Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5922Zaaknummer C/02/446360 FA RK 26-1508
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/446360 FA RK 26-1508
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Voorlopige zorgregeling in afwachting van UHA-traject en vaststelling kinderalimentatie.
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 1] 2013, voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, in het kader van de reguliere zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige 1] op zondag om 18.30 uur bij de man ophaalt;
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 2] 2017, voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, in het kader van de reguliere zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van donderdag uit school tot zondag 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige 2] op donderdag uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige 2] op zondag om 18.30 uur bij de man ophaalt;
bepaalt dat ten aanzien van genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende zorgregeling geldt tijdens vakanties en feestdagen:
- herfstvakantie en carnavalsvakantie: de vakantie wordt bij helfte tussen partijen verdeeld, waarbij de minderjarigen de vakantie starten bij de ouder waar zij conform de reguliere regeling het eerste weekend verblijven, met als wisselmoment op woensdag 18.30 uur, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- meivakantie: de minderjarigen verblijven een week bij de man en een week bij de vrouw, waarbij zij de vakantie starten bij de ouder waar zij conform de reguliere regeling het eerste weekend verblijven, met als wisselmoment in de eerste en tweede week op vrijdag 18.30 uur, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- zomervakantie: de minderjarigen verblijven in de even jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man, met als wisselmoment in de derde week op vrijdag 18.30 uur, waarbij het laatste weekend de reguliere regeling wordt gevolgd, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- kerstvakantie in 2026 en 2027: de minderjarigen verblijven de eerste week van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur bij de vrouw en de tweede week van zondag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man, met dien verstande dat zij steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- kerstvakantie vanaf 2028: de minderjarigen verblijven de eerste week van vrijdag uit school tot de volgende vrijdag 18.30 uur bij de vrouw en de tweede week van vrijdag 18.30 uur tot de volgende vrijdag 18.30 uur bij de man, waarbij het laatste weekend de reguliere regeling wordt gevolgd, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- suikerfeest en offerfeest: de minderjarigen zijn bij de man, waarbij de man – indien de minderjarigen niet volgens de reguliere regeling bij hem zijn – de minderjarigen de dag voordien op een schooldag uit school ophaalt en op een weekenddag om 18.30 uur bij de vrouw ophaalt en de dag nadien op een schooldag naar school brengt en op een weekenddag om 10.00 uur naar de vrouw brengt;
- verjaardagen van de minderjarigen: de minderjarigen vieren hun verjaardagen bij de ouder waar zij op dat moment volgens de reguliere regeling verblijven;
- verjaardagen van de ouders: de minderjarigen zijn bij de jarige ouder, waarbij – indien zij niet volgens de reguliere regeling bij de jarige ouder zijn – de jarige ouder hen de dag voordien op een schooldag uit school ophaalt en op een weekenddag om 18.30 uur bij de andere ouder ophaalt en de dag nadien op een schooldag naar school brengt en op een weekenddag om 10.00 uur naar de andere ouder brengt;
- verjaardagen van opa’s en oma’s en andere belangrijke mensen voor de minderjarigen: de ouders zorgen ervoor dat de minderjarigen mee kunnen naar een verjaardag van opa's en oma's of een jubileum of familiedag en stemmen dit tijdig vooraf af. Een geplande vakantie gaat voor op dit soort dagen. Het halen en brengen gebeurt door de ouder waar de minderjarigen mee naar de betreffende gebeurtenis gaan;
- Vaderdag en Moederdag: de minderjarigen zijn op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw, waarbij – indien zij niet volgens de reguliere regeling bij de betreffende ouder zijn – die ouder hen de zaterdag voordien om 18.30 uur ophaalt en de andere ouder hen op zondag om 18.30 uur ophaalt;
bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 200,= (tweehonderd euro) per maand per kind;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst partijen en genoemde minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal partijen en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 5 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de rechtsoverweging 4.12 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt aan de definitieve beslissing op het verzoek betreffende de reguliere zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/446360 FA RK 26-1508
2 juni 2026
beschikking betreffende zorgregeling en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Elias,
en
[de man],
wonende aan het [adres]
,
hierna te noemen de man,
zonder advocaat.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van mr. Elias van 3 mei 2026 met bijlage.
1.2 De eerste zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Aangezien de man op die zitting heeft aangegeven dat hij pas enkele dagen in het bezit was van de processtukken, dat hij zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de zitting en dat hij overweegt om een advocaat in te schakelen om hem in deze procedure te vertegenwoordigen, heeft de rechtbank – met instemming van beide partijen – besloten om de behandeling van de zaak te vervolgen op de zitting van 18 mei 2026.
1.3 Bij de zittingen van 7 mei 2026 en 18 mei 2026 zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.4 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben hun mening schriftelijk gegeven.
2 De feiten
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013,
2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017;
- de minderjarigen zijn door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen;
- de minderjarigen staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de vrouw;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling);
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen moet voldoen.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een zorgregeling;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 200,= per maand per kind, met ingang van 1 oktober 2025.
4 De beoordeling
Zorgregeling
De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling het volgende ten grondslag. Na de verbreking van de relatie van partijen in maart 2019 heeft er jarenlang onregelmatig omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsgevonden vanwege verschillende omstandigheden. De man is een aantal jaren gedetineerd geweest, had sommige perioden te kleine huisvesting om de minderjarigen bij hem te laten verblijven/overnachten en heeft ook een tijdje in [plaats 2], ver van de minderjarigen, gewoond. In juli 2025 zijn de man en zijn nieuwe partner in [plaats 3] gaan wonen. Vanaf dat moment zijn partijen uitvoering gaan geven aan de huidige zorgregeling, waarbij – kort gezegd – [minderjarige 1] om de week van vrijdag uit school tot zondagavond, [minderjarige 2] om de week van donderdag uit school tot zondagavond en beide minderjarigen de helft van de vakanties en feestdagen bij de man verblijven. In oktober 2025 verliep de communicatie tussen partijen zo goed dat partijen samen hebben geregeld dat de man mede het gezag over de minderjarigen heeft. In december 2025 heeft de man de vrouw laten weten dat hij de zorgregeling wil aanpassen naar een 50/50-regeling. De vrouw is blij dat de man actief betrokken is bij de minderjarigen. Ze heeft in principe geen bezwaar tegen extra contactmomenten plaatsvinden indien de man en de minderjarigen dit willen. Wel heeft ze bezwaar tegen vaststelling van een 50/50-regeling, met name omdat de minderjarigen haar te kennen hebben geven dat zij een dergelijke regeling niet willen maar de huidige zorgregeling willen voortzetten. Vooral [minderjarige 2] vindt het soms nog een beetje spannend om naar de man toe te gaan. Hij is een emotioneel en prikkelgevoelig kind en hij is gebaat bij rust en structuur. Hierover in gesprek gaan met de man lukt niet. De vrouw wil voor haar en de minderjarigen duidelijkheid over de zorgregeling en verzoekt daarom om de sinds juli 2025 uitgevoerde zorgregeling, voor wat betreft zowel de reguliere regeling als de regeling tijdens vakanties en feestdagen, vast te leggen.
De man heeft het volgende aangevoerd. Hij vindt het verschrikkelijk dat hij er niet altijd voor de minderjarigen is geweest. Sinds het einde van zijn detentie in 2023 doet hij alles voor de minderjarigen en zet hij zich in om de contactregeling met de minderjarigen op te bouwen. Vanaf oktober 2025 wordt er uitvoering gegeven aan de huidige zorgregeling, maar de man is niet tevreden over deze regeling. Hij wil gelijkwaardigheid en wil niet langer een parttime vader zijn. Hij wil een 50/50-regeling, waarbij hij in de praktijk wil bekijken hoe deze er dan feitelijk uit zou moeten zien. De vakanties en feestdagen worden al bij helfte tussen partijen verdeeld en dit kan wat de man betreft zo blijven.
Namens de Raad is het volgende aangegeven. De man zegt dat hij gelijkwaardigheid wil, maar het lijkt erop dat hij vooral bedoelt dat hij een volwaardige vader wil zijn in plaats van dat hij bedoelt dat hij de minderjarigen de helft van de tijd bij hem wil hebben. De vrouw wil ook dat de man een volwaardige vader is. Het lijkt er dus op dat partijen hetzelfde willen, maar dat zij het niet goed geregeld krijgen vanwege hun communicatieproblemen. Partijen en de minderjarigen hebben veel meegemaakt en door de emoties bij partijen ontvlamt het steeds tussen hen. Het is wel heel positief dat partijen samen hebben geregeld dat er gezamenlijk gezag en een zorgregeling tot stand is gebracht. De Raad gunt het de minderjarigen dat partijen hun dynamiek kunnen veranderen en zaken over de minderjarigen met elkaar bespreekbaar kunnen maken. De contactregeling tussen de man en de minderjarigen kan niet zomaar worden uitgebreid. Partijen zullen daarover met elkaar in gesprek moeten gaan en bekijken waar de minderjarigen zich goed bij voelen. Voor het geval de definitieve beslissing over de zorgregeling wordt aangehouden, adviseert de Raad om nu als voorlopige beslissing de huidige zorgregeling vast te leggen. Deze regeling verloopt goed en het is fijn als er voor alle betrokkenen duidelijkheid komt over de zorgregeling. Indien partijen meer contactmomenten overeenkomen is dat prima, maar dan ligt er in ieder geval een basisregeling vast.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn er, ondanks alles wat er in de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden, in geslaagd het een en ander te regelen voor de minderjarigen. Er is gezamenlijk gezag en er is een zorgregeling die door beide partijen wordt nagekomen. De man geeft aan dat hij meer tijd met de minderjarigen wil doorbrengen en dat hij gelijkwaardigheid wil, maar hij heeft ter zitting zijn wensen hierin niet kunnen concretiseren. De vrouw vindt het fijn dat de man weer in het leven van de minderjarigen is, maar zij vindt het spannend om de contactregeling tussen de man en de minderjarigen ineens uit te breiden gelet op hetgeen de minderjarigen willen. Tijdens de zitting is gebleken dat de verstandhouding en oudercommunicatie tussen partijen op dit moment slecht is. De situatie lijkt te escaleren als de man zich niet gehoord of gezien voelt en de vrouw blokkeert als de man boos wordt. De rechtbank vindt het daarom, net als de Raad, nodig dat partijen zich in het belang van de minderjarigen met begeleiding van een professional gaan inzetten om hun oudercommunicatie- en samenwerking te verbeteren, zodat partijen met begrip en respect voor elkaar afspraken kunnen maken over de minderjarigen en zij samen kunnen bekijken welke zorgregeling het beste aansluit bij de wensen en behoeften van de minderjarigen. In afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject zal de rechtbank de nu uitgevoerde reguliere zorgregeling als tijdelijke regeling vaststellen, omdat niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich tegen deze regeling verzet. Aangezien partijen het erover eens zijn dat de huidige zorgregeling tijdens vakanties en feestdagen wordt gecontinueerd, zal de rechtbank deze regeling nu wel al als definitieve regeling vaststellen.
Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en de minderjarigen voor een (jeugd)hulpverleningstraject verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 19 mei 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie). De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (of hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. In hun reactie maken partijen (of hun advocaten) kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor het verzoek met betrekking tot de reguliere zorgregeling.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (of hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke reguliere zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de reguliere zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (of hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat partijen en de minderjarigen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject, neemt de rechtbank nu geen definitieve beslissing op het verzoek met betrekking tot de reguliere zorgregeling, maar houdt zij de definitieve beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Kinderalimentatie
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat partijen in oktober 2025, mede op verzoek van de man, afspraken rondom de minderjarigen, waaronder de kinderalimentatie, hebben willen vastleggen. Voorafgaand aan oktober 2025 heeft de man ook kinderalimentatie betaald, maar de bedragen wisselden en de man betaalde ook nog geregeld ‘Tikkies’ die hij van de vrouw ontving in verband met kosten van de minderjarigen. De man heeft zelf voorgesteld om vanaf oktober 2025 € 200,= per maand per kind aan kinderalimentatie te gaan betalen. Over de maanden oktober 2025 tot en met januari 2026 heeft hij ook daadwerkelijk een bedrag van € 200,= per maand per kind aan de vrouw overgemaakt. De man heeft voor het eerst ter zitting de redenen genoemd waarom hij na januari 2026 is gestopt met de betaling van kinderalimentatie. Hij stelt dat hij het gevoel heeft dat hij kinderalimentatie betaalt voor de tijd dat de minderjarigen niet bij hem zijn, terwijl hij graag meer tijd met de minderjarigen zou willen doorbrengen. Daarnaast vindt hij de eerder afgesproken kinderalimentatie van € 200,= per maand per kind te hoog gelet op zijn inkomen. De vrouw wil echter dat de man de betaling van de overeengekomen kinderalimentatie van € 200,= per maand per kind hervat en verzoekt daarom om nakoming van de tussen partijen gemaakte alimentatieafspraak.
Gelet op het voorgaande staat vast dat partijen zijn overeengekomen dat de man vanaf oktober 2025 een kinderalimentatie van € 200,= per maand per kind ten behoeve van de minderjarigen zal betalen. Indien de man van mening is dat deze eerder afgesproken kinderalimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, had het op zijn weg gelegen om zijn standpunt te onderbouwen en stukken met betrekking tot zijn inkomen te verstrekken. De man heeft echter nagelaten zijn inkomensgegevens te overleggen. Zonder inkomensgegevens is de rechtbank niet in staat om een verifieerbare alimentatieberekening te maken. Dit brengt mee dat de rechtbank het alimentatieverzoek van de vrouw als onvoldoende weersproken zal toewijzen.
5De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 1] 2013, voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, in het kader van de reguliere zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige 1] op zondag om 18.30 uur bij de man ophaalt;
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op
[geboortedag 2] 2017, voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, in het kader van de reguliere zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van donderdag uit school tot zondag 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige 2] op donderdag uit school ophaalt en de vrouw [minderjarige 2] op zondag om 18.30 uur bij de man ophaalt;
bepaalt dat ten aanzien van genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de volgende zorgregeling geldt tijdens vakanties en feestdagen:
- herfstvakantie en carnavalsvakantie: de vakantie wordt bij helfte tussen partijen verdeeld, waarbij de minderjarigen de vakantie starten bij de ouder waar zij conform de reguliere regeling het eerste weekend verblijven, met als wisselmoment op woensdag 18.30 uur, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- meivakantie: de minderjarigen verblijven een week bij de man en een week bij de vrouw, waarbij zij de vakantie starten bij de ouder waar zij conform de reguliere regeling het eerste weekend verblijven, met als wisselmoment in de eerste en tweede week op vrijdag 18.30 uur, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- zomervakantie: de minderjarigen verblijven in de even jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man, met als wisselmoment in de derde week op vrijdag 18.30 uur, waarbij het laatste weekend de reguliere regeling wordt gevolgd, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- kerstvakantie in 2026 en 2027: de minderjarigen verblijven de eerste week van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur bij de vrouw en de tweede week van zondag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man, met dien verstande dat zij steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- kerstvakantie vanaf 2028: de minderjarigen verblijven de eerste week van vrijdag uit school tot de volgende vrijdag 18.30 uur bij de vrouw en de tweede week van vrijdag 18.30 uur tot de volgende vrijdag 18.30 uur bij de man, waarbij het laatste weekend de reguliere regeling wordt gevolgd, met dien verstande dat de minderjarigen steeds door de andere ouder worden opgehaald;
- suikerfeest en offerfeest: de minderjarigen zijn bij de man, waarbij de man – indien de minderjarigen niet volgens de reguliere regeling bij hem zijn – de minderjarigen de dag voordien op een schooldag uit school ophaalt en op een weekenddag om 18.30 uur bij de vrouw ophaalt en de dag nadien op een schooldag naar school brengt en op een weekenddag om 10.00 uur naar de vrouw brengt;
- verjaardagen van de minderjarigen: de minderjarigen vieren hun verjaardagen bij de ouder waar zij op dat moment volgens de reguliere regeling verblijven;
- verjaardagen van de ouders: de minderjarigen zijn bij de jarige ouder, waarbij – indien zij niet volgens de reguliere regeling bij de jarige ouder zijn – de jarige ouder hen de dag voordien op een schooldag uit school ophaalt en op een weekenddag om 18.30 uur bij de andere ouder ophaalt en de dag nadien op een schooldag naar school brengt en op een weekenddag om 10.00 uur naar de andere ouder brengt;
- verjaardagen van opa’s en oma’s en andere belangrijke mensen voor de minderjarigen: de ouders zorgen ervoor dat de minderjarigen mee kunnen naar een verjaardag van opa's en oma's of een jubileum of familiedag en stemmen dit tijdig vooraf af. Een geplande vakantie gaat voor op dit soort dagen. Het halen en brengen gebeurt door de ouder waar de minderjarigen mee naar de betreffende gebeurtenis gaan;
- Vaderdag en Moederdag: de minderjarigen zijn op Vaderdag bij de man en op Moederdag bij de vrouw, waarbij – indien zij niet volgens de reguliere regeling bij de betreffende ouder zijn – die ouder hen de zaterdag voordien om 18.30 uur ophaalt en de andere ouder hen op zondag om 18.30 uur ophaalt;
bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 200,= (tweehonderd euro) per maand per kind;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst partijen en genoemde minderjarigen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal partijen en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 5 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de rechtsoverweging 4.12 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt aan de definitieve beslissing op het verzoek betreffende de reguliere zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.