgenomen dat betrokkene in [accommodatie], waar hij kort geleden met zijn echtgenote is komen te wonen, sinds het starten met een medicatie afbouw verbaal en fysiek agressief (dreigend) gedrag naar medebewoners en naar zorgmedewerkers heeft laten zien. Vanaf de opname van betrokkene in het woonzorgcentrum is per direct gestart met toediening van andere medicatie. Gezien wordt dat betrokkene daardoor rustiger is geworden. Wel worden er nog psychotische kenmerken waargenomen, alsook daarnaast een toenemend vasculair ziektebeeld. Zijn behandelaar acht, om ervoor te zorgen dat betrokkene verantwoord naar [accommodatie] kan terugkeren, voortgezette zorg in het woonzorgcentrum op dit moment nog noodzakelijk.

5.4.

Het vorenstaande laat onverlet dat uit het verhandelde ter zitting onweersproken is komen vast te staan dat betrokkene aan de hem op dit moment geboden zorg volledig meewerkt en dat hij zich ook in overig opzicht niet tegen het verblijf in het woonzorg-centrum verzet. Dit betekent dat zich de situatie voordoet dat, ter voorkoming of afwending van het ernstig nadeel, er sprake is van een minder ingrijpende mogelijkheid met hetzelfde beoogde effect en daarom het verzoek zal worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Willemsen, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 22 juni 2026

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.