Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6000Zaaknummer C/02/448546 / JE RK 26-906

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448546 / JE RK 26-906
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing toegewezen voor zes maanden, aanhouding restant.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 juni 2026 en tot 7 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aan tot 30 oktober 2026 PRO FORMA;

6.4.

verzoekt de GI om nader te rapporteren zoals in rechtsoverweging 5.4. is beschreven;

6.5.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448546 / JE RK 26-906

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

hierna te noemen: de GI,

gevestigd te Amsterdam,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder], hierna te noemen: de moeder, en [de vader], hierna te noemen: de vader, gezamenlijk te noemen: de ouders,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2026;
  • het bericht van mr. de Nooijer met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026.
1.2.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- een vertegenwoordigster van de GI.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 7 juni 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de

GI met ingang van 7 juni 2024 en tot 7 juni 2025. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 22 mei 2026, waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd tot 7 juni 2027.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2026 is tevens een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 en tot 7 juni 2026.

2.4.

[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een (netwerk)pleeggezin, te weten bij [oma].

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken en kort samengevat, toe dat [minderjarige] tot ontwikkeling komt sinds zij bij [oma] verblijft. Zo is [minderjarige] twee kilo aangekomen, kan zij zich beter focussen op schooltaken en heeft ze weer een normale stoelgang. Daarnaast heeft [minderjarige] een keer per week omgang met de ouders. De bezoeken zelf verlopen goed, maar [minderjarige] laat nog regelmatig freeze-standen zien voor of na een bezoek. Ook slaapt [minderjarige] dan onrustig, laat ze op school meer claimgedrag zien en lijkt ze soms klem te zitten in loyaliteit. De vader zet zichtbare stappen. Het is belangrijk dat de begeleiding van de vader ook thuis kan komen. Eerder is een psychologisch onderzoek (PO) van de moeder aangeboden, maar stond zij hier niet voor open. Het is goed dat zij hier nu wel voor open staat. Het is belangrijk dat dit plaatsvindt, zodat duidelijk wordt wat er speelt bij de moeder en hoe leerbaar zij is. Voorts is het de bedoeling dat [minderjarige] stapsgewijs terug naar huis gaat. Het is belangrijk dat dit veilig en op geleide van [minderjarige] gebeurt en dat de ouders eerst met de hulpverlening aan de slag gaan.

4.2.

Door en namens de ouders wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Kort samengevat wordt aangevoerd dat een machtiging uithuisplaatsing niet noodzakelijk is. Er zijn immers lichtere alternatieven mogelijk. De ouders zijn gemotiveerd om aan zichzelf te werken en de situatie te verbeteren. De moeder heeft na de vorige zitting praktische hulpverlening voor zichzelf ingeschakeld, te weten [hulpverlening]. Daarnaast staat de moeder open voor het afnemen van een PO. Ook zal [jeugdhulp] aan de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] werken. De moeder ziet namelijk in dat de hechtingsrelatie verbeterd moet worden. Hiervoor is het belangrijk dat [minderjarige] weer thuis woont. Voorts is afgesproken dat de hulpverlening van de vader bij de ouders thuis kan komen. Ook kan de GI inzetten op intensievere IPT in de thuissituatie, eventueel met onaangekondigde bezoeken, zodat de veiligheid gewaarborgd wordt. Uit het goed genoeg ouderschapsonderzoek is tevens gebleken dat het opvoedperspectief van [minderjarige] bij de ouders ligt. Subsidiair wordt namens de ouders aangevoerd dat het verzoek moet worden toegewezen voor maximaal drie maanden, aangezien er geen plan van aanpak is en perspectief voor de ouders heel belangrijk is.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

5.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

5.2.

Op basis van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Dit licht de kinderrechter als volgt toe.

5.3.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat het duidelijk is dat de ouders veel van [minderjarige] houden en het beste met haar voor hebben. Het is ook invoelbaar dat de ouders het liefst willen dat [minderjarige] terug naar huis komt. De kinderrechter stelt echter vast dat er, ondanks de inzet van de ouders en hun bereidheid om stappen te zetten, veel zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling en de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige]. [minderjarige] liet recentelijk in de thuissituatie van de ouders een behoorlijke terugval zien op school. Zo was er sprake van driftbuien en negatief en claimend gedrag. Ook was sprake van een stagnatie in leren. Daarnaast zijn er zorgen over de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] en lijkt [minderjarige] in de thuissituatie in de overlevingsstand te staan. [minderjarige] ervaart voorts veel stress, hetgeen nog steeds tot uiting komt rondom de omgangsmomenten met de ouders. Dit heeft geleid tot obstipatie en een toename in tics en freeze reacties. Ook doet [minderjarige] zorgelijke uitspraken bij [oma], in die zin dat [oma] de allerliefste is en haar geen pijn zal doen. De algehele ontwikkeling van [minderjarige] staat onder druk en de huidige situatie biedt onvoldoende waarborgen voor een stabiele en veilige ontwikkeling. De ouders kunnen op dit moment onvoldoende aansluiten bij de (verzwaarde) opvoedbehoeften van [minderjarige]. De kinderrechter is van oordeel dat een terugplaatsing bij de ouders op dit moment nog niet mogelijk is. Het is van belang dat er eerst een psychologisch onderzoek bij de moeder wordt afgenomen, zodat er zicht komt op hetgeen bij de moeder speelt en wat de moeder nodig heeft aan hulpverlening. Vervolgens kan een duidelijk plan van aanpak worden gemaakt en kan, zorgvuldig en op geleide van [minderjarige], worden toegewerkt naar een thuisplaatsing, waarbij de omgangsmomenten stapsgewijs zullen worden uitgebreid. Het is hierbij van belang dat de moeder, samen met [jeugdhulp], zo snel mogelijk aan de slag gaat met het verbeteren van haar hechtingsrelatie met [minderjarige]. Ook is het belangrijk dat de ouders de noodzakelijke hulpverlening blijvend accepteren en daarmee aan de slag gaan. Het is de kinderrechter bovendien gebleken dat [minderjarige] bij [oma] tot ontwikkeling komt en zich veilig voelt. Zo lijkt zij weer toe te komen aan haar schooltaken, is ze twee kilo aangekomen en is er geen sprake meer van obstipatie. Het is daarom van belang dat deze plaatsing gecontinueerd wordt. De kinderrechter wil hierbij wel benadrukken dat de omgangsmomenten met de ouders door moeten lopen en dat het streven is dat [minderjarige] geleidelijk terugkeert naar huis.

5.4.

De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restant. Een verlenging voor de duur van drie maanden, zoals namens de ouders wordt bepleit, is te kort, nu het van belang is dat (onder andere) eerst de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek worden afgewacht. Door zes maanden toe te wijzen en het restant aan te houden, zal een nader toetsmoment worden ingebouwd, zodat op dat moment de resultaten van het psychologisch onderzoek van de moeder kunnen worden besproken, alsmede de voortgang van de hulpverleningstrajecten van de ouders, de ontwikkeling van [minderjarige] en het verloop van de (opbouw van de) omgangsmomenten. De kinderrechter verwacht uiterlijk op de hierna te noemen PRO FORMA datum een update van de GI waarin zij ingaat op de recentelijke ontwikkelingen met betrekking tot de voornoemde onderwerpen, alsmede of zij het resterende deel van het verzoek handhaaft dan wel intrekt.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 7 juni 2026 en tot 7 december 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek tot het verlengen van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aan tot 30 oktober 2026 PRO FORMA;

6.4.

verzoekt de GI om nader te rapporteren zoals in rechtsoverweging 5.4. is beschreven;

6.5.

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.