Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5943Zaaknummer C/02/446084 FA RK 26-1352
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/446084 FA RK 26-1352
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Voorlopige voorziening, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen: zorgregeling, toevertrouwing, gebruik van de woning, kinder- en partneralimentatie
De rechtbank:
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1], geboren op [datum 1] 2013 te [plaats 2],
2. [minderjarige 2], geboren op [datum 2] 2016 te [plaats 2],
3. [minderjarige 3], geboren op [datum 3] 2020 te [plaats 2];
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de ene week: van vrijdag uit school tot dinsdag naar school (in de echtelijke woning)
- in de andere week: woensdagmiddag uit school tot 19:30 uur, na het avondeten (buiten de echtelijke woning);
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, met uitzondering van vrijdagmiddag tot dinsdagochtend eenmaal in de twee weken wanneer de man de zorg voor de kinderen draagt, en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gedurende vrijdagmiddag tot dinsdagochtend eenmaal in de twee weken wanneer de man de zorg voor de kinderen draagt, en beveelt de vrouw die woning gedurende die dagen te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 16 maart 2026 wordt vastgesteld op € 474,= vierhonderdvierenzeventig euro) per maand per kind, aan de vrouw vanaf heden voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 16 maart 2026 wordt vastgesteld op € 2.000,= (tweeduizend euro) per maand, aan de vrouw vanaf heden voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Volledige tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/446084 FA RK 26-1352
datum uitspraak: 2 juni 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools,
en
[de man],
wonende te [plaats 1],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Th. Kremers.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 16 maart 2026, ontvangen verzoekschrift, met bijlagen
- het op 7 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Groenhuis-Kools van 1 mei 2026, met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Groenhuis-Kools van 21 mei 2026;
- het F9-formulier van mr. Kremers van 26 mei 2026;
- het beëindigingsbericht van de piketmediator van 26 mei 2026.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 12 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig piketmediator mevrouw [persoon].
1.3. Na bespreking van de verzoeken op de zitting hebben partijen ermee ingestemd deel te nemen van een kort mediationtraject, onder begeleiding van mevrouw [persoon] om (voorlopige) afspraken te maken over de voorliggende verzoeken. In het F9-formulier van
21 mei 2026 is namens de vrouw bericht dat het partijen niet is gelukt afspraken te maken. Zij verzoekt de rechtbank te beslissen op de verzoeken van partijen. In het F9-formulier van 26 mei 2026 is namens de man hetzelfde bericht. In het beëindigingsbericht van mevrouw [persoon] van 26 mei 2026 is bevestigd dat partijen geen afspraken hebben kunnen maken in het mediationtraject over de ingediende verzoeken.
2. De verzoeken
2.1. De vrouw verzoekt:
- toevertrouwing van de minderjarige kinderen:
1. [minderjarige 1], geboren op [datum 1] 2013 te [plaats 2],
2. [minderjarige 2], geboren op [datum 2] 2016 te [plaats 2],
3. [minderjarige 3], geboren op [datum 3] 2020 te [plaats 2], aan haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling);
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning en de bijbehorende opstallen, gelegen aan [adres] (hierna: de woning), en tot het gebruik van de zich daarin bevindende inboedel, door haar, met bevel aan de man om die woning/opstallen binnen drie dagen na de datum van deze beschikking te verlaten en vervolgens niet meer te betreden, met machtiging om de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen van € 500,= per maand per kind ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en € 1.000,= per maand ten behoeve van [minderjarige 1], met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 2.000,= per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.
2.2. De man verzoekt:
- toevertrouwing van de kinderen aan hem;
- vaststelling van een zorgregeling;
- te bepalen dat ieder van partijen gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning en wel tijdens de week dat de zorg van de kinderen aan hem/haar is toevertrouwd, althans te bepalen dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning, alsmede tot de daartoe behorende inboedelgoederen, en de vrouw te bevelen de woning te verlaten en deze verder niet meer te betreden.
3 De beoordeling
De zorgregeling
De vrouw verzoekt vaststelling van een zorgregeling waarbij de kinderen bij de man verblijven gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede wekelijks op woensdag (dan wel een andere door de man aan te wijzen doordeweekse dag) uit school tot 19:30 uur, waarbij de kinderen bij de man zullen eten. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat op dit moment geen sprake is van een structurele zorgregeling, terwijl de kinderen en de vrouw daar wel behoefte aan hebben. De man laat haar steeds zeer kort van tevoren weten als hij (één van) de kinderen zal ophalen om wat met hen te gaan doen. De co-ouderschapsregeling, met ‘birdnesting’, zoals door de man verzocht is volgens de vrouw niet mogelijk. De vrouw verblijft nu grotendeels in de woning samen met de kinderen en de spanningen tussen partijen zijn enorm en de verstandhouding is slecht. Verder is het atelier waar zij werkt, verbonden aan de woning. Bij uitvoering van de co-ouderschapsregeling met ‘birdnesting’ zoals door de man verzocht zou de vrouw dus telkens een hele week niet kunnen werken.
De man stelt zich op het standpunt dat een co-ouderschap het meest in het belang van de kinderen is. Hij verzoekt daarom een zorgregeling waarbij de kinderen de ene week bij hem verblijven en de andere week bij de vrouw, waarbij de vrijdag (uit school) als wisselmoment zal gelden. Partijen zijn beiden in staat om de zorg op zich te nemen en hebben recht op gelijkwaardig ouderschap. Ter zitting heeft de man toegelicht dat een co-ouderschapsregeling met ‘birdnesting’ voor rust zorgt bij de kinderen. Zij kunnen dan in hun eigen omgeving blijven. Op dit moment kan de man niet met de kinderen in de woning contact hebben omdat de vrouw daar is. Hij moet daarom altijd iets gaan doen met de kinderen. Hij kan de kinderen namelijk ook niet opvangen bij de vriend waar hij nu tijdelijk verblijft. De man betwist verder dat de vrouw op dit moment actief werkt in haar atelier, dus haar werk hoeft niet in de weg te staan aan ‘birdnesting’.
De rechtbank stelt voorop dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat er een duidelijke, structurele zorgregeling komt die voor beide partijen haalbaar is. Gebleken is dat beide partijen betrokken ouders zijn en beiden in staat zijn de zorg en de opvoeding van de kinderen op zich te nemen. Een co-ouderschapsregeling, waarbij partijen beiden gedurende de helft van de tijd voor de kinderen zorgen, zou gelet daarop een goed uitgangspunt zijn. Echter, ter zitting is gebleken dat de man sinds maart al uit de woning is vertrokken en op dit moment zeer onregelmatig contact heeft met de kinderen. Verder heeft de vrouw voldoende toegelicht dat zij, in ieder geval doordeweeks, gebruik moet kunnen maken van het atelier verbonden aan de woning voor haar werk. De man kan de kinderen op zijn huidige verblijfplaats echter niet opvangen. Een co-ouderschapsregeling is gelet op het voorgaande op dit moment (nog) geen mogelijkheid. De rechtbank zal daarom voorlopig een regeling vastleggen waarbij de man contact heeft met de kinderen om de week van vrijdag uit school tot en met dinsdag naar school. Dit zal plaatsvinden in de echtelijke woning, waarbij de vrouw de echtelijke woning dient te verlaten. Daarnaast neemt de man de zorg voor de kinderen op zich in de andere week op woensdagmiddag uit school tot 19:30 uur (na het avondeten). Dit contactmoment vindt plaats buiten de echtelijke woning. De rest van de tijd neemt de vrouw de zorg van de kinderen op zich. Deze regeling acht de rechtbank in de huidige situatie in het belang van de kinderen. De verzoeken van partijen zullen overeenkomstig worden toegewezen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
De toevertrouwing van de kinderen
Gelet op voormelde beslissing over de zorgregeling heeft de vrouw voorlopig het grootste deel van de zorg over de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij daarom aan de vrouw worden toevertrouwd. Haar verzoek zal dus worden toegewezen. Het verzoek van de man tot toevertrouwing van de kinderen aan hem zal worden afgewezen.
Het uitsluitend gebruik van de woning
Gelet op voormelde beslissing over de zorgregeling zal de rechtbank het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toekennen, met uitzondering van de dagen dat de man de zorg voor de kinderen heeft in de echtelijke woning. De rechtbank zal tevens voor die dagen het uitsluitend gebruik van de woning aan de man toekennen, waarbij de vrouw ook geen gebruik kan maken van het atelier. Naar het oordeel van de rechtbank is de periode dat de vrouw geen gebruik kan maken van het atelier echter te overzien. De verzoeken van partijen worden overeenkomstig het voorgaande toegewezen, met dien verstande dat de door de vrouw verzochte machtiging om de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen. Door het gegeven bevel beschikt zij namelijk al over een rechtsgeldige titel voor tenuitvoerlegging van de ontruiming met behulp van de sterke arm.
Grondslag kinder- en partneralimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij en de kinderen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert gemotiveerd verweer.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Ingangsdatum kinder- en partneralimentatie
De vrouw heeft onweersproken verzocht om de verplichting tot betaling van de hierna vast te stellen bijdragen in te laten gaan op de datum van indiening van dit verzoekschrift. De rechtbank zal dan ook als ingangsdatum 16 maart 2026 bepalen.
Kinderalimentatie
Behoefte van de kinderen
Uit de overgelegde berekeningen van partijen volgt dat zij beiden uitgaan van een basisbehoefte van de kinderen van € 643,= per maand per kind in 2026.
Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de vrouw gesteld dat zijn behoefte moet worden verhoogd met extra zorgkosten. Dit heeft de man betwist.
Uit voornoemde aanbevelingen volgt dat de behoefte van een kind kan worden verhoogd met extra kosten indien deze zo uitzonderlijk zijn, dat partijen die kosten niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en die uitgaven daadwerkelijk op het (gezins)inkomen drukken. De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw onvoldoende is onderbouwd hoe hoog deze extra kosten zijn en waarom deze kosten niet kunnen worden voldaan uit het standaardbedrag in de tabel voor [minderjarige 1]. De door de vrouw genoemde fiets voor [minderjarige 1] valt hier naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet onder. Dit is een gebruikelijk uitgave en wordt niet gezien als uitzonderlijke kostenpost. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de behoefte van [minderjarige 1] niet verhogen met extra kosten.
Draagkracht van de vrouw
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Tussen partijen staat vast dat de draagkracht van de vrouw € 50,= per maand bedraagt (volgens de tabel).
Draagkracht van de man
Partijen zijn het erover eens dat voor de becijfering van de draagkracht van de man in ieder geval uitgegaan van zijn inkomen zoals volgt uit zijn jaaropgaaf ter hoogte van € 169.640,= bruto per jaar (productie 2 van de man).
Volgens de vrouw moet daarbij nog rekening worden gehouden met een dividenduitkering. De man betwist het standpunt van de vrouw en stelt dat er geen rekening dient te worden gehouden met enige dividenduitkering.
De rechtbank overweegt als volgt. In de door de man overgelegde stukken heeft hij aangegeven dat in de afgelopen jaren geen sprake is geweest van enige dividenduitkering. In de onderneming worden geen activiteiten ontplooid en de man draait door uitkering van een inkomen aan hemzelf enkel verlies. Ter zitting heeft hij dat standpunt gewijzigd en verklaard dat er de afgelopen jaren slechts eenmaal een dividenduitkering heeft plaatsgevonden. Dit betreft een uitkering van € 41.117,= eind 2025. Gelet op de betwisting van de vrouw dat dit de enige dividenduitkering is geweest van de afgelopen jaren en de stelling van de man dat er geen activiteiten plaatsvinden in de onderneming, had het op de weg van de man gelegen om meer inzage te geven in zijn financiële positie. De man had door middel van de jaarstukken van zijn onderneming van de afgelopen jaren te overleggen inzicht kunnen geven in zijn financiële positie en antwoord op de vraag of er dividend is uitgekeerd, en zo ja, hoeveel. De man heeft dit in zijn geheel nagelaten, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de vrouw te volgen in haar standpunt dat rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering. De rechtbank zal daarbij uitgaan van het door de man genoemde bedrag ter zitting dat vorig jaar zou zijn uitgekeerd.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde algemene heffingskorting, de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 10.244,= per maand.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 4.064,= per maand.
Draagkrachtvergelijking
De verdeling van de kosten van de kinderen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 4.064 / € 643 x € 4.114 = € 635,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 50 / € 643 x € 4.114 = € 8,=
Zorgkorting
Gelet op de hiervoor vastgestelde zorgregeling heeft de man gemiddeld ongeveer twee dagen per week de zorg voor de kinderen, zodat een zorgkorting geldt van 25%. De zorgkorting bedraagt dan een bedrag van afgerond € 161,= per maand per kind.
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 474,= per maand per kind.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw tot zoverre worden toegewezen.
Partneralimentatie
Behoefte van de vrouw
In geschil is de behoefte van de vrouw aan een (voorlopige) bijdrage. Nu het gaat om een ordemaatregel ziet de rechtbank geen aanleiding de behoefte en de aanvullende behoefte van de vrouw tot in detail te berekenen. Het is aan partijen om hierover in de hoofdzaak het partijdebat te voeren en aan de rechtbank om daar dan een oordeel over te vormen.
De rechtbank gaat nu uit van het huidige inkomen van de vrouw uit haar onderneming, dat in 2025 niet meer dan € 5.000,= euro betrof. Gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en het verschil in (hoogte van) inkomen van partijen heeft de vrouw in ieder geval behoefte aan het hierna becijferde bedrag dat de man aan draagkracht beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Dat bedrag overstijgt haar aanvullende behoefte op dit moment niet.
Draakgracht van de man
Voor de becijfering van de draagkracht van de man in het kader van partneralimentatie gaat de rechtbank uit van voormelde financiële gegevens, zoals in rechtsoverwegingen 3.15, 3.17 en 3.18 is vermeld. De rechtbank houdt verder rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 1.906,= per maand.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 2.527,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Bij deze berekening is rekening gehouden met het fiscale voordeel van betaling van partneralimentatie. De man kan de door hem betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekken, terwijl de vrouw over de door haar ontvangen partneralimentatie inkomstenbelasting moet voldoen. Om die reden wordt het door de man genoten fiscale voordeel “opgeteld” bij de draagkracht van de man voor partneralimentatie (de “methode Buijs”) en komt dat voordeel dus geheel ten goede aan de vrouw.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.
Aanhechten van berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van de man en de verdeling van de kosten van de kinderen. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
4 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
1. [minderjarige 1], geboren op [datum 1] 2013 te [plaats 2],
2. [minderjarige 2], geboren op [datum 2] 2016 te [plaats 2],
3. [minderjarige 3], geboren op [datum 3] 2020 te [plaats 2];
bepaalt dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- in de ene week: van vrijdag uit school tot dinsdag naar school (in de echtelijke woning)
- in de andere week: woensdagmiddag uit school tot 19:30 uur, na het avondeten (buiten de echtelijke woning);
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, met uitzondering van vrijdagmiddag tot dinsdagochtend eenmaal in de twee weken wanneer de man de zorg voor de kinderen draagt, en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres], daarbij inbegrepen de inboedelgoederen, gedurende vrijdagmiddag tot dinsdagochtend eenmaal in de twee weken wanneer de man de zorg voor de kinderen draagt, en beveelt de vrouw die woning gedurende die dagen te verlaten en deze verder niet te betreden;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen met ingang van 16 maart 2026 wordt vastgesteld op € 474,= vierhonderdvierenzeventig euro) per maand per kind, aan de vrouw vanaf heden voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 16 maart 2026 wordt vastgesteld op € 2.000,= (tweeduizend euro) per maand, aan de vrouw vanaf heden voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.