Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6018Zaaknummer C/02/442363 / JE RK 25-2100

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/442363 / JE RK 25-2100
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Restant verzoek ondertoezichtstelling toegewezen

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI met ingang van 16 juni 2026 en tot 16 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De nadere beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/442363 / JE RK 25-2100

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESSCHERMING, REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2],

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 16 december 2025 en de daarin vermelde stukken;

- het bericht van de GI met bijlagen van 11 mei 2026, ontvangen op 11 mei 2026;

  • het rapport van de Raad van 6 mei 2026, ontvangen op 7 mei 2026;
  • de brief van de moeder van 29 mei 2026, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.

Op 4 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

Bij beschikking van 16 december 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 16 juni 2026, onder aanhouding van het restant van het verzoek.

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Thans ligt ter beoordeling het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 16 juni 2026 en tot 16 december 2026.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige 1] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het nu heel goed met hem gaat. Hij is blijer dan ooit. Het gaat ook goed met de vader. De thuiszorg doet de vader goed. Ze hebben nu ook een gezondere leefstijl. De vader en [minderjarige 1] doen samen boodschappen en de vader kookt. [minderjarige 1] denkt na over zijn toekomst en wat hij wil doen op studiegebied. [minderjarige 1] maakt zich wel zorgen over [minderjarige 2], die nu al jaren thuis zit. Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is wel wat verbeterd. Verder heeft [minderjarige 1] een goede band met zijn oudere [broer]. [minderjarige 1] staat niet open voor contact met zijn moeder. Er is in het verleden te veel gebeurd. Tot slot geeft [minderjarige 1] aan geen behoefte te hebben aan hulpverlening in de vorm van een buddy, maar hij wil er wel over nadenken.

4.2.

[minderjarige 2] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het op zich wel prima met hem gaat. Sinds de hulpverlening in december 2025 is opgestart zijn er stappen gezet, maar er zijn ook wachtlijsten. [minderjarige 2] wordt momenteel behandeld voor anorexia bij [accommodatie]. Er volgt nog verdere diagnostiek. Met de vader gaat het veel beter sinds hij minder medicijnen gebruikt. Hij is minder suf en lijkt wel twintig jaar jonger. Ook de thuiszorg en andere hulpverlening is erg helpend. [minderjarige 2] heeft een goede band met zijn vader en wil hem graag steunen. Met [minderjarige 1] heeft [minderjarige 2] weinig contact, maar het botst minder dan eerst. [minderjarige 2] wil geen contact met zijn moeder. Zij heeft hem en [minderjarige 1] veel aangedaan. Hij heeft daardoor trauma’s opgelopen. Als zijn fysieke toestand het toe laat wil [minderjarige 2] volgend jaar een ICT-opleiding gaan doen.

4.3.

De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken.

4.4.

De vader geeft aan dat hij het eens is met het verzoek van de GI. Hij voelt zich fysiek en mentaal vele malen beter dan eerst. Dit komt mede doordat de medicatie die hij kreeg erg is teruggebracht waardoor hij zich veel energieker voelt. De vader is erg blij met de ondertoezichtstelling en de hulp die hij in huis en met de kinderen krijgt. De vader hoopt de komende periode het leven van de kinderen nog meer op de rit te krijgen.

4.5.

De moeder heeft in haar brief aangegeven dat ze zich ernstige zorgen maakt over de kinderen. De moeder voelt zich niet gehoord. De kinderen leven afgesloten van de buitenwereld. Als de onderliggende problemen blijven bestaan vindt de moeder een ondertoezichtstelling geen afdoende oplossing. De bestaande patronen in de thuissituatie blijven zich immers herhalen. De moeder geeft de GI mee om indien nodig een woonplek buiten de thuissituatie te overwegen.

4.6.

De GI is begin van dit jaar begonnen als jeugdbeschermer. Aan de start waren de zorgen erg hoog. Sindsdien gaat het steeds beter met [minderjarige 1], [minderjarige 2] en de vader. De komende periode zullen er nog meer stappen gezet moeten worden. OpenDoor is inmiddels ingezet en MST zal binnenkort gaan starten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan nog op de wachtlijst voor een buddy. Het is aan de buddy’s om in kaart te brengen welke stappen er moeten worden gezet richting zelfstandigheid.

5 De nadere beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_10d0dba0-440d-46de-9615-101b76a3375a] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

Het is de kinderrechter gebleken dat er de laatste maanden positieve stappen zijn gezet. De thuissituatie is in vergelijking met begin van dit jaar aanzienlijk verbeterd. De thuiszorg die is ingezet heeft gezorgd voor meer structuur in het huishouden en betere hygiëne in de woning. Met de vader gaat het zowel fysiek als mentaal beter. De vader is in behandeling bij [accommodatie] voor zijn angststoornis en voor het piekeren. De afbouw van medicatie heeft ervoor gezorgd dat de vader zich fysiek beter voelt. Ook met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat het beter. [minderjarige 2] is onder behandeling bij [accommodatie] voor anorexia. Binnen deze behandeling zal ook onderzocht worden of er sprake is van trauma’s of een stoornis binnen het autismespectrum. [minderjarige 2] werkt goed mee met de hulpverlening. Met [minderjarige 1] gaat het ook goed. Hij zal binnenkort starten met de VAVO-opleiding van [opleiding].

5.3.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt echter nog steeds ernstig bedreigd, omdat de positieve ontwikkelingen nog maar pril zijn. Het is van groot belang dat de huidige vooruitgang wordt gewaarborgd. Binnen het gezin is een patroon zichtbaar dat het een kortere periode beter gaat, waarna de situatie toch weer verslechterd. Dit patroon moet definitief worden doorbroken. De GI ziet MST als een passend middel om dit patroon te doorbreken. [minderjarige 1] staat op dit moment niet open voor hulpverlening in de vorm van een buddy. De kinderrechter geeft hem mee dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] de gebeurtenissen uit zijn verleden goed verwerkt. De GI dient toch te proberen passende hulpverlening voor [minderjarige 1] in te zetten.

5.4.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in staat zijn onder eigen verantwoordelijkheid de zorgen weg te nemen. Een regievoerder in het dwingend kader is noodzakelijk om ervoor te zorgen de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de ruimte krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Het is van belang dat de hulpverlenging voor de vader en [minderjarige 2] door blijft lopen. De vader dient bovendien verder ondersteund te worden in zijn vaderrol. Binnenkort zal MST ingezet worden in het gezin. De GI moet dit traject de komende tijd monitoren. De GI wil daarnaast een buddy voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] inzetten. [minderjarige 1], maar eventueel ook [minderjarige 2], moeten begeleid worden bij hun terugkeer naar school. Over een jaar worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meerderjarig. Het is van groot belang dat zij ondersteund worden in hun vaardigheden op het gebied van zelfstandigheid.

5.5.

De moeder spreekt in haar brief naar de rechtbank veel zorgen uit over de thuissituatie van de kinderen. Tegen de achtergrond van de situatie van de vader en de kinderen voorafgaand aan de ondertoezichtstelling begrijpt de kinderrechter dat. Inmiddels is er echter veel – intensieve – hulp ingezet. De GI heeft via de ingezette hulpverlening goed zicht op de thuissituatie en deelt op dit moment de zorgen van de moeder niet. De kinderrechter oordeelt dat een machtiging uithuisplaatsing, die ook niet is verzocht, op dit moment niet aan de orde is.

5.6.

De ondertoezichtstelling is in dit geval wel nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.

5.7.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment geen contact meer met de moeder. Beide kinderen geven uitdrukkelijk aan hier geen behoefte aan te hebben. Gezien de gebeurtenissen uit het verleden, de problematiek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het gegeven dat er nu langzaam een wat stabielere thuissituatie is ontstaan, acht de kinderrechter het van groot belang dat dit fragiele evenwicht niet wordt verstoord. Door nu, zonder traumaverwerking en tegen de uitdrukkelijke wens van de 17-jarige kinderen in, te werken aan contactherstel met de moeder, zou dat mogelijk wel kunnen gebeuren. Hoezeer de kinderrechter ook begrijpt dat de moeder een eigen visie heeft op wat er in het verleden is gebeurd, is het nu niet in het belang van de kinderen dat er contactherstel plaatsvindt. Mogelijk hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op een later moment wel de emotionele ruimte om contact met haar te hebben. De GI dient de komende periode daarom niet meer te werken aan het eerder gestelde doel betreffende het contactherstel met de moeder. De prioriteit ligt bij de volgende doelen:

  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige, voorspelbare en hygiënische opvoedingsomgeving, waarbinnen aan hen de noodzakelijke structuur en begrenzing wordt geboden en waarbinnen zij in voldoende mate worden gestimuleerd om zich op hun ontwikkeling te kunnen richten;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren de ruimte om zich te richten op hun eigen ontwikkeling en worden niet meer belast met de volwassen problematiek van de vader;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] werken toe naar zelfstandigheid;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zorgen zelfstandig voor een goede persoonlijke hygiëne;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een passende en zinvolle vrijetijdsinvulling;
  • [minderjarige 2] beschikt over een mentale en fysieke gezondheid, waardoor hij toekomt aan de bij zijn leeftijdsfase passende ontwikkelingstaken;
  • Er is zicht op de behoeften van [minderjarige 1] en welke ondersteuning hij nodig heeft om toe te komen aan de bij zijn leeftijdsfase behorende ontwikkelingstaken;
  • Er is onderzocht in hoeverre [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverlening nodig hebben voor het verwerken van de ingrijpende levensgebeurtenissen die zij hebben meegemaakt (waaronder de echtscheiding van hun ouders, de gebeurtenissen bij de moeder, het verlies van het contact met de moeder en de suïcidepoging van de vader).
5.8.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI met ingang van 16 juni 2026 en tot 16 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.