Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6256Zaaknummer C/02/442007 FA RK 25-5913
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Publicatiedatum
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/442007 FA RK 25-5913
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank gelast een gezagsonderzoek. Wijziging van de kinderalimentatie.
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van 27 november 2024 als volgt:
bepaalt dat daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
met ingang van 10 november 2025 tot 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 106,50 (honderdenzes euro en vijftig eurocent) per maand per kind en vanaf 1 januari 2026 op €111,40 (honderdelf euro en veertig eurocent) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betreft;
wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie af;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda het onderzoek dat zal worden uitgevoerd in de zaak met zaaknummer 422600 FA RK 24-2322 uit te breiden met een onderzoek naar het gezag, waarbij in het kader van het gezag de hierboven vermelde vraag dient te worden beantwoord en daarover dan in beide zaken te rapporteren en te adviseren. Het rapport dient vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank te worden ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt de behandeling van het verzoek met betrekking tot het gezag aan tot 22 september 2026 pro forma in afwachting van het raadsonderzoek;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442007 FA RK 25-5913
datum uitspraak: 10 juni 2026
beschikking betreffende gezag en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.C.G. Voogt,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. C.K. Visser.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 november 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 11;
- het op 17 april 2026 ontvangen verweerschrift met producties 1 tot en met 15;
- het op 23 april 2026 ontvangen gewijzigde verzoekschrift met producties 12 tot en met 19;
- het F9 formulier van mr. Voogt van 30 april 2026 met producties 20 en 21;
- de beschikking van deze rechtbank van 27 november 2024.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de man bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw bijgestaan door haar advocaat en tolk mevrouw [persoon],
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. De kinderen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die eind 2002 is beëindigd;
- sinds februari 2024 wonen partijen niet meer bij elkaar;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015;
- de kinderen zijn door de man naar Pools recht erkend;
- de vrouw is alleen belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige kinderen;
- de minderjarige kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
Op grond van voormelde beschikking is de man voorlopig gerechtigd tot omgang met de minderjarige kinderen:
- iedere week op maandag vanuit school tot dinsdagochtend aanvang school, waarbij de man de kinderen op maandag uit school ophaalt en op dinsdag weer naar school brengt;
- ieder week op woensdag vanuit school dan wel BSO tot circa 17.15 uur, waarbij de man de kinderen uit school haalt en [minderjarige 1] naar haar sportactiviteit zal brengen en haar daar zal ophalen. Voorts zal de man de kinderen om 17.15 uur bij de vrouw terugbrengen;
- één weekend per veertien dagen van vrijdag vanuit school tot dinsdag aanvang school, waarbij de man de kinderen op vrijdag uit school ophaalt en de kinderen op dinsdag naar school brengt.
Verder dient de man op grond van voormelde beschikking nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 260,67 per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.
3 De verzoeken en het verweer
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zoveel mogelijk bij voorraad:
- te bepalen dat de man voortaan gezamenlijk met de vrouw wordt belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de beide nog minderjarige kinderen;
- de beschikking van 27 november 2024 te wijzigen door de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van 12 juni 2025, althans een datum die de rechtbank redelijk acht, nader vast te stellen op € 63,00 per maand per kind, althans op een lager dan het thans geldende bedrag.
De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het verzoek ten aanzien van het gezamenlijk ouderlijk gezag af te wijzen, althans te bepalen dat er door de Raad een onderzoek inzake het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt verricht;
- het verzoek ten aanzien van de wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen af te wijzen.
4 De beoordeling
Grondslag verzoek van eenhoofdig naar gezamenlijk gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Door de omstandigheid dat beide partijen en de kinderen de Poolse nationaliteit bezitten draagt deze zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van de verzoeken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, omdat de minderjarige kinderen ten tijde van de indiening van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (artikel 7 Brussel II-ter).
Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt op dit verzoek het Nederlandse recht toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
De man legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. De man ging er altijd vanuit dat hij samen met de vrouw het gezag over de kinderen had. Volgens de man ging ook de vrouw daarvan uit. Het is volgens de man ook altijd de bedoeling geweest van partijen dat zij gezamenlijk het gezag over de kinderen zouden uitoefenen. De man stelt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk met het gezag over hun minderjarige kinderen zijn belast. Naar de mening van de man zijn er op dit moment onvoldoende gronden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. De man beaamt dat het Uniforme Hulpaanbod (hierna: UHA) waar partijen naar verwezen zijn in de genoemde beschikking van 27 november 2024, niet het gewenste resultaat heeft gehad maar het heeft wel positieve ontwikkelingen opgeleverd. Zo hebben partijen gewerkt aan het herkennen van patronen in de communicatie en communiceren partijen nu met elkaar over datgene wat noodzakelijk is voor de kinderen. Verder is de man ook betrokken bij de kinderen. De man persisteert dan ook bij zijn verzoek. Tegelijkertijd heeft de advocaat van de man ter zitting aangegeven dat een raadsonderzoek over het gezag goed kan zijn zodat duidelijk wordt dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vrouw voert verweer. Zij heeft verzocht om een raadsonderzoek en persisteert ter zitting bij dat verzoek. Zij licht toe dat het UHA niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Naar de mening van de vrouw is er reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag, namelijk omdat er sprake is van een onaanvaardbaar risico op het klem of verloren raken van de minderjarige kinderen tussen haar en de man. De vrouw ervaart grote emotionele druk vanuit de man en heeft veel moeite daaraan weerstand te bieden, zelfs in de huidige situatie waarin sprake is van eenhoofdig gezag. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de kinderen hulp nodig hebben, maar de vrouw de kinderen hiervoor niet durft aan te melden omdat de man dit niet wil. De vrees bestaat dat dit alleen maar erger zal worden als partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over de kinderen. De vrouw is op dit moment (nog) onvoldoende weerbaar om een weerwoord te bieden aan de man, zij heeft tijd nodig om stappen te maken in het weerbaarder worden.
Een gebrek aan goede communicatie speelt daarbij een belangrijke rol. Dit gebrek aan communicatie komt voort uit een onevenwichtige balans tussen de vrouw en de man. Verder lijken ook de kinderen last te hebben van de situatie. Vooral het hoofd van [minderjarige 2] zit vol en [minderjarige 1] geeft af en toe aan dat zij niet naar haar vader wil. De vrouw denkt dat de band tussen vader en de kinderen anders is dan de man denkt. De kinderen zijn zeker op hem gesteld maar lijken, net als de vrouw, moeite te hebben om hem te vertellen wat zij zelf willen, zeker als hun wensen of ideeën afwijken van die van de man. De vrouw wil daarom eerst een onderzoek van de Raad voordat een beslissing wordt genomen door de rechtbank over het gezag.
De Raad merkt op dat het uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast. De Raad heeft gemerkt dat de vrouw kwetsbaar is en dat zij ondersteuning nodig heeft in de communicatie met de man. Er is daarom nog een vervolg op de hulpverlening nodig, maar dit wordt door de man afgehouden. Ouders moeten echt nog stappen maken in de communicatie met elkaar. Dit is echt nodig om gezamenlijk het gezag over de minderjarige kinderen uit te kunnen oefenen. In een andere nog lopende procedure tussen partijen gaat de Raad onderzoek doen naar de omgang.
Voor nu ziet de Raad nog teveel kwetsbaarheden om zonder meer gezamenlijk ouderlijk gezag te adviseren. Als de rechtbank de Raad opdracht zou geven een onderzoek te doen naar het gezag, dan kan dit meegenomen worden in het onderzoek naar de omgang. De verwachting is dat dat onderzoek in de zomer of kort daarna zal starten. De Raad merkt verder nog nadrukkelijk op dat het een bijzondere situatie is dat de man nu hulpverlening voor de kinderen kan tegenhouden, terwijl de man geen gezag heeft. Als de vrouw of de hulpverlening zien dat de kinderen nu hulp nodig hebben, dan kan de vrouw dat nu regelen zonder toestemming van de man. De Raad adviseert de vrouw de hulpverlening voor de kinderen zo spoedig mogelijk in gang te zetten.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting constateert de rechtbank dat er sprake is van communicatieproblemen tussen de ouders waarbij de vrouw onvoldoende weerstand lijkt te kunnen bieden aan de opstelling en de manier van communiceren door de man. Nu voor gezamenlijke uitoefening van het gezag ook vereist is dat ouders in staat zijn goed met elkaar te communiceren over beslissingen over de verzorging en de opvoeding van de kinderen is het voor de rechtbank belangrijk goed inzichtelijk te hebben of en in hoeverre de communicatieproblemen in de weg staan aan het uitoefenen van gezamenlijk gezag. De rechtbank acht hierover zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen geven op het verzoek tot belasting van de ouders met het gezamenlijk ouderlijk gezag.
De rechtbank verzoekt de Raad, locatie Breda, daarom het reeds bevolen onderzoek naar de omgang dat zal worden uitgevoerd in de zaak met zaaknummer 422600 FA RK 24-2322 uit te breiden met een onderzoek naar het gezag en dan vervolgens in beide procedures te rapporteren. De rechtbank verzoekt de Raad in het onderzoek naar het gezag de volgende vraag te beantwoorden:
- bestaat er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarige kinderen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak op dit punt worden aangehouden.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen vaan het verzoek inzake kinderalimentatie, aangezien de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland (artikel 3 sub b Alimentatieverordening).
Op het alimentatieverzoek wordt Nederlands recht toegepast, omdat de onderhoudsgerechtigden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 15 Alimentatieverordening jo. artikel 3 Haags Protocol 2007).
Grondslag verzoek wijziging kinderalimentatie
De man voert als grond voor zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie aan dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband stelt hij dat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de kinderalimentatie door de rechtbank rekening is gehouden met een maandelijkse aflossing van € 722,00 door de vrouw op een gezamenlijk krediet bij de ING. Dit krediet is afgelost waardoor de aflossing vanaf 12 juni 2025 is komen te vervallen en hiermee dus geen rekening meer gehouden hoeft te worden bij de berekening van de draagkracht van de vrouw.
De vrouw heeft erkend dat de door de man gestelde wijziging van omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Er heeft zich dus een wijziging van omstandigheden voorgedaan, die een onderzoek naar de behoefte van de minderjarige kinderen aan een bijdrage en naar de huidige financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen noodzakelijk maakt. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
Ingangsdatum
De man verzoekt de rechtbank de gewijzigde onderhoudsverplichting met ingang van de datum van het verval van de aflossingsverplichting van het gezamenlijke krediet in te laten gaan, zijnde 12 juni 2025. Ter zitting heeft de man subsidiair verzocht de gewijzigde onderhoudsverplichting in te laten gaan vanaf het moment waarop de vrouw is aangeschreven over de wijziging van de kinderalimentatie en meer subsidiair vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank.
De vrouw is van mening dat de wijziging van de onderhoudsverplichting niet eerder in mag gaan dan de datum van indiening van het verzoekschrift. De vrouw heeft vanaf het moment dat werd gevraagd om een wijziging van de kinderalimentatie direct de benodigde stukken toegestuurd, zodat nieuwe berekeningen konden worden gemaakt.
De rechtbank zal de wijziging van de nu geldende bijdrage laten ingaan op
10 november 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de vrouw vanaf dat moment rekening kon houden met wijziging van de bijdrage. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de vrouw niet vanaf het moment van het verval van de aflossingsverplichting zelf al rekening te houden met een wijziging van de kinderalimentatie. Verder blijkt uit de stukken dat de vrouw nauwelijks in de gelegenheid is geweest om te reageren op het voorstel tot wijzing van de man. De man heeft namelijk een week nadat hij een voorstel aan de vrouw heeft gedaan direct een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Dat de vrouw binnen die week nog niet had gereageerd, rekent de rechtbank de vrouw niet aan.
Uitgangspunten bij de berekening van kinderalimentatie
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 € 1.184,00 per maand bedroeg. Hierin is een bedrag opgenomen van € 91,00 met betrekking tot de kosten voor de buitenschoolse opvang die de vrouw zelf maandelijks moet betalen. De behoefte bedroeg dan in 2025 € 592,00 per maand per kind.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw kan worden uitgegaan van de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2025. Het NBI van de vrouw komt dan uit op € 2.888,00 per maand.
De man is van mening dat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw niet moet worden gerekend met het woonbudget van 30% van het NBI, maar dat moet worden uitgegaan van de (lagere) daadwerkelijke woonlasten van de vrouw. De man hanteert een woonlast van € 288,66 per maand, bestaande uit de huur van € 704,16[_63679577-15f6-48c6-9a64-d36508c5af4f] minus de huurtoeslag van € 415,50[_0bf3c3ad-2172-46ad-b0fd-108f784c5e37].
De vrouw voert aan dat in de alimentatieberekening gerekend moet worden met een woonbudget van 30% van het NBI omdat er geen tekort is in de draagkracht om in de behoefte te kunnen voorzien.
De rechtbank zal ten aanzien van de woonlasten van de vrouw aansluiten bij de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie[_7acb77ab-626b-4365-a303-385b9caf7f1e] waarin is bepaald dat als er (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn dat het woonbudget, er reden kan zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een (klein) tekort aan draagkracht om in de behoefte van de kinderen te voorzien.
De rechtbank houdt rekening met een werkelijke woonlast van € 288,00 per maand (€ 704,00 minus € 416,00). Deze woonlast is volgens de rechtbank duurzaam aanmerkelijk lager dan het woonbudget van 30% van het NBI, dat in dit geval uitkomt op € 866,00.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 903,00 per maand.
Draagkracht man
Partijen zijn het erover eens dat voor wat betreft het NBI van de man kan worden aangesloten bij de door de man overgelegde berekening die op basis van de jaaropgave 2025 uitkomt op een NBI van € 3.257,00 per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 679,00 per maand.
Draagkrachtvergelijking
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen. Uit de draagkrachtvergelijking tussen partijen volgt dan dat de vrouw met € 675,00 per maand en de man met € 509,00 per maand moet bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.184,00 per maand.
Zorgkorting
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. Hij geeft aan dat hij streeft naar een co-ouderschap en daarom aanspraak maakt op 35% zorgkorting. Ter zitting heeft de man aanvullend gesteld dat ook op basis van de voorlopige regeling de man gemiddeld drie dagen per week omgang heeft met de kinderen en dat toepassing van 35% dus sowieso juist zou zijn.
De vrouw maakt daartegen gemotiveerd bezwaar en stelt dat een zorgkorting van 25% moet worden toegepast. In de beschikking van 27 november 2024 heeft de rechtbank de zorgkorting op basis van de voorlopige omgangsregeling bepaald op 25%. De vrouw wijst erop dat er over vakanties en feestdagen geen aparte afspraken zijn gemaakt
De rechtbank neemt voor de vaststelling van het percentage voor de zorgkorting als uitgangspunt de omgangsregeling zoals die tussen partijen voorlopig is overeengekomen en in de beschikking van 27 november 2024 is vastgelegd.
De man heeft dan in de ene week één dag de zorg voor de kinderen (van maandag na school tot dinsdag aanvang school) en een paar uur op woensdagmiddag en in de andere week vier dagen omgang (van vrijdag na school tot dinsdag aanvang school) en een paar uur op woensdagmiddag. Voor de rechtbank is niet (voldoende) komen vast te staan of er tussen partijen afwijkend van de genoemde beschikking afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de vakanties en feestdagen en zo ja, wat die afspraken dan inhouden. De rechtbank houdt daarmee dan ook geen rekening in de bepaling van het percentage van de zorgkorting. Op basis van de omgangsregeling constateert de rechtbank dat de man minder dan gemiddeld drie dagen per week omgang heeft met de kinderen zodat een zorgkorting geldt van 25%. Nu de behoefte van de minderjarige kinderen € 1.184,00 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 296,00 per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw dient te betalen € 213,00 per maand, zijnde € 106,50 per maand per kind. Per 1 januari 2026 bedraagt de bijdrage van de man dan inclusief wettelijke indexering € 111,40 per maand per kind.
Terugbetalingsverplichting
Nu de rechtbank de onderhoudsverplichting met ingang van een voor deze uitspraak gelegen datum zal verlagen, moet de rechtbank aan de hand van de gebleken feiten en omstandigheden beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is de rechtbank niet afhankelijk van een door de vrouw gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend, verweer. Bij de beoordeling moet de rechter ook het belang van de man om het te veel betaalde terug te krijgen in aanmerking nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw vanaf 10 november 2025 er rekening mee heeft kunnen en behoren te houden dat zij, indien de man nog een bijdrage aan haar bleef betalen, zij misschien een deel daarvan aan de man zou moeten terugbetalen.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om de vrouw te ontslaan van haar verplichting om de vanaf 10 november 2025 eventueel te veel door de man betaalde alimentatie terug te betalen.
Berekeningen
De rechtbank heeft met inachtneming van het bovenstaande een berekening gemaakt van de draagkracht van de vrouw. Deze berekening is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.
5 De beslissing
De rechtbank
wijzigt voormelde beschikking van 27 november 2024 als volgt:
bepaalt dat daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
met ingang van 10 november 2025 tot 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 106,50 (honderdenzes euro en vijftig eurocent) per maand per kind en vanaf 1 januari 2026 op €111,40 (honderdelf euro en veertig eurocent) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betreft;
wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie af;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda het onderzoek dat zal worden uitgevoerd in de zaak met zaaknummer 422600 FA RK 24-2322 uit te breiden met een onderzoek naar het gezag, waarbij in het kader van het gezag de hierboven vermelde vraag dient te worden beantwoord en daarover dan in beide zaken te rapporteren en te adviseren. Het rapport dient vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank te worden ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;
houdt de behandeling van het verzoek met betrekking tot het gezag aan tot 22 september 2026 pro forma in afwachting van het raadsonderzoek;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.