Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6012Zaaknummer C/02/447613 / JE RK 26-731

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/447613 / JE RK 26-731
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Restant verzoek voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 3 Het verzoek
  3. 4 De standpunten
  4. 5 De nadere beoordeling
  5. 6 De nadere beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/02/447613 / JE RK 26-731

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,

locatie Breda,

hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2026 in 's- [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof uit ’s Heer Arendskerke.

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2].

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de GI.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de tussenbeschikking van 24 april 2026 en de daarin vermelde stukken;
  • de brief van de Raad van 29 mei 2026, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de advocaat van de moeder;

  • een tweetal vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2. De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

2.3.

Bij beschikking van 24 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026, zonder horen van de belanghebbenden en onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

2.4.

Bij beschikking van 7 mei is de voorlopige ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een maand, te weten van 8 mei 2026 en tot 8 juni 2026, onder aanhouding van het restant van het verzoek.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Bij voornoemde beschikking van 7 mei 2026 heeft de kinderrechter reeds deels beslist op dit verzoek. Thans ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, strekkende tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 8 juni 2026 en tot 24 juli 2026.

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken.

4.2.

De vader is het niet eens met het verzoek van de Raad. De vader vindt het verzoek overdreven. Er zijn nu te veel instanties betrokken. De vader wil maximale veiligheid voor [minderjarige] en de moeder. De relatie tussen de vader en de moeder is over en er is ook geen contact tussen hen.

4.3.

Namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder ervaart veel druk door de ondertoezichtstelling. Er zijn op dit moment geen zorgen over de veiligheid van de moeder of van [minderjarige]. De moeder heeft voldoende vertrouwen dat de vader zich gaat richten op goed vaderschap. De relatie tussen de ouders is definitief ten einde.

4.4.

De GI geeft aan zich aan te sluiten bij de Raad. Er is sinds de vader vrij is nog geen onveilige situatie ontstaan. Als de voorlopige ondertoezichtstelling verder wordt uitgesproken zal de GI met de vader contact opnemen om de omgang met [minderjarige] vorm te geven.

5 De nadere beoordeling

5.1.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat het op dit moment goed gaat met [minderjarige] en de moeder. De relatie tussen de ouders is volgens hen over en zij zeggen ook geen contact met elkaar te hebben. De vader en de moeder geven aan dat zij het beste willen voor [minderjarige]. De moeder lijkt op dit moment meer open te staan voor de hulpverlening. De moeder is in afwachting van hulpverlening vanuit het GIA (Geweld in Afhankelijkheidsrelatie). Ook is de moeder aangemeld voor een psychologenpraktijk. De vader volgt agressieregulatietraining en geeft aan [minderjarige] graag weer te willen zien. Ondanks deze positieve signalen is een beëindiging van de voorlopige ondertoezichtstelling nog te vroeg. Al vele jaren is er sprake van incidenten tussen de vader en de moeder. De moeder heeft meerdere aangiftes tegen de vader gedaan en de vader is in dat verband voor meerdere strafbare feiten veroordeeld. Er lijkt sprake te zijn van een patroon waarbij de moeder de relatie verbreekt, maar door druk vanuit de vader toch naar hem terugkeert. In april 2026 hebben er kort na de geboorte van [minderjarige] heftige gebeurtenissen plaatsgevonden vanuit de vader. Die hebben ertoe geleid dat de vader momenteel een enkelband draagt en een contactverbod met de moeder heeft. Hoewel de moeder lijkt in te zien dat er voor haar en [minderjarige] ’s veiligheid iets moet veranderen, is nog niet duidelijk of het oude patroon van afstoten en aantrekken tussen de ouders definitief is doorbroken. De onveilige dynamiek tussen de ouders blijft daarom een grote zorg. Daarnaast stelt de moeder zich wisselend op tegenover de hulpverlening. Het is daarom onduidelijk of de hulpverlening van de grond zou komen in het vrijwillig kader. Het is van belang dat de GI de komende periode onderzoekt wat [minderjarige] in zijn ontwikkeling nodig heeft. Daarbij kan gekeken worden hoe het contact tussen de vader en [minderjarige] op een veilige manier opgebouwd kan worden. Het is van groot belang dat een jeugdbeschermer betrokken is die ten alle tijd het belang en de veiligheid van [minderjarige] vooropstelt. Daarnaast moet de inzet van de hulpverlening – het GIA en de psycholoog – voor de moeder worden gemonitord en opgevolgd. Door middel van de hulpverlening kan de moeder zich verder losmaken van de huidige afhankelijksrelatie met de vader. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld.[_ca72afe6-1d69-486b-8525-f05956719fe6]

6 De nadere beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 8 juni 2026 en tot 24 juli 2026.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_cae68aa7-9bb4-41d6-a2bf-631f2e16d21c]

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.