Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6257Zaaknummer C/02/449104 / JE RK 26-1016
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/449104 / JE RK 26-1016
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Spoedmachtiging uhp
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag met ingang van 10 juni 2026 tot 24 juni 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder (met advocaat) op voor de zitting van mr. mr. Pellikaan op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, en op schrift gesteld in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, op 11 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449104 / JE RK 26-1016
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden[_3090582a-3c94-4707-948f-c654eedc1019] aan:
[de moeder (met gezag],
hierna te noemen de moeder (met gezag),
wonende in [woonplaats 1],
[de vader (zonder gezag],
hierna te noemen de vader (zonder gezag),
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het mondelinge verzoek van de GI op 10 juni 2026;
- de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 juni 2026.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij de vader zonder gezag.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 februari 2027.
3 Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt aansluitend om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag te verlenen voor de duur van zes maanden
4 De beoordeling
Uit de mondelinge onderbouwing van het verzoek en de overgelegde stukken blijkt, samengevat, onder meer het volgende. [minderjarige] verblijft sinds 12 maart 2026 met haar moeder in het [moeder-kindhuis] te [woonplaats 1]. De moeder kan daar, vanwege haar huidige middelengebruik niet langer verblijven. De moeder heeft recent een terugval gehad in gebruik (cocaïne en heroïne) en zij volgt momenteel een detoxtraject. De moeder heeft last van ontwenningsverschijnselen en gebruikt medicijnen vanwege de detox. De moeder bleek op 10 juni 2026 niet wakker te krijgen, ondanks het harde huilen van [minderjarige] op haar kamer. Ook is er op 10 juni 2026 op meerdere plekken drugs aangetroffen (onder andere op de badkamervloer waar ook [minderjarige] kan lopen), waarvan een deel bewust verstopt was. Zij is niet betrouwbaar en/of open geweest over haar middelengebruik en dit heeft gevaarlijke situaties voor [minderjarige] opgeleverd. Het Moeder-Kindhuis heeft de plaatsing met onmiddellijke ingang beëindigd. De GI is van mening dat de moeder nu niet in staat om de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te dragen. [minderjarige] heeft contact met haar vader en heeft daar al een paar nachtjes geslapen. Hij is vertrouwd voor haar. Aangezien een acute overplaatsing naar een crisispleeggezin teveel impact zal hebben op [minderjarige], kiest de GI ervoor om [minderjarige] te laten verblijven bij haar vader. Hoewel hij bekend is met middelengebruik, zijn de drugstesten de afgelopen periode negatief gebleken. De GI zal daarbij zicht houden op de opvoedsituatie bij de vader thuis door inzet van intensieve (spoed)hulpverlening, inzet van netwerk en veiligheidsafspraken. De GI wil de vader de kans te geven een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren met inzet van duidelijke kaders, afspraken en monitoring. Wanneer er toch zorgen ontstaan over de opvoedsituatie van de vader, moet opnieuw worden gewogen wat een passende opvoedsituatie is voor [minderjarige]. Op een later moment, wanneer de moeder mogelijk meer stabiliteit heeft bereikt, zal worden gekeken naar het toekomstperspectief van [minderjarige].
De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst (op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW), nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige], gezien voormelde zorgen. Daarom wordt de beslissing nu direct door de kinderrechter genomen zonder eerst met de belanghebbenden erover te praten. De belanghebbenden zullen over het spoeddeel en het (vervolg)verzoek worden gehoord op de mondelinge behandeling. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag zal nu eerst worden verleend voor de duur van twee weken, met ingang van 10 juni 2026 tot 24 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de hierna te noemen mondelinge behandeling.
[minderjarige] verblijft sinds 10 juni 2026 bij de vader zonder gezag. Om die reden zal de vader als belanghebbende worden aangemerkt, aangezien het verzoek van de GI rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen als (verzorgende) ouder van [minderjarige].
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Dit is in het belang van [minderjarige].
Bij het opstellen van deze beschikking is gebleken dat het niet mogelijk is om direct een advocaat aan de moeder toe te voegen. Daarom zal tijdig voorafgaand aan de volgende mondelinge behandeling alsnog een advocaat worden toegevoegd aan de moeder als zijnde de hoofdverzorger van [minderjarige].
Verdere beslissingen op beide resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5 De beslissing
De kinderrechter:
verleent een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader zonder gezag met ingang van 10 juni 2026 tot 24 juni 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder (met advocaat) op voor de zitting van mr. mr. Pellikaan op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, en op schrift gesteld in aanwezigheid van Rozendaal als griffier, op 11 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.