Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6137Zaaknummer C/02/448427 / JE RK 26-885

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448427 / JE RK 26-885
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek van het college tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten accomodatie voor jeugdhulp

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 10 juni 2026 tot 10 september 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448427 / JE RK 26-885

Datum uitspraak: 8 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROOSENDAAL,

zetelende in Roosendaal,

hierna te noemen het college,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige],

advocaat: mr. M. Houweling uit Roosendaal.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van het college van 20 mei 2026, ontvangen op 20 mei 2026;
  • het e-mailbericht van het college met bijlage van 4 juni 2026.
1.2.

De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 8 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- [minderjarige], die voorafgaand aan de zitting ook apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, die aan de zitting heeft deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams.

- twee vertegenwoordigers van het college.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 10 maart 2026, opgevolgd door de beschikking van 17 maart 2026, is een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 10 juni 2026.

2.3.

[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging op de [gesloten groep] van [accommodatie] in [plaats 1].

3 Het verzoek

3.1.

Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

3.2.

De moeder stemt in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.

4 De standpunten

4.1.

Namens het college is aangevoerd dat het document Mijn Toekomstplan van [accommodatie], zoals overgelegd bij e-mailbericht van 4 juni 2026, weliswaar 22 april 2026 als datum heeft, maar dat deze datering niet klopt. In dit plan is recente informatie, tot maximaal een week geleden, verwerkt. Het verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] verloopt wisselend. Er is sprake van emotionele ontregeling met alarm situaties tot gevolg. Het gebruik van middelen en de beïnvloedbaarheid van [minderjarige] is nog een bron van zorg en aandacht. Een langer verblijf van [minderjarige] bij [accommodatie] is nodig om de stabiliteit en duidelijke grenzen van de geslotenheid te borgen. Uit eerdere ervaringen is gebleken dat er behoorlijke risico’s zijn als er (te vroeg) wordt ingezet op een plaatsing van [minderjarige] op een meer open en/of voorwaardelijke setting. Er is meer tijd nodig om een duurzame basis te kunnen leggen. Na de laatste zitting in maart 2026 is aan [accommodatie] verzocht om een overplaatsing van [minderjarige] naar een andere behandelgroep. [accommodatie] heeft aangegeven dat dit niet mogelijk was vanwege personele redenen en de samenstelling van de verschillende groepen. Dit maakt dat [minderjarige] nog steeds op de [gesloten groep] van [accommodatie] verblijft. Vooralsnog wordt een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, die zorgt draagt voor drie andere thuiswonende (jonge) kinderen, niet verantwoord geacht. Het perspectief van [minderjarige] lijkt op de langere termijn gelegen te zijn in een kleinschalige woonvorm. Er is een aanmeldprocedure gestart voor [minderjarige] voor een verblijf in kleinschalig woonvoorziening met begeleiding in [plaats 2]. Dit zou een passende vervolgplek voor [minderjarige] kunnen zijn. Hiervoor geldt geen wachtlijst. Voor een overplaatsing van [minderjarige] naar deze woonvoorziening is het op dit moment echter nog te vroeg. Belangrijk is dat de situatie van [minderjarige] verder stabiliseert, waarbij het EMDR behandeltraject dat [minderjarige] volgt door loopt, zijn schoolgang verder vorm krijgt en [minderjarige] (blijvend) geen middelen gebruikt.

4.2.

[minderjarige] heeft in het bijzijn van zijn advocaat naar voren gebracht dat het goed met hem gaat. Hij wordt minder snel boos, heeft minder drang naar drugs en gaat naar school. Ook voelt [minderjarige] zich meer op zijn gemak bij [accommodatie]. Wel ervaart hij nog steeds veel onrust op de [gesloten groep], waar hij nog steeds verblijft, vanwege onderlinge ruzies en pesterijen. [minderjarige] stond niet open voor een gesprek met de gedragswetenschapper. Hij moest opdrachten maken die betrekking hadden op zijn autisme, maar daarover bestaat al voldoende duidelijkheid. [minderjarige] zag daarom het nut van de opdrachten niet in. Hij heeft elke week EMDR-therapie. De therapie zorgt ervoor dat zijn trauma’s minder heftig zijn. [minderjarige] staat open voor een langer verblijf bij [accommodatie]. Hij begrijpt dat zijn situatie nog verder moet stabiliseren, maar dit kan hem niet maanden worden tegengeworpen. Het gaat beter met hem en hij wil graag vooruit. [minderjarige] staat open voor begeleid wonen.

4.3.

Door de advocaat van [minderjarige] is aangevoerd dat ingestemd wordt met het verzoek van het college. Aan de juridische vereisten wordt voldaan en er zijn op dit moment geen andere passende alternatieven voorhanden voor [minderjarige]. Dit neemt niet weg dat bij het verzoek van het college enkele kanttekeningen zijn te plaatsen. De overlegging van het document Het Toekomstplan van [accommodatie] heeft lang op zich laten wachten. Gesteld wordt dat hierin de meest recente informatie is verwerkt, maar het document dateert van 22 april 2026. Daarnaast beschikte de gedragswetenschapper niet over recente actuele informatie tijdens zijn onderzoek. Dit betekent dat het standpunt van de gedragswetenschapper is gebaseerd op oude informatie. Dit zou niet de gang van zaken moeten zijn. Daarnaast heeft in de afgelopen periode geen overplaatsing van [minderjarige] naar een andere behandelgroep van [accommodatie] plaatsgevonden, terwijl daartoe uitdrukkelijk opdracht is gegeven door de rechtbank in de laatste beschikking van 17 maart 2026. In deze beschikking heeft de kinderrechter het college namelijk verzocht om binnen het gesloten kader een overplaatsing van [minderjarige] naar een andere groep te bewerkstelligen omdat [minderjarige] op de [gesloten groep] werd gepest en dit niet bijdraagt aan zijn stabilisatie en welzijn. Tot een overplaatsing is evenwel niet overgegaan. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] een kind van de instelling gaat worden. [minderjarige] kan op dit moment niet bij zijn moeder gaan wonen. Belangrijk is wel dat ingezet gaat worden op een passende vervolgplek voor [minderjarige] zodat hem perspectief wordt geboden. Dit klemt temeer nu [minderjarige] positieve stappen vooruit aan het zetten is.

4.4.

De moeder staat achter het verzoek van het college. Belangrijk is dat [minderjarige] voldoende tijd krijgt om te stabiliseren om een terugval in de toekomst te voorkomen. In de afgelopen periode heeft [minderjarige] vooruitgang laten zien. Hij volgt EMDR-therapie, gaat naar school en gebruikt nu geen middelen. De moeder is trots op [minderjarige] dat dit hem lukt. Op de [behandelgroep] is nog steeds sprake van veel onrust. Een overplaatsing bleek niet tot de mogelijkheden, en toch weet [minderjarige] zich te handhaven. De moeder zou graag door het college willen worden geïnformeerd over de eventuele vervolgplek van [minderjarige] in een kleinschalige woonvoorziening in [plaats 2]. Deze informatie is voor de moeder nieuw en zij zou hierover graag meer willen weten.

5 De beoordeling

Wat zegt de wet?

5.1.

Op grond van artikel 6.1.2, tweede lid, van de Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. In het vijfde lid van dit artikel staat dat dit verzoek de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper behoeft die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Wat oordeelt de kinderrechter?

5.2.

De kinderrechter is van oordeel dat op basis van de stukken en de zitting voldoende is gebleken dat aan de wettelijke eisen voor een machtiging gesloten jeugdhulp zoals genoemd in artikel 6.1.2 van de Jeugdwet wordt voldaan.

5.3.

Bij [minderjarige] is sprake van ernstige opgroei- en opvoedproblemen. Er zijn al langere tijd grote zorgen over zijn ontwikkeling en veiligheid. Eerdere plaatsingen in een open setting hebben laten zien dat de kaders daar tot op heden onvoldoende zijn om [minderjarige] langdurig te stabiliseren en de rust en veiligheid te bieden die hij nodig heeft.

5.4.

Afgelopen periode is gebleken dat het verblijf binnen de gesloten accommodatie van [accommodatie] [minderjarige] de benodigde rust en stabiliteit heeft gegeven. [minderjarige] laat vooruitgang op verschillende vlakken zien; zo staat hij open staat voor zijn EMDR-behandeltraject, gaat hij weer naar school en ervaart hij minder drang naar middelen. [minderjarige] verdient hiervoor een groot compliment, temeer nu hij zich in een lastige situatie bevindt. Zo verblijft [minderjarige] nog altijd op de gesloten [gesloten groep] van [accommodatie], waar hij veel onrust ervaart. Desondanks weet [minderjarige] zich te handhaven, en zelfs stapjes in zijn gedrag en ontwikkeling vooruit te maken.

5.5.

Deze stapjes zijn echter nog precair, waarbij de kinderrechter een langer verblijf van [minderjarige] binnen het gesloten kader nodig acht om [minderjarige] verder te kunnen laten stabiliseren en het (risico op) middelengebruik en weglopen te verminderen zodat hij de structuur, rust en ruimte krijgt om aan zijn trauma’s te kunnen werken. Daarbij is het van belang dat de schoolgang van [minderjarige] verder vorm wordt gegeven en dat hem perspectief wordt geboden zodat hij gemotiveerd blijft om aan zichzelf te werken. Ter zitting is ook besproken dat wanneer [minderjarige] verder gestabiliseerd is, langere tijd geen middelen heeft gebruikt en verdere stappen heeft gezet ten aanzien van zijn (trauma)behandeling, toegewerkt kan worden naar een plaatsing van [minderjarige] op een kleinschalige woonvoorziening met begeleiding. Gebleken is ter zitting dat voor een dergelijk kamertraject inmiddels een aanmeldprocedure loopt ten aanzien van een woonvoorziening in [plaats 2]. Daarvoor geldt geen wachtlijst hetgeen betekent dat [minderjarige] daar eventueel naar kan doorstromen zodra de behandeldoelen binnen [accommodatie] zijn behaald en [minderjarige] daarvoor klaar is. Dit is zeer positief en de kinderrechter gunt [minderjarige] deze kans.

5.6.

Gezien het voorgaande en gelet op de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper zal de kinderrechter het verzoek van het college, dat niet is weersproken, toewijzen en aldus een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen voor de verzochte duur van drie maanden.

5.7.

Tot slot overweegt de kinderrechter dat zij erop vertrouwt dat wanneer [minderjarige] binnen deze drie maanden kan doorstromen naar een kamertraject zoals de kleinschalige woonvoorziening in [plaats 2] die het college op dit moment op het oog heeft, daartoe over zal worden gegaan door het college en aldus niet langer gebruik zal worden gemaakt van de machtiging. Belangrijk is ook dat de moeder over deze woonvoorziening op korte termijn nadere informatie van het college gaat krijgen. De moeder als gezaghebbende ouder dient hierin te worden betrokken.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 10 juni 2026 tot 10 september 2026.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.