Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6272Zaaknummer C/02/442012 FA RK 25-5915

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/442012 FA RK 25-5915
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Kind woont o.b.v. machtiging uithuisplaatsing bij man. Man verzoekt daarom wijziging hoofdverblijf. Beslissing aangehouden: er lopen nog hulpverleningstrajecten, o.m. om te bezien of terugplaatsing bij vrouw mogelijk is.

De rechtbank

5.1

wijzigt voormelde beschikking van 11 februari 2025 als volgt:

5.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de daarbij vastgestelde bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [gebooreplaats] op [geboortedag 1] 2016, voorlopig, met ingang van 9 juli 2025 en zolang de minderjarige bij de man woont, nader wordt vastgesteld op nihil;

5.3

houdt de verdere behandeling van en definitieve beslissing op het verzoek tot wijziging van de definitieve onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en de beslissing op het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] aan tot 30 november 2026 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De beoordeling
  4. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/442012 FA RK 25-5915

datum uitspraak: 11 juni 2026

beschikking betreffende hoofdverblijf en levensonderhoud

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. S.C.A.C. Gubbels,

en

[de vrouw],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.E.C. Segeren-Krijnen.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 14 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 15 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- de beschikkingen van deze rechtbank van 15 november 2024, 11 februari 2025, 12 juni 2025, 9 juli 2025, 22 juli 2025, 7 november 2025 en 30 januari 2026.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 21 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

1.3 De rechtbank merkt als informant aan de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI (gecertificeerde instelling). Hoewel de GI is opgeroepen voor de zitting, is zij niet verschenen.

1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.5 Na de zitting is, met instemming van de rechtbank en partijen, door mr. Gubbels een rapport van de GI van 7 april 2026 overgelegd.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 30 augustus 2021 tot 2 april 2025;

- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 1], geboren te [gebooreplaats] op [geboortedag 1] 2016 (hierna: [minderjarige 1] );

- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].

2.2

Uit een eerdere relatie van de vrouw is geboren de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011, hierna [minderjarige 2].

2.3

Uit een vorig huwelijk van de man zijn geboren:

- de minderjarige [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2009;

- de jongmeerderjarige [minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2006.

2.4

Krachtens voormelde (echtscheidings-)beschikking van 11 februari 2025 heeft [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de vrouw en moet de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand € 505,13 per maand betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1]. Die bijdrage is nu

-inclusief de wettelijke indexering- € 528,37 per maand.

2.5

Bij beslissing van 15 november 2024 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft bij beslissing van 12 juni 2025 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 12 juni 2025 tot 15 november 2025. De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 juli 2025 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de man verleend met ingang van die datum tot 23 juli 2025. Bij beslissing van 22 juli 2025 is een (aansluitende) machtiging tot uithuisplaatsing bij de man verleend met ingang van 23 juli 2025 tot 15 november 2025.

Bij beslissing van 7 november 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 15 november 2026 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de man verlengd tot 15 mei 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (tot 15 november 2026) is aangehouden tot 9 april 2026 in afwachting van het schriftelijke verslag van de GI. Tijdens de zitting is gebleken dat de GI dit verslag inmiddels heeft opgesteld en dat de GI zich op het standpunt stelt dat het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de man moet worden toegewezen tot 15 november 2026. De mondelinge behandeling waarop dit resterende verzoek aan de orde komt is op 7 mei 2026 gepland.

3 Het verzoek

3.1

De man verzoekt, samengevat:

- primair:

de door hem betalen bijdrage met ingang van 9 juli 2025 nader vast te stellen op nihil,

subsidiair:

de door hem te betalen bijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoek (14 november 2025), dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, nader vast te stellen op nihil;

- bepaling dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] met ingang van 9 juli 2025 bij hem is, dan wel met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.

4 De beoordeling

Hoofdverblijf

4.1

De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat sinds de beschikking van 11 februari 2025, waarin is beslist dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw, de omstandigheden zijn gewijzigd waardoor die beschikking niet in stand kan blijven. Omdat [minderjarige 1] ten tijde van de echtscheidingsprocedure onder toezicht was gesteld, heeft de rechtbank toen beslist dat de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot contact met elkaar, waarbij de opbouw, de vorm, frequentie en duur van de contactmomenten door en onder regie van de GI worden bepaald. Op 12 juni 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder (gezinsgerichte voorziening) uitgesproken, omdat [minderjarige 1] (opnieuw) seksueel is misbruikt door [minderjarige 2] en er sprake is van een zeer zorgelijke situatie rondom [minderjarige 1] bij de vrouw. Het gezinshuis heeft [minderjarige 1] vervolgens afgewezen en ook andere gezinshuizen wezen haar af. Het handhaven van de opvoedsituatie bij de vrouw onder de dan geldende veiligheidsvoorwaarden was voor [minderjarige 1] echter geen houdbare situatie meer. De GI heeft daarom een verzoek gedaan tot een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de man en dit verzoek is toegewezen. Met ingang van 9 juli 2025 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de man.

Bij beslissing van 7 november 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 november 2026 en is de machtiging tot uithuisplaatsing voor beperkte duur verlengd, tot 15 mei 2026. Het overige deel van het verzoek is aangehouden, omdat onvoldoende duidelijkheid bestond over de woonsituatie van de man. Inmiddels is die duidelijkheid er wel en de GI heeft een verzoek gedaan om het aangehouden deel van zijn verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen, zodat [minderjarige 1] in ieder geval tot het einde van de ondertoezichtstelling bij de man verblijft en vanuit de rust van die situatie haar hulpverleningstraject in kan gaan.

In tegenstelling tot de vrouw is de man van mening dat zijn verzoek niet te prematuur is. Terugplaatsing van [minderjarige 1] naar de vrouw kan het doel van de ondertoezichtstelling zijn, maar dit is het standaarddoel van iedere ondertoezichtstelling en het zegt niets over de huidige situatie of de haalbaarheid van dit doel. Er is nog lang niet voldaan aan de voorwaarden voor terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de vrouw en het is zeer de vraag of dit zal lukken. Diverse hulpverleningstrajecten zijn nog niet, of net pas opgestart. Voor de langere termijn is dus nog geen duidelijkheid over de verblijfplaats van [minderjarige 1], maar volgens de man is het nodig dat op dit moment de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de situatie zoals die feitelijk is, omdat hij ook tegen praktische problemen aanloopt. Voor instanties en school is nu niet duidelijk wie van de ouders bijvoorbeeld het hoofdaanspreekpunt is. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de school terughoudend is in haar communicatie naar hem toe. Ook met de aanvraag voor de kinderbijslag en het kindgebonden budget loopt de man tegen problemen aan. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat nu een definitieve beslissing moet en kan worden genomen op zijn verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf. Mocht in de toekomst blijken dat [minderjarige 1] weer bij haar moeder kan wonen, dan kan het hoofdverblijf opnieuw worden gewijzigd.

4.2

De vrouw verzoekt primair om het verzoek van de man af te wijzen en subsidiair om de beslissing op dit verzoek aan te houden omdat het nog te vroeg is om een definitieve beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1]. Tijdens de zitting van 7 november 2025 heeft de kinderrechter met partijen besproken dat de machtiging tot uithuisplaatsing in duur zou worden beperkt en dat een terugplaatsing naar de vrouw nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Ook uit de beschikking van 30 januari 2026 blijkt dat de GI met de vrouw gaat werken aan de voorwaarden voor terugplaatsing. Wat de vrouw betreft is een terugplaatsing dus nog steeds het uitgangspunt. Dit is volgens haar ook het meest in het belang van [minderjarige 1] en zij is bereid daarvoor alle noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Inmiddels is de vrouw voor individuele hulpverlening gestart bij De Viersprong en binnenkort zal haar hulpverleningstraject daar aanvangen. Het contact dat er is tussen de vrouw en [minderjarige 1] verloopt goed en vanaf mei 2026 zal er worden gestart met uitbreiding van de contactmomenten. [minderjarige 1] geeft zelf ook aan de vrouw te missen. Tevens is het traject om tot verbetering van de oudercommunicatie te komen gestart en de vrouw heeft al individuele gesprekken gehad. Het heeft lang geduurd voordat de hulpverlening op gang kwam, maar dat was niet alleen aan de ouders te wijten. Dit alles is wel de reden dat [minderjarige 1] nu al voor langere tijd bij de man woont. Daarnaast is er lange tijd onduidelijkheid geweest over de woonsituatie van de man, terwijl openheid hierover wel van belang is om te kunnen beoordelen welke hoofdverblijfplaats in het belang is van [minderjarige 1]. Tot slot merkt de vrouw op dat [minderjarige 1] inmiddels staat ingeschreven op het adres van de man. Hij kan dus kinderbijslag en kindgebonden budget gaan aanvragen, en ontvangen. Een wijziging van het hoofdverblijf is daarvoor niet noodzakelijk.

4.3

De Raad adviseert om de beslissing op het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1], aan te houden. Partijen en [minderjarige 1] zitten nog midden in het proces van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. In het kader van dit proces moet nog worden bezien wat de perspectieven zijn voor de verblijfsplaats van [minderjarige 1]. Pas wanneer dit duidelijk is, kan een beslissing worden genomen over het hoofdverblijf.

Op dit moment wordt door de GI nog ingezet op terugplaatsing van [minderjarige 1] bij haar moeder. Er moeten evenwel nog grote stappen worden gezet. De ingezette hulpverleningstrajecten zijn pas net begonnen en de traumabehandeling voor [minderjarige 1] moet nog starten. Daarbij is een grote zorg de situatie rondom [minderjarige 2]. Het seksueel misbruik door [minderjarige 2] heeft grote impact gehad op [minderjarige 1]. De Raad vraagt zich af in hoeverre dit door de GI wordt meegenomen bij de beoordeling van de vraag of terugplaatsing in het gezin van de vrouw, waarvan [minderjarige 2] deel uitmaakt, voor [minderjarige 1] fysiek en emotioneel gezien veilig is.

Volgens de Raad kan pas wanneer alle trajecten en behandelingen zijn afgerond, met de hieruit verkregen informatie een beslissing worden genomen over het hoofdverblijf. De Raad adviseert daarom de beslissing over het hoofdverblijf aan te houden tot medio november 2026. Op dat moment moet volgens de Raad ook duidelijk zijn voor [minderjarige 1] of terugplaatsing bij haar moeder reëel is.

Wat betreft de communicatie tussen de school en de ouders van [minderjarige 1], merkt de Raad op dat hier een taak ligt voor de GI om duidelijkheid te geven aan school. Een wijziging van het hoofdverblijf is hiervoor niet nodig.

4.4

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

In artikel 1:253a BW staat dat de rechter een beslissing moet nemen die zij het meest in het belang vindt van het kind.

4.5

Uit de stukken die voorafgaand aan de zitting zijn overgelegd, voormeld rapport van de GI van 7 april 2026 en hetgeen tijdens de zitting is verklaard is het volgende naar voren gekomen.

4.6

[minderjarige 1] is onder toezicht gesteld. Hoewel de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald, is terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de vrouw, zo volgt uit de stukken, in beginsel nog steeds het uitgangspunt. Voordat duidelijk wordt of die terugplaatsing al dan niet mogelijk is, moeten er echter nog diverse hulpverleningstrajecten worden doorlopen.

De hulpverlening voor [minderjarige 1] wordt pas in mei 2026 gestart. Deze is gericht op traumaverwerking in combinatie met HSM (hulp bij seksueel misbruik). Ook in haar relatie met [minderjarige 2] zal verwerking en behandeling nodig zijn. Eerst dan zal duidelijk worden wat [minderjarige 1] precies nodig heeft en welke stappen er nog (extra) gezet moeten èn kunnen worden.

Verder heeft de vrouw zich pas recent aangemeld bij De Viersprong voor persoonlijke hulpverlening en heeft zij daar een intakegesprek gehad. Het zal nog enkele weken duren voordat zij kan starten met het hulpverleningstraject en het hangt van de nog te stellen diagnose af welk traject zij zal gaan doorlopen en hoe lang dit zal duren. Tijdens dit traject zal ook pas duidelijk worden of de vrouw kan (gaan) voldoen aan de voorwaarden die door de GI worden gesteld aan een (mogelijke) terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de vrouw.

Voorts bevindt het oudercommunicatietraject zich nog in de beginfase. De vrouw heeft inmiddels een intakegesprek gevoerd, maar blijkens het rapport van de GI heeft de man dit gesprek nog niet gehad. Gezamenlijke gesprekken zijn er nog helemaal niet geweest en het moet nog blijken of het partijen in de toekomst zal lukken om met elkaar afspraken te maken over [minderjarige 1].

Daar komt verder nog bij dat door de GI nu nog in het geheel niet in kaart is gebracht hoe het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de toekomst vorm gegeven kan/moet worden. Er is tot nu toe alleen om de week een kort videobelcontact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1]. De GI heeft ervoor gekozen om te wachten op de behandeling die voor [minderjarige 1] gaat starten bij Sterk Huis, voordat er een volgende stap kan/zal worden gezet in het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Dit betekent ook dat nu nog volledig onduidelijk is hoe bij een eventuele terugplaatsing van [minderjarige 1] wordt omgegaan met het feit dat [minderjarige 1] dan in het gezin komt te wonen waartoe ook [minderjarige 2] behoort en zij dus, als slachtoffer van seksueel misbruik, in huis komt te wonen met de pleger. Daarmee is ook nog niet duidelijk op welke manier haar veiligheid dan wordt gewaarborgd. [minderjarige 2] moet zelf ook nog een traject doorlopen. Hij heeft Multisysteem Therapie gehad en staat nu op een wachtlijst voor therapie vanwege geestelijke en lichamelijke mishandeling. Het verloop hiervan is op dit moment evenmin duidelijk.

4.7

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat zij, omdat de uitkomst van de lopende en nog op te starten trajecten nog onbekend is, zij essentiële informatie mist die nodig is voor het nemen van een weloverwogen beslissing op het verzoek van de man tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1]. Gelet op deze stand van zaken zal de rechtbank, in overeenstemming met het advies van de Raad, de beslissing op het verzoek van de man tot wijziging van het hoofdverblijf aanhouden tot 30 november 2026 pro forma, in afwachting van het verdere verloop en de uitkomst van de hiervoor genoemde hulpverleningstrajecten en de (eventuele) beslissing over het al dan niet nogmaals verlengen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

4.8

De rechtbank merkt nog op dat het enkele gegeven, voorzover dat al juist zou zijn, dat het de man tot nu toe niet lukt om kinderbijslag en kindgebonden budget aan te vragen voor [minderjarige 1] geen reden vormt om tot een ander oordeel te komen. Tijdens de zitting is overigens gebleken dat [minderjarige 1] inmiddels wel staat ingeschreven op het adres van de man. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw, als haar medewerking aan het aanvragen door de man van genoemde toeslagen op de een of andere manier nog is vereist, deze medewerking ook zal verlenen en de aanvraag niet zal frustreren.

Verder volgt de rechtbank de Raad in haar advies dat er, voor zover het gaat om de contacten met school, hier een taak ligt voor de GI.

Kinderalimentatie

4.9

De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds voormelde beschikking van

11 februari 2025 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, omdat [minderjarige 1] sinds 9 juli 2025 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij hem woont. Vanaf die datum neemt hij de volledige verzorging voor haar op zich en voldoet hij alle kosten voor haar.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek en stelt onder meer dat zij, ondanks dat [minderjarige 1] bij de man is geplaatst, ook kosten van [minderjarige 1] heeft betaald, waaronder de kosten van het telefoonabonnement.

4.10

Tijdens de zitting heeft de vrouw er alsnog mee ingestemd dat de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] op nihil wordt gesteld met ingang van 9 juli 2025 en zolang [minderjarige 1] bij de man woont. Verder zijn partijen het erover eens dat de man alle kosten van [minderjarige 1] voor zijn rekening (blijft) nemen. De mobiele telefoon die [minderjarige 1] nu in haar bezit heeft en waarvan het abonnement wordt betaald door de vrouw, zal de man teruggeven aan de vrouw.

4.11

In dit verband staat vast dat [minderjarige 1] vanaf 9 juli 2025 niet langer bij de vrouw woont maar (vooralsnog) bij de man. Aldus heeft zich een wijziging van omstandigheden voorgedaan die maakt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

4.12

De rechtbank zal gelet op voormelde overeenstemming in deze beschikking vastleggen dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] met ingang van 9 juli 2025 op nihil wordt gesteld. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is waar [minderjarige 1] uiteindelijk haar definitieve hoofdverblijf zal hebben, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage voorlopig, zolang [minderjarige 1] bij de man verblijft, op nihil zal worden gesteld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

wijzigt voormelde beschikking van 11 februari 2025 als volgt:

5.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de daarbij vastgestelde bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [gebooreplaats] op [geboortedag 1] 2016, voorlopig, met ingang van 9 juli 2025 en zolang de minderjarige bij de man woont, nader wordt vastgesteld op nihil;

5.3

houdt de verdere behandeling van en definitieve beslissing op het verzoek tot wijziging van de definitieve onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en de beslissing op het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] aan tot 30 november 2026 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.