Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5956Zaaknummer C/02/435361 / JE RK 25-873

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
11 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/435361 / JE RK 25-873
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Toewijzen resterend verzoek ondertoezichtstelling. Nog geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. Door monitorwerker grote stappen richting hulpverlening gezet. Ouders voelen zich hierdoor gehoord en gesteund.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

wijst het resterende deel van het verzoek toe en stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 juni 2026 tot 30 december 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De nadere feiten
  3. 3 Het resterende deel van het verzoek
  4. 4 De nadere beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/435361 / JE RK 25-873

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats 1],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 2],

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2021 in [geboorteplaats 2],

hierna te noemen [minderjarige 3].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [plaats 1],

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats 2],

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant,

locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • de beschikking van 30 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 30 april 2026.
1.2.

Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

Namens de GI is, met daaraan voorafgaande berichtgeving, niemand verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de GI wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld haar mening te geven. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2 De nadere feiten

2.1.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij voormelde beschikking van 30 december 2025 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld met ingang van

30 december 2025 tot 30 juni 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek is aangehouden. De GI is verzocht het plan van aanpak over te leggen en schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregel. De Raad is verzocht om de rechtbank daarna te berichten of het resterende deel van het verzoek al dan niet gehandhaafd wordt.

3 Het resterende deel van het verzoek

3.1.

Aan de orde is het verzoek van de Raad om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt nu nog voor de resterende periode van de verzochte maatregel, met ingang van 30 juni 2026 tot 30 december 2026.

4 De nadere beoordeling

Briefrapportage 30 april 2026

4.1.

Het schriftelijk verslag van de GI, zoals verzocht in voormelde beschikking van

30 december 2025, is op 30 april 2026 ontvangen. Hieruit blijkt samengevat dat er bij de GI sprake is van een wachttijd, waardoor er nog geen vaste jeugdbeschermer betrokken is. De monitorwerker heeft een basisplan van aanpak gemaakt, aanmeldingen voor hulpverlening gedaan en periodiek contact met de ouders.

[minderjarige 1] gaat naar een zorgboerderij, waar het doel ook is om (trauma)behandeling te krijgen. Zij gaat niet naar school. De zorgboerderij komt echter niet toe aan behandeling; de setting is onvoldoende om [minderjarige 1] passende hulp, behandeling en ondersteuning te bieden. [minderjarige 1] wordt daarom aangemeld bij de [accommodatie].

[minderjarige 3] en [minderjarige 2] krijgen speltherapie. Het eerste beeld is dat [minderjarige 2] moeilijk bij zijn emoties komt. [minderjarige 3] heeft veel onrust en heeft veel structuur nodig. De speltherapie zal voor beiden doorlopen. School geeft aan dat nabijheid en duidelijkheid belangrijk en helpend zijn voor [minderjarige 3]. Voor [minderjarige 2] is nodig dat gemaakte afspraken worden herhaald.

Voor de ondertoezichtstelling is [ggz-instelling] betrokken geweest voor intensieve opvoedondersteuning bij de moeder. Door een wisseling in medewerkers is er nu nauwelijks

contact tussen de moeder en [ggz-instelling]. [hulpverlening] zal starten om het contact tussen de vader en de kinderen te begeleiden en intensieve opvoedondersteuning te bieden bij de moeder. Ook gaat [hulpverlening] op termijn aan de slag met de oudercommunicatie.

De vader (h)erkent de zorgen over de kinderen niet. Hij meent dat zodra er weer contact is met de kinderen, alle zorgen zijn opgelost. De moeder zet stappen in haar eigen ontwikkeling en proces maar vindt het lastig om te kijken naar wat in het belang van de kinderen nodig is. Hierdoor komt de juiste hulp moeizaam op gang en zit met name [minderjarige 1] al lang in een situatie die niet in haar belang is. Het lukt de ouders niet om samen afspraken te maken, ook omdat zij een ander beeld hebben van wat in het belang van de kinderen is. Hierin is sturing vanuit de GI nodig. Daarnaast is de draaglast-draagkracht van beide ouders een punt van aandacht en ook hun beide opvoedsituaties. Er zal meer aandacht en zicht moeten komen op wat de kinderen nodig hebben en hoe ouders dat kunnen bieden. Vanuit de GI is regie en sturing noodzakelijk om de belangen van de kinderen voorop te stellen en besluiten te nemen. Zorg van de GI is ook dat de vader niet aan de slag is gegaan met zijn eigen persoonlijke stuk, geen hulpverlening krijgt en er daardoor geen goed zicht is op zijn gemoedstoestand. De GI meent daarom dat begeleide omgang noodzakelijk is en dat dit zeer zorgvuldig en rustig in het tempo van de kinderen moet worden opgestart. De GI acht het noodzakelijk dat het resterende deel van het verzoek toegewezen wordt.

Het standpunt van de Raad

4.2.

Namens de Raad is tijdens de zitting samengevat naar voren gebracht dat het resterende verzoek gehandhaafd wordt. Hoewel de Raad liever had gezien dat er al een vaste jeugdbeschermer was, is er wel ingezet op hulpverlening. Tegelijkertijd moet deze nog goed neergezet worden. Van belang is dat goed gekeken wordt naar welke hulp voor [minderjarige 1] passend is. Noodzakelijk is dat in de komende periode duidelijk en ingezet wordt.

De standpunten van de ouders

4.3.

Door de ouders is samengevat aangegeven dat de begeleide contacten tussen de vader en de kinderen is gestart op vrijdag 22 mei 2026. De contacten zullen om de week plaatsvinden op de locatie van de GI. Het eerste contact was wat onwennig, maar is prettig en positief verlopen. Gelet op de reisafstand voor de kinderen ziet de moeder liever dat het contact op woensdagmiddag plaatsvindt, maar zij verwacht hierover met de vader in onderling overleg wel uit te komen. De moeder ervaart veel steun vanuit de GI. De speltherapeut van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] wilde afbouwen naar een frequentie van eenmaal per twee weken, maar daarmee is gewacht in afwachting van het verloop van de contacten met de vader. De moeder twijfelt of [minderjarige 1] al is aangemeld bij de [accommodatie]. De vader geeft daarop aan dat deze aanmelding inmiddels gedaan is maar dat nog gewacht wordt op de GGD-rapporten. Door de moeder wordt bevestigd dat deze rapporten er al zijn, maar naar een verkeerde locatie gestuurd zijn. Zij gaat daar vandaag nog achteraan. Hoewel de moeder liever geen ondertoezichtstelling ziet, begrijpt zij het verzoek daartoe wel. De vader beaamt dit, een ondertoezichtstelling geeft ook de nodige druk voor hem en alle betrokkenen, wat goed is. Beide ouders menen dat de gestelde doelen binnen de ondertoezichtstelling gehandhaafd kunnen blijven.

De nadere beoordeling door de kinderrechter

4.4.

De kinderrechter is van oordeel dat nog aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

4.5.

De ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog ernstig bedreigd. Deze ernstige ontwikkelingsbedreiging ziet er vooral op dat de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen en de ouders nog ingezet moet worden en of (verder) vorm moet krijgen. Het contact tussen de vader en de kinderen is nog maar zeer recent opgestart en wordt begeleid. Hoewel het eerste contact volgens de vader prettig en positief is verlopen, is er nog geen zicht op hoe het verdere verloop van de contactmomenten zal zijn en hoe de kinderen daarop zullen reageren. Zo heeft de moeder wat moeite met de reisafstand. Zij geeft echter wel haar emotionele toestemming voor het contact. Daarnaast zal [hulpverlening], die ook het contact tussen de vader en de kinderen begeleidt, starten met opvoedingsondersteuning bij de moeder. Daarnaast gaat [hulpverlening] ook met de ouders werken aan hun onderlinge communicatie. Voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] zal de speltherapie doorlopen. [minderjarige 1] is aangemeld bij de [accommodatie]. Hierover moet nog de nodige duidelijkheid ontstaan. Dat [minderjarige 1] hulpverlening nodig heeft is niet in twijfel maar onderzocht moet worden welke hulpverlening voor haar passend en noodzakelijk is. Ook deze hulpverlening moet nog worden ingezet. De in het kader van de ondertoezichtstelling gestelde doelen zijn nog niet (volledig) behaald.

4.6.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De vader heeft in ieder geval tot voor kort de zorgen over de kinderen niet (h)erkend. Inmiddels ziet de vader dat de ondertoezichtstelling steunend is omdat de ouders zelf zaken niet opgelost kregen. Hoewel de moeder begrip heeft voor een verlenging van de ondertoezichtstelling zou zij liever zien dat er geen ondertoezichtstelling is. De GI ziet echter dat de moeder het lastig vindt om te zien wat in het belang van de kinderen is. Door de zienswijze van de ouders ontstaan situaties waarbij zorgen niet erkend worden en de juiste hulpverlening moeizaam of niet opgestart kan worden. Het lukt de ouders nog niet om afspraken te maken en tot overeenstemming te komen. Zij hebben ieder een ander beeld van wat in het belang van de kinderen is. Er zijn zorgen of het de ouders voldoende lukt om in te spelen op hetgeen de kinderen nodig hebben en hiernaar te handelen. De sturing en begeleiding van de GI is hierbij nodig gebleken.

4.7.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van zes maanden, zoals verzocht. De kinderrechter merkt daarbij het volgende op.

4.8.

In voormelde beschikking van 30 december 2025 onder 4.15. heeft de kinderrechter onder andere overwogen dat hij van de GI verwacht dat zij binnen zes maanden een plan van aanpak overlegt. De kinderrechter heeft weliswaar geen plan van aanpak van de GI ontvangen maar de inhoud van de briefrapportage van de GI, zoals hiervoor onder 4.1. bedoeld geeft wel blijk van een plan van aanpak. Sterker nog, er zijn inmiddels belangrijke stappen gezet en tot uitvoering gebracht. De kinderrechter geeft de bureaudienst van de GI een compliment omdat zij zo beknopt en zo direct tot de kern van de zaak heeft weten door te dringen dat de ouders tijdens de zitting hebben aangegeven dat zij zich enorm gehoord en gesteund voelen. Er is in korte tijd veel gebeurd binnen de ondertoezichtstelling. Inmiddels is [minderjarige 1] aangemeld bij de [accommodatie], waarmee ook dat traject kan starten. Dit is in het belang van [minderjarige 1], ook omdat zij al langere tijd in een situatie verkeert die niet in haar belang is.

4.9.

De kinderrechter heeft tijdens de zitting de binnen de ondertoezichtstelling gestelde doelen met de ouders besproken. Deze doelen, zoals opgenomen in de beschikking van 30 december 2025 onder 4.14., zullen met steun van de ouders worden gehandhaafd.

4.10.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

wijst het resterende deel van het verzoek toe en stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 juni 2026 tot 30 december 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.