Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5946Zaaknummer C/02/448039 / JE RK 26-805

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/448039 / JE RK 26-805
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek machttiging uithuisplaatsing voorziening pleegzorg, verzoek toegewezen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 juni 2026 tot 27 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/448039 / JE RK 26-805

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats 1],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 mei 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • [minderjarige];
  • de moeder;

- een vertegenwoordigster van de GI.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

Bij beschikking van 27 maart 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI

met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 27 september 2026. Tevens is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 27 maart 2025 en tot 27 maart 2026.

2.3.

Bij beschikking van 19 november 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 19 november 2025 en tot 27 maart 2026. Deze machtiging is voor het laatst verlengd tot 27 september 2026.

2.4.

Op grond van de laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] bij

[woongroep] in [plaats 3].

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige] geeft in een gesprek met de kinderrechter aan dat hij een goede klik heeft met de oma van zijn vriendin. Hij zou daar graag wonen. Er zijn wel regels, maar [minderjarige] krijgt ook een stukje vrijheid. [minderjarige] weet dat er risico’s verbonden zijn aan de plaatsing bij de oma, omdat zijn vriendin daar ook woont en de relatie uit zou kunnen gaan. [minderjarige] staat open voor een gesprek met OpenDoor.

4.2.

De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. Het is duidelijk dat [woongroep] geen geschikte plek is voor [minderjarige]. Op dit moment is het passend dat [minderjarige] bij de oma van zijn vriendin verblijft. De GI wil de aanmelding voor een gezinshuis wel door laten lopen. Op het moment dat er iets gebeurt zal er naar een crisisplek worden gezocht. De GI blijft samen met de oma belast met het toezicht over [minderjarige].

4.3.

De moeder geeft aan dat zij het eens is met het verzoek van de GI.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_c1cdc480-330b-42c6-abae-4e953816b449] Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] niet op zijn plek zit bij [woongroep]. [minderjarige] heeft het niet naar zijn zin en voelt zich niet thuis bij [woongroep]. Hij heeft bovendien geen aansluiting bij zijn groepsgenoten. Tijdens de laatste zitting op de rechtbank is een mogelijke plaatsing bij de oma van de vriendin van [minderjarige] al ter sprake gekomen. Zijn vriendin woont ook bij de oma. In de afgelopen maanden heeft [minderjarige] hier al veel verbleven. [minderjarige] heeft een goede klik met de oma en wordt daar met liefde opgevangen. Dit heeft een positieve invloed op zijn ontwikkeling. [minderjarige] heeft bovendien zelf aangegeven hier graag te willen verblijven. De GI heeft gesprekken gehad met de oma en de pleegzorgbegeleider. De GI concludeert dat ondanks de risico’s een plaatsing bij de oma op dit moment het meest passend is voor [minderjarige]. De kinderrechter sluit zich hier bij aan. De risico’s zijn besproken met [minderjarige]. Het grootste risico is dat de relatie met [minderjarige] en zijn vriendin uit kan gaan. In dat geval zal met spoed moeten worden gezocht naar een andere plek voor [minderjarige]. De GI heeft de intentie om de aanmelding voor een gezinshuis door te laten lopen. Zo is er een alternatief voor als het mis gaat. In het uiterste geval zal de GI moeten zoeken naar een crisisplaatsing. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg toewijzen.

5.2.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 juni 2026 tot 27 september 2026;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.