Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5867Zaaknummer C/02/432079 FA RK 25-848

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
11 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/432079 FA RK 25-848
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verweerschrfit op zelfstandig verzoek te laat

De rechtbank

4.1

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2015 in [plaats 2], Irak met elkaar gehuwd;

4.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

4.3

veroordeelt de man, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.436,= (achtduizend vierhonderdzesendertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;

4.4

bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;

4.5

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 De beoordeling
  3. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/432079 FA RK 25-848

beschikking betreffende echtscheiding van 1 juni 2026

in de zaak van

[de man],

wonende te [plaats 1]

hierna te noemen de man,

advocaat mr. I. Lamou te Breda,

en

[de vrouw],

wonende te [plaats 1],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. A. El Aqde, nu mr. M. Cortet.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het op 3 juni 2025 ontvangen verweerschrift houdende zelfstandig verzoeken;

- het op 30 december 2025 ontvangen aanvullend verweerschrift houdende zelfstandige

verzoeken;

- de brief van mr. Lamou van 24 februari 2026 met verweerschrift op zelfstandige

verzoeken;

- de brief van mr. Cortet van 28 februari 2026;

- het op 21 april 2026 ontvangen ouderschapsplan.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- zij zijn op [datum] 2015 in [plaats 2], Irak met elkaar gehuwd;

- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1]

2019,

2. [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023,

- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3 De beoordeling

3.1

De man verzoekt, samengevat,

- echtscheiding;

- opneming van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan in de beschikking.

3.2

De vrouw verzoekt nu, samengevat,

- echtscheiding;

- opneming van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan in de beschikking;

- bepaling dat zij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten;

- de man te veroordelen aan haar te voldoen € 8.436,=.

3.3

De verzoeken tot

- echtscheiding;

- opneming van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.

3.4

Met betrekking tot de verzoeken die zien op het voortgezet gebruik van de woning en betaling van een bedrag van € 8.436,= overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft deze aanvullende verzoeken bij verweerschrift, ontvangen op 30 december 2025, ingediend. Op 24 februari 2026 is het verweerschrift van de man ingediend.

De rechtbank volgt de vrouw in haar stelling dat het verweerschrift te laat is ingediend. Na indiening van de aanvullende verzoeken is de man in de gelegenheid gesteld verweer te voeren. De verweertermijn is gesteld op 27 januari 2026. Binnen die gestelde termijn is van de zijde van de man geen verweer gevoerd. Het verweerschrift is immers pas op 24 februari 2026 ontvangen. Van klemmende redenen die de te late indiening rechtvaardigen is niet gebleken. Bovendien is door de vrouw uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen te late indiening van het verweerschrift. De rechtbank zal het verweerschrift weigeren en dus buiten beschouwing laten. De verzoeken die zien op het voortgezet gebruik van de woning en betaling van een bedrag van € 8.436,= zullen daarom als niet (tijdig) weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

3.5

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2015 in [plaats 2], Irak met elkaar gehuwd;

4.2

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

4.3

veroordeelt de man, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.436,= (achtduizend vierhonderdzesendertig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;

4.4

bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;

4.5

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.