Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5951Zaaknummer C/02/448238 / FA RK 26-2516
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/448238 / FA RK 26-2516
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing RM.
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Benjaddi, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 17 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448238 / FA RK 26-2516
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1954 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
advocaat mr. J.H.P.M. Verhagen uit Breda.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 18 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026 bij betrokkene thuis. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [persoon 1], casemanager;
- [persoon 2], zoon van betrokkene;
- [persoon 3], partner van betrokkene en mantelzorger.
2 Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.
3 De standpunten
Betrokkene brengt naar voren dat hij thuis wil blijven wonen. Hij geeft aan nog veel contact te hebben met zijn vrienden en hen regelmatig te bezoeken. Daarnaast doet betrokkene samen met zijn partner boodschappen.
De casemanager verklaart dat betrokkene dagbesteding weigert. Daarnaast is individuele begeleiding ingezet, maar deze heeft onvoldoende verbetering gebracht. Tevens verzet betrokkene zich tegen een opname. Met betrokkene is gekeken naar de mogelijkheid van een verblijf in een verzorgingstehuis, maar hij heeft aangegeven daar niet te willen wonen.
Om die reden is een procedure gestart met het verzoek om een rechterlijke machtiging. Volgens de casemanager zijn minder bezwarende alternatieven onderzocht en ingezet, maar deze zijn niet afdoende gebleken.
De zoon van betrokkene brengt naar voren dat hij meerdere keren samen met betrokkene bij [accommodatie] is gaan kijken, maar dat betrokkene heeft aangegeven daar nog niet te willen wonen. De zoon benadrukt dat het momenteel goed gaat met betrokkene en de zorg die hij ontvangt. Volgens hem is door de casemanager direct een procedure opgestart nadat betrokkene had aangegeven niet te willen verhuizen. Daarnaast betwist de zoon onderdelen van het dossier, in het bijzonder de stelling dat de partner bang zou zijn voor betrokkene en dat sprake is van ernstig nadeel in verband met haar welzijn. De zoon stelt dat hij, samen met zijn broer, zus, de partner van betrokkene en de thuiszorg, de zorg voor betrokkene nog kan dragen.
De partner van betrokkene brengt naar voren dat zij een opname op dit moment te vroeg vindt en dat zij de zorg, met ondersteuning van de thuiszorg en de kinderen, momenteel nog aankan. Wel geeft zij aan dat er waarschijnlijk een moment zal komen waarop betrokkene naar een instelling moet verhuizen, maar dat dit moment volgens haar nog niet is aangebroken. Daarnaast stelt zij dat de zorgverlening de laatste tijd beter verloopt, omdat betrokkene rustiger is geworden en de thuiszorg accepteert.
De advocaat verzoekt om afwijzing van het verzoek. Volgens de advocaat blijkt uit de verklaringen van het steunsysteem dat de zorg voor betrokkene nog kan worden gedragen, zodat nog sprake is van een minder bezwarend alternatief. Om die reden wordt volgens de advocaat niet voldaan aan de wettelijke criteria voor het verlenen van een rechterlijke machtiging. Subsidiair verzoekt de advocaat de zaak aan te houden voor een periode van drie tot vier maanden, zodat kan worden beoordeeld hoe de situatie zich ontwikkelt en hoe belastbaar het steunsysteem daadwerkelijk is.
4 De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten Alzheimer dementie.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of deze psychogeriatrische aandoening leidt tot ernstig nadeel, zodanig dat dit maakt dat betrokkene niet langer thuis kan blijven wonen. De rechtbank oordeelt als volgt. Zijn psychogeriatrische aandoening heeft ertoe geleid dat betrokkene minder goed voor zichzelf kan zorgen en meer hulp nodig heeft. Nu het steunsysteem heeft aangegeven deze hulp nog te kunnen bieden samen met Thuiszorg, is het ernstig nadeel voldoende onder controle. Betrokkene functioneert redelijk onder deze omstandigheden en kan om die reden thuis blijven wonen. Dit maakt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd nu er een minder verstrekkend alternatief is. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Benjaddi, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 17 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.