Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6219Zaaknummer C/02/448734 / JE RK 26-937

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448734 / JE RK 26-937
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

(Spoed)machtiging uithuisplaatsing

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 juni 2026 tot 29 oktober 2026;

7.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

houdt iedere verdere beslissing op het resterende deel van het verzoek tot een

machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] aan tot 29 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke verslag van de GI, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 6.8.;

7.4.

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De mening van [minderjarige 1]
  5. 5 De standpunten van de belanghebbenden
  6. 6 De beoordeling
  7. 7 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448734 / JE RK 26-937

Datum uitspraak: 9 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over de minderjarige

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1].

De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbend aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1].

advocaat: mr. R. Joosen uit Oosterhout;

De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2],

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • de in deze zaak gegeven beschikking van 1 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de door [minderjarige 1] tijdens het kindgesprek overgelegde brief.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

1.3.

Hoewel uitgenodigd is de vader niet bij de zitting verschenen.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter en heeft tijdens het gesprek ook een brief overgelegd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld en heeft zij de brief voorgelezen. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1].

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 5 februari 2026 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot 5 februari 2027.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 1 juni 2026 is verleend een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 1 juni 2026 tot 29 juni 2026.

2.4.

Op basis van die machtiging verblijft [minderjarige 1] op de [accommodatie] in [plaats 3].

3 Het verzoek

3.1.

De GI heeft op 1 juni 2026 verzocht om met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt om hierop te beslissen zonder de moeder en [minderjarige 1] daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening hierover te geven.

3.2.

De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 5 februari 2027, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3.

Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek.

4 De mening van [minderjarige 1]

4.1.

heeft in het gesprek met de kinderrechter en in haar brief verteld dat zij graag zo snel mogelijk, met goede afspraken, terug naar huis wil. [minderjarige 1] ziet in dat zij fouten heeft gemaakt en dat dit voor iedereen gevolgen heeft gehad. Zij staat open voor een coach of een vorm van therapie om te leren haar emoties te reguleren en beter te communiceren.

5 De standpunten van de belanghebbenden

5.1.

De GI heeft, ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, aangevoerd dat binnen dit gezin structureel sprake is van onveiligheid. De relatie tussen de ouders is gewelddadig geweest en [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben dit meegekregen. De moeder geeft ook aan dat er sprake is van een patroon dat generatie op generatie wordt overgedragen. Zowel de moeder als de kinderen hebben nooit de juiste hulpverlening gehad waardoor ongezonde dynamieken tussen de gezinsleden zijn ontstaan en patronen niet worden doorbroken. De vader lijkt daarnaast geen positief effect te hebben op de situatie. Hij ondermijnt de moeder. Dit is niet de eerste keer dat de situatie is geëscaleerd en dat [minderjarige 1] uit huis is geplaatst. [minderjarige 1] is toen met veiligheidsafspraken naar huis terug gegaan maar het is daarna weer fout gegaan. De GI voorziet dat na een terugplaatsing zonder de juiste hulpverlening voor het hele gezin de situatie opnieuw heftig zal escaleren. Het risico is te groot. Als [minderjarige 1] kortsluiting krijgt is niet alleen haar eigen veiligheid maar ook die van de moeder en [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in het geding. Een veiligheidsplan biedt op dit moment onvoldoende veiligheid. Het zijn namelijk niet alleen [minderjarige 1] en de moeder die zich aan die afspraken moeten houden, maar ook de andere kinderen en de vader. De moeder heeft echter geen gezag over de kinderen dus zij zullen niet naar haar luisteren. Een thuisplaatsing binnen vier weken is niet realistisch. [minderjarige 1] is nu gebaat bij stabiliteit. Zij is aangemeld voor een woongroep in [plaats 4] vanwaar uit zij naar school kan en waar zij kan doorstromen naar een studio en ook tot na haar achttiende verjaardag kan blijven. Daarnaast zal zij ambulante behandeling moeten krijgen. Zij heeft zelf een voorkeur voor bokstherapie. Ondertussen moet worden gekeken hoe [minderjarige 1] op een positieve en gezonde manier kan werken aan de relatie met de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Een plaatsing bij oma moederszijde is gelet op de verstoorde verstandshouding tussen de moeder en oma moederszijde geen optie. Eerder wilde [minderjarige 1] dit zelf ook niet. Verder heeft er een intake plaatsgevonden voor een vijfdaagse gezinsopname bij [woongroep]. [woongroep] zal naar aanleiding van de opname een plan opstellen op basis waarvan de GI hulpverlening kan inzetten. Het is de bedoeling dat zo zicht komt op wat de kinderen van hun opvoeder nodig hebben en hoe alle gezinsleden een gezonde relatie met elkaar kunnen opbouwen. Juist omdat er al zoveel hulpverlening is ingezet is het van belang hier goed naar gekeken wordt. De precieze invulling van de gezinsopname moet nog verder worden besproken.

5.2.

Door en namens de moeder is allereerst aangevoerd dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] op goede gronden is afgegeven. Voorts is door de moeder verzocht om afwijzing van het resterende deel van het verzoek. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de duur van de machtiging dient te worden beperkt tot het begin van het nieuwe schooljaar en dat het resterende deel van het verzoek dient te worden afgewezen, dan wel meer subsidiair dient te worden aangehouden omdat er nog geen plan ligt. De moeder herkent wat [minderjarige 1] in haar brief aan de kinderrechter heeft geschreven. [minderjarige 1] kropt emoties en gevoelens op en kan dan van het ene op het andere moment ontploffen. Zij weet niet beter dan conflicten op te lossen met geweld. De moeder wil dat de vier weken van de spoedmachtiging worden gebruikt om [minderjarige 1] tot rust te laten komen, waarna zij weer thuis wordt geplaatst. Om de thuisplaatsing een kans van slagen te geven en de veiligheid van de moeder en de andere kinderen te waarborgen moet er voor het hele gezin hulpverlening worden ingezet en moet er een veiligheidsplan worden opgesteld. Eerder is voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] MST ingezet, dat heeft in het begin geholpen maar daarna zijn zij weer afgegleden. Recent is er een kennismakingsgesprek geweest bij [woongroep]. De moeder zou het liefst zien dat er een traject komt voor het hele gezin samen. Verder heeft de moeder aangegeven dat een netwerkplaatsing bij oma moederszijde geen optie is. Oma moederszijde heeft na de vorige plaatsing aangegeven dat de zorg voor [minderjarige 1] voor haar te zwaar is en dat zij geen opvoedersrol wil.

6 De beoordeling

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

6.1.

Bij beschikking van 1 juni 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Zij zijn nu door de kinderrechter gehoord. Uit hetgeen bij de mondelinge behandeling is besproken zijn de kinderrechter geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een ander oordeel dan reeds is verwoord in de voornoemde beschikking.

Het resterende deel van het verzoek

6.2.

Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

6.3.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

6.4.

Tussen de moeder en de kinderen ( [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]) is er onderling sprake van heftig verbaal en fysiek geweld. Er is veel hulpverlening in de thuissituatie bij de moeder ingezet, maar dit heeft niet of nauwelijks tot structurele verbetering van de situatie geleid. De kinderen erkennen de positie van de moeder als opvoeder onvoldoende, waardoor het haar niet lukt hen te begrenzen en sturing te geven. De vader speelt daarbij een ondermijnende rol. De moeder staat nog overeind en doet haar best, maar is zichtbaar uitgeput.

6.5.

De crisissituatie voorafgaand aan de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige 1] was de vierde heftige escalatie in korte tijd. Tijdens deze escalatie heeft [minderjarige 1] fors geweld gebruikt richting haar moeder wat heeft geleid tot een voor de moeder levensgevaarlijke situatie. Hoewel [minderjarige 1] er misschien niet veel aan kan doen omdat zij simpel weg niet anders weet dan te reageren met agressie, mag het nooit meer tot een dergelijke heftige escalatie komen. Gelet op wat er is gebeurd, is het nu eerst van belang dat iedereen tot rust komt en daarna met zichzelf aan de slag gaat. Dat geldt zowel voor de moeder als voor de kinderen. Het is goed om te horen en te lezen dat in ieder geval de moeder en [minderjarige 1] daarvoor gemotiveerd zijn. Als zij zich allemaal inzetten kunnen zij samen groeien en helen. De kinderrechter heeft ook gehoord dat de moeder en [minderjarige 1] wensen dat [minderjarige 1] binnen enkele weken weer thuis komt. Hoewel deze wens invoelbaar is, is de kinderrechter van oordeel dat dit niet in het belang van [minderjarige 1] is, en ook niet in het belang van de moeder en [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Om te komen tot een veilige basis waarin er stabiliteit is en geen verbaal en fysiek geweld meer plaatsvindt, moeten de destructieve patronen die van generatie op generatie zijn doorgegeven worden doorbroken. Dit zal niet alleen tijd kosten maar ook veel energie vragen van de moeder en de kinderen. De kinderrechter gunt het hen allemaal dat zij goede stappen gaan zetten en op den duur als een harmonieus gezin verder kunnen. De gezinsopname bij [woongroep] kan inzicht gaan geven in wat elke individu apart daarvoor nodig heeft en in hetgeen zij samen als systeem nodig heben. [minderjarige 1] lijkt in ieder geval gebaat te zijn bij hulpverlening gericht op haar emotieregulatie en het verwerken van haar trauma’s. De moeder zal tot rust moeten komen, energie op moeten doen en aan de slag moeten met haar eigen trauma’s. De gezinsopname is dus een eerste stap en daarna zal er nog veel werk verzet moeten worden. Dat werk kan niet verzet worden als [minderjarige 1] nu meteen weer thuis komt wonen, want dan zal, zo verwacht de kinderrechter, ieder gezinslid snel weer terugvallen in het oude - destructieve – patroon en zal de moeder overbelast blijven.

6.6.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de machtiging eerst voor korte duur te verlenen, te weten voor vier maanden, met een aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Op die manier kan de kinderrechter de situatie in de gaten blijven houden en over vier maanden bezien of [minderjarige 1] en de moeder, maar ook de andere kinderen, met zichzelf en met elkaar aan de slag zijn gegaan om hun situatie als gezin ten goede te keren.

6.7.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij haar, uiterlijk op 29 september 2026 PRO FORMA schriftelijk informeert over de actuele stand van zaken en het standpunt over het resterende deel van het verzoek, onder gelijktijdige verzending daarvan aan de advocaat van de moeder. De advocaat van de moeder krijgt daarna één week de tijd om schriftelijk te reageren.

6.8.

De kinderrechter verklaart, gelet op de noodzaak van rust in het systeem en in het belang van [minderjarige 1], de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 juni 2026 tot 29 oktober 2026;

7.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

houdt iedere verdere beslissing op het resterende deel van het verzoek tot een

machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] aan tot 29 september 2026 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijke verslag van de GI, zoals is weergegeven in rechtsoverweging 6.8.;

7.4.

behoudt zich verder iedere beslissing voor.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.